Clark Gillian Website

Binnenkort

De Duivelse Draak doet zijn intrede


Binnenkort verkrijgbaar: het vervolg op het eerste boek van het 'Magische Hert' - De Duivelse Draak en de val van de Keizer


Zelfs tot in het elfenparadijs dringt het gevaar van de Draak door. Kunnen de Dwaas en de Prinses van het Loze Vissertje en de Dulle Griet leren om zichzelf niet te verliezen in de strijd?


Ondertussen hopen de Ridder der Speren en de Bard samen de Keizer te bevrijden uit zijn gevangenschap, zelfs al zijn ze zelf op de vlucht van de Grote Raad. Een onmogelijke taak voor een eenzame ridder, maar met de Bard aan zijn zijde krijgt het onvoorstelbare een kans.

voorproef



De onzichtbare hand


De Tovenares spreekt met de slang over zijn handen, of het gebrek eraan. Daarna gaat hij zelf een kijkje nemen in het Elfenparadijs, waar hij wordt betrapt door het Magische Hert.

De onzichtbare hand


Nu was het zo dat de vier Koningen die eens trouw waren aan de Keizer allemaal door en door trouw bleven, behalve de Koning der Munten.


De Koning der Munten en de slang waren zeer, zeer dikke vriendjes en de reden daarvoor was heel simpel. De Koning kende de kracht en de macht van gouden munten, zilveren munten, bronzen munten en hoe iedereen altijd een klein beetje bij zich kan dragen; maar dat tegelijkertijd vele kleintjes een grote maken.


Nu, de slang was niet geïnteresseerd in de munten zelf. Hij was alleen in geïnteresseerd in wat de munten konden doen voor hem. En wat hij vond dat de munten moesten doen, was hem vele schatten brengen. Eindeloos veel schatten, eindeloos veel juwelen, eindeloos veel kisten gevuld met kostbaarheden, eindeloos veel verzameldingen, eindeloos veel zachte stoffen en kussens, eindeloos veel eten en drinken, eindeloos veel hebben.


En zo was het dat hij de Koning der Munten allerhande munten liet maken, in allerhande soorten voor dit koninkrijk, in allerhande vormen voor dat koninkrijk, met aparte ingewikkelde regels om ermee te kunnen betalen. Alleen was één regel overduidelijk: het raadhuis verzamelde van elke inwoner kostbare schatten.


“Uiteraard”, zou de slang zeggen, “Ik wil voor mezelf alleen maar echte waardevolle dingen. Waarom zou ik munten nodig hebben om te ruilen, als ik alles al vanzelf krijg wat ik nodig heb? Ik wil niets ruilen, ik wil alleen maar krijgen. Het ding is alleen: ik wil meer en steeds meer.”


Wie ook heel erg van hield van meer en van onschatbare schatten, was de Tovenares, die de slang altijd dicht bij hem hield om samen te keuvelen en te babbelen over hoe hij heerste over het Keizerrijk met ijzeren vuist.


“Ik heb geen vuist”, zei de slang dan altijd lachend, “Heb je ooit een slang gezien met handen? Dat zou monsterlijk zijn!”


“Jij bent ook een monster”, plaagde de Tovenares in de spiegelscherf kakelend. De slang lag zoals gewoonlijk in een gouden beker vol juwelen waar zijn kop en staart uit bengelden, bovenop een glanzende zilveren plateau. De scherf waar de Tovenares in woonde lag tegenover hem rechtop tegen een kandelaar.


“Als jij het zegt”, zei de slang, “Maar het is wel zo dat ik heers. Alleen is dat dan met… onzichtbare hand.”


Ze kakelden en lachten beiden uit volle borst. Plots stormden een groepje raadsmannen en de Koning der Munten de zaal in.


“Alles is gereed”, zei een van de raadsmannen die het dichtst bij de plateau van de slang stond, “Elke vrije stad hebben we veroverd en we hebben daar een raadhuis gebouwd.”


“Binnenkort zal iedereen gebruik maken van munten”, zei de Koning der Munten, “in plaats van dat vervelende ruilen van bont en geiten en wijn. De echte heerser is wie heerst over de munten.”


“Je klinkt bijna als de Keizer”, zei de slang spottend, “Alleen zou hij het hebben over harten in plaats van munten. Hoe ouderwets! Wat mensen doen met hun harten, dat is toch bijzaak?”


De raadsmannen en de Koning der Munten juichten de slang toe.


“Ik wil de schatten van de wereld hebben, jullie willen de schatten van de wereld hebben, samen zullen we alle schatten van de wereld verzamelen! Hoe heerlijk is dit? Mijn plan werkt voor mij en iedereen die erin meedraait, kan er ook uit iets uit halen. Is dat niet vrijgevig van mij?”


“Zo vrijgevig. Zo ontzettend vrijgevig”, zeiden de raadsmannen buigend, tevreden met wat ze hadden gedaan en verheugd op wat ze allemaal zouden mogen krijgen.


De slang staarde de raadsmannen een moment aan.


“Goed werk. Dan is het nu tijd dat ik haar ga halen, denk ik”, zei de slang.


“De Prinses?” vroeg de Tovenares, “Maar hoe ga jij naar de elfenwereld gaan van hieruit? Iets wat geen enkel mens heeft kunnen doen?”


“Tovenares toch”, zei de slang sissend, “Ik ben toch geen mens?”


En de slang beet in zijn eigen staart.


De raadsmannen keken bezorgd toe hoe de slang zijn eigen staart traag maar zeker verder inslikte en slikte tot hij eindelijk met een laatste hik zijn hele staart had ingeslikt.


***


De witte slang opende traag zijn ogen. Hij keek rond en kreeg meteen een koude rilling over zijn rug bij het zien van het paradijs van de elfenwereld.


“Hoe vervelend is deze plek”, zei hij in zichzelf.


“Te veel samen, te weinig apart; te veel zingen, te weinig dingen.”


Hij glibberde verder en slierde door en kwam terecht in de lege straten van de thuis der mensen in de elfenwereld.

Plots viel er een schaduw over de slang.


“Kom je kijken wat je allemaal aangericht hebt?” vroeg het Magische Hert, “De leegte en de verlatenheid?”


De slang glibberde snel de andere kant uit en hief zijn kop op.


“Wie we hier hebben”, zei hij, “Jij bent snel.”


“Ik ben er altijd”, zei het Magische Hert.


De slang glibberde in cirkels rond het Magische Hert.


“Je zou eens moeten zien wat ik allemaal aan het bereiken ben daarbuiten.”


Het Magische Hert keek hem in stilte aan en zei: “Niet ik, maar jij zou moeten inzien wat jij denkt dat je bereikt hebt daarbuiten.”


De slang siste naar het Magische Hert en zei: “En toch zijn ze allemaal weggegaan! De huizen zijn leeg, de straten ook! Ze hebben jou allemaal één voor één verlaten.”


Het Magische Hert stampte met zijn hoeven in het stof van de straatstenen en zei tot de slang:


“Alles wat wordt losgelaten, kan terugkomen.”


“Spreekt vanzelf”, mompelde de slang.


“Alles wat wordt vastgehouden, kan alleen vluchten.”


De slang slierde naar de andere kant, uit de warmte van de stralende zon.


“Eindeloze wijsheid”, zuchtte de slang.


“Ik zeg liever welkom dan vaarwel.”


“En ik zeg liever vaarwel”, zei de slang en glibberde weg van de straten, weg van de tuinen, weg van de vijvers en fonteinen, weg van de elfenkringen, ver weg van dat alles, weg van het Magische Hert, recht naar de schaduw. En daar wachtte hij verborgen in de duisternis op de Prinses.


De Dwaas werd ondertussen wakker van een heerlijke slaap en zag het Magische Hert in de verte door de verlaten straten dwalen. Hij rekte zijn armen en geeuwde kort en liep dan de trappen af over het plein naar het Magische Hert toe.


“Hoe lang heb ik geslapen?” vroeg de Dwaas terwijl hij in het gewei van het Magische Hert klom.


“Zo lang als nodig was, als je vanzelf wakker bent geworden”, zei het Magische Hert.


De Dwaas zocht zoals hij intussen gewoon was een plekje in het reuzegrote gewei en hing daarin te bengelen.


“Weet je wat?” vroeg de Dwaas.


“Wat?” zei het Magische Hert.


“Ik vraag mij af waar de Prinses naartoe is. Ik heb haar een tijd niet meer gezien.”


“Dat vroeg ik me ook af”, zei de slang die meevolgde vanuit de duisternis.


“We zullen eens zoeken”, zei het Magische Hert en hij sprong ineens zodanig vooruit dat de Dwaas bijna uit het gewei vloog, moest hij er niet aan vastgehaakt geweest zijn met zijn voeten.


De Dwaas vond het geweldig! Hij voelde de wind langs hem heen suizen met zijn armen wijd open. Hij wist dat het Magische Hert hem nooit zou laten vallen en zo hing hij daar in de wind met zijn voeten aan het gewei terwijl het Magische Hert over de heuvels sprong.


Het Magische Hert stopte aan de waterkant, waar de Ster vaak met de elfjes samen zat, maar de Prinses was nergens te bespeuren. De Dwaas klom uit het gewei.


“Wel, hier is ze alleszins niet”, zei de Dwaas en krabde in zijn haar.


De padden in het water kwaakten zachtjes en maakten cirkels in het water om hen heen. Kleine elfjes zaten op de rug van de padden te spelen met elkaar.


“Hebben jullie de prinses gezien?” vroeg de Dwaas.


De elfjes vlogen allemaal meteen lachend weg, maar de padden draaiden zich wel naar de Dwaas en zeiden: “Ze is er. Ze is daar. Ze is onderweg. Ze komt.”


“Ik versta ze!” riep de Dwaas verbaasd uit.


“Natuurlijk”, lachte het Hert, “Hoe meer je luistert naar boodschappen in plaats van woorden, kan je op den duur alles verstaan wat tot je spreekt!”


“Dit is geweldig!” zei de Dwaas en sprak verder met de padden.


“Het is verschrikkelijk”, zei de slang tot zichzelf, “Iedereen verstaat hier direct wat ik bedoel, daarom kan ik deze plek juist niet uitstaan!”


Maar dan viel er hem iets op in de lichtblauwe heldere hemel. De sterren begonnen te schijnen, alsof het al nacht was. Vallende sterren waren het, die zo samen vielen alsof ze vastzaten in een prachtig gewaad. En het gewaad was bijna zo groot als de hemel zelf, prachtig om te zien. En het was de Ster die het gewaad droeg en ermee neerdaalde met haar stralende lach. In het gewaad zat de Prinses, die zachtjes terug met haar voetjes op de grond kwam en de Dwaas meteen omarmde.


“Het is hier geweldig”, zei ze, “Ik zie zoveel! Ik maak zoveel mee! Ik heb de hemel gezien vanuit de hemel! Het is net een droom die is uitgekomen!”


“Prinses”, zei de Dwaas, “Dit ís ook een droom die is uitgekomen.”


De slang siste met zijn gespleten tong.


“Aan alle dromen komen een eind”, zei hij in zichzelf en wachtte en wachtte zoals alleen een slang dat kan doen, stokstijf en doodstil.

voorproef



Licht aan het eind van de tunnel


De kattenkoning opent het deksel op de put en laat de driekoppige hond los, waardoor de verraden raadsman uit de kerker kan ontsnappen. Maar het licht aan de eind van de tunnel hangt af van de schapenboer en zijn kaas.

Licht aan het eind van de tunnel


Dagenlang zat de geketende raadsman angstig af te wachten wanneer de schokken en de bevingen eindelijk voorbij zouden zijn. Machteloos keek hij toe hoe de barsten in de muren, in het plafond en in de vloer steeds groter werden bij elke beving. Een van deze dagen is het gedaan met mij, dacht hij in zichzelf.


Op een dag deed het rillen en het trillen van de aarde opnieuw de muren van de kerker schudden. De arme raadsman die vast was geketend in de plaats van de Keizer beefde van angst. Hier en daar viel er al een enorme steen uit het plafond. Hij wist dat het niet lang zou duren vooraleer de hele kerker in zou storten.


“Bewaker”, riep hij, “Laat mij vrij!”


De bewaker nam al zijn spullen bijeen en keek niet eens om naar de opgesloten raadsman. Hij liep de trappen op die met een grote stofwolk ineenstortte.


“Laat mij vrij”, riep hij opnieuw en opnieuw, zelfs al wist hij dat er geen bewaker meer was die hem kon horen. Huilend en angstig omdat hij met zijn korte kettingen de brokstokken moeilijk kon ontwijken en ze veel zeer deden, onderging hij deze verschrikkelijke straf. Waar hij die aan had verdiend, zou hij nooit weten. De muur tegenover hem stortte al volledig in elkaar en in dat moment had hij er vrede mee genomen dat de Dode Ridder hem zou komen halen om mee te gaan naar de Gene Zijde.


Ook de muur waar hij aan vastgebonden was kruimelde uit elkaar. Gelukkig voor hem vielen de brokstukken allemaal naar buiten toe en kwamen de bouten en de ijzers waarmee de kettingen in de muur vastzaten helemaal los.


“Ik ben vrij!” riep hij en ging rechtstaan. De kerker was nog steeds aan het instorten en hij zag geen andere uitweg dan in de openbarsting de kruipen die steeds groter en groter werd. Hij kroop steeds verder, tot hij merkte dat hij in een doolhof van een grot was beland.


“Is hier iemand?” riep hij, maar het enige antwoord dat hij kreeg was zijn eigen stem.


Verder ging hij de donkere grot in, met enkel hier en daar een spleet licht door de vervaarlijk schuivende lagen rots en steen boven hem. En plots zag hij iets lopen in de verte.


“Stop!” riep hij en liep zo snel hij kon tussen de rotsige vormen en druppelende steentafels.


Maar wat hij toen zag, kon hij zich niet voorstellen: twee katten in kostuum - een met een lichtgevende toverstok, de ander met een kroon – en een zwarte vos die een grote waakhond aan de leiband hield.


Waar ben ik in hemelsnaam beland, vroeg de ontsnapte man zichzelf af. Maar veel tijd om na te denken was er niet. Opnieuw begonnen de muren te beven en te schudden. Hij sprong naar de vier vreemde dieren toe. Stokstijf bleven ze staan, alsof ze een spook zagen en liepen verder door de gangen van de grot, alsof ze hem de weg wezen. De raadsman volgde hen trouw.


In een rij liep het gezelschap netjes door de bewegende grot: de Kattenhogepriester vooraan, de Kattenkoning kort daarna, de Zwarte Vos niet te ver en niet te dicht met aan de leiband de waakhond. Daarachter liep de ontsnapte raadsman, blauw en grijs van al het stof en het gruis waar hij uit was bevrijd. Alsof dat niet genoeg was om bijna zijn verstand te verliezen, hoorde hij achter hem een gigantisch slijmachtig gegrol.


En in het gegrol waren er af en toe woorden te horen, al was de raadsman niet zeker of hij dingen aan het verzinnen was in zijn hoofd door de doodsangsten die hij uitstond.


“Mensenvlees”, hoorde hij  in het gegrol en het gekraak en er ging een huivering door zijn hele lijf. Hij keek om en zag in het trillende licht van de toverstok drie gigantische hondskoppen boven hem uittorenen.


“Mensenvlees, ja”, zei het monster met grollende stem, “Met de geur van… tegen beter weten in.”


Een van de hondskoppen hapte naar de raadsman om een lekkere beet uit hem te nemen, maar de Kattenhogepriester met zijn kattentoverstok was voor hem gesprongen en weerde het monster af met een lichtflits.


Nu was het zo dat de lichtflits van de kattenhogepriester alleen genoeg was om één van de drie hondskoppen te doen verschieten, maar de andere twee koppen niet. Het monster klauwde en snauwde en sprak uit zijn drie monden:


“Laat mij proeven! Een enorme eeuwenoude honger heb ik, weet je wel wat dat is? Jarenlang ondergronds, jarenlang in het donker, jarenlang opgesloten en opgeborgen en weggestoken. Zo’n honger heb ik, dat ik niet meer zeker weet of ik honger heb, of dat honger mij heeft. Er is maar een manier om dat te weten te komen.”


De raadsman was zo bang was hij dat hij tegelijkertijd aan het huilen en aan het schreeuwen was. Hij stond er niet bij stil hoe acrobatisch hij wel was voor iemand die al heel zijn leven altijd heeft stilgezeten, steeds netjes op een stoel aan vergadertafels en eettafels. Nu sprong hij, klauterde hij, spurtte hij, kroop hij en sleepte hij zichzelf over alle hoekjes en kantjes van de grot, langs de vele druipstenen en steenpilaren die de driekoppige hond zonder moeite vermorzelde.


***


Nu was het zo dat aan de andere kant van de grote scheur die uit de grot was gekomen en heel ver over het land was uitgebroken, mensen luisterden naar de gruwelgeluiden die eruit kwamen.


Een boer net buiten de Stad der Broeken was de scheur in de grond gaan inspecteren die de helft van zijn schapen had ingeslikt en was de eerste die het gegrol van de driekoppige hond had gehoord. Wanneer hij er meer mensen had bijgehaald die op hun beurt  in een mum van tijd nog meer mensen erbij hadden gehaald, konden ze ook het geschreeuw en het gehuil van de raadsman horen. Zo afgrijselijk klonk het dat de kleine haartjes ervan recht gingen staan.


Het verhaal verspreidde zich snel dat er geesten uit de grond waren gebroken bij de schapenboer dat er steeds meer mensen uit de Stad der Broeken kwamen afgezakt om naar de gruwelscheur kijken. Voor de schapenboer het wist, stonden er wel een honderd mensen op zijn boerderij.


De schapenboer vroeg wie er kon helpen de geesten te verdrijven uit zijn grond, want met geesten in de buurt van zijn boerderij zou het stremsel van de schapenmelk geen kaas meer maken. Dat was geweten onder de mensen. Iedereen wist dat de schapenkaas van de schapenboer de beste was en zonder die kaas leven zou hun rustdag niet meer hetzelfde zijn!

Daarom bracht iedereen die nog vuurwerk had liggen, die ze normaal gezien gebruikten om de wolken te breken als het te lang niet heeft geregend, mee naar de schapenboer en begonnen ze dat af te steken in de gruwelscheur.


De raadsman was ondertussen zijn stem volledig kwijt van het krijsen en het schreeuwen, hij zag volledig bruin en blauw van alle brokstukken en het stof, en denken kon hij al helemaal niet meer van de vermoeiing. Hij stond op het punt om op te geven wanneer er met een fluitgeluid een eerste vuurpijl langs hem heen schoot en met een enorm licht ontplofte langs de driekoppige hond. En daarna nog een, en nog een. Allemaal ontploften ze met een gigantisch knetterend geluid die weerklonk door de hele grot en alle muren en gangen deed oplichten als bij bliksemslag.


En tussen het fluiten en het spetteren door van het vuurwerk, sleepte de raadsman zich verder, buiten adem en stijf van het lange rennen. De driekoppige hond, die met zijn ogen niet gewend was aan zoveel licht en met zijn oren nog niet gewend was aan zoveel geluid, jankte en deinsde achteruit. Steeds verder deinsde hij weg van het verschrikkelijke vuurwerk, want sneller dan een vuurpijl kon het monster niet lopen. En zo werd hij gekweld langs alle kanten en bleef hij jankend stil liggen.


De Kattenhogepriester, de Kattenkoning, de Zwarte Vos en de Woeste Waakhond zagen al het licht aan het einde van de tunnel: daar waar het vuurwerk vandaan kwam geschoten, daar was een uitgang uit dit ondergrondse doolhof. En toen ze uit de gruwelscheur tevoorschijn kwamen, keken alle mensen van de Stad der Broeken verbaasd toe.

Sommige mensen zeiden dat het een teken was, anderen zeiden dat het kwelgeesten waren die spookbeelden maakten, maar niemand durfde de vier dieren tegen te houden. Zo snel als ze konden liepen de dieren uit het zicht van de mensen, waar ze zich het veiligst voelen.


Ook de raadsman kon de uitgang vinden door het vuurwerk te volgen, al was hij bijna doof geworden door het geknetter en gespetter van het vuurwerk zo dicht bij zijn oren. Hij was nu ook zodanig vies en vuil door alle rook en as die nu door de grot dwarrelde, nog meer dan ervoor al het geval was, dat toen hij eindelijk uit de scheur kroop, alle mensen begonnen te krijsen en te roepen.


Een demon, dachten, ze een donker monster, een kwelbeest, een vervloekt wezen. De arme raadsman kroop naar hen toe, maar alle mensen weken met grote angst achteruit. Hij greep naar hun voeten, naar hun broeken, en smeekte om hulp, maar zijn stem was niets meer dan een hees geschraap. De raadsman wou alleen ‘dank U’ zeggen, maar wat er uit zijn keel kwam leek niet meer op woorden.


De mensen waren allemaal overtuigd dat het gegrom en het gegrol die zo vervaarlijk uit de grot klonk, van dit wezen kwam dat nu voor hen op de grond rondkrioelde. Zodus werd de arme man geknuppeld en gedood om de kaas te redden van de schapenboer. Zijn lichaam werd weggesleept en met grote stenen vastgebonden in de grote poel in de Stad der Broeken gegooid.


Van dat donker wezen zijn we gered, dachten de mensen. En ze prezen de dapperen onder hen die het kwelbeest hadden durven doodknuppelen. En toen alle mensen terug van zijn boerderij waren verdwenen nadat hij ze diep had bedankt voor alle hulp in het wegdrijven van het kwade monster, zag de schapenboer een stuk stof dat van de arme raadsman zijn kleren bij het slepen was afgetrokken. En in dat stuk stof zat een pin van de fijnste kwaliteit. Hij nam het, spoelde het af, kuiste het af en keek naar het schitterende goud dat glinsterde in de avondzon. Zodra hij het embleem van een slang met een kroon herkende, liet hij het vallen op de grond alsof het een gloeiend stuk houtskool was.


“Wat hebben we gedaan?” vroeg de schapenboer in zichzelf en dacht aan de grote poel in de Stad der Broeken waar het lichaam van de levenloze raadsman, nu proper gespoeld door het heldere water, vastgebonden aan een grote molensteen op de bodem van de poel rondzweefde.