Clark Gillian Website

Het Magische Hert en
De Dromen van De Dwaas


Een roman over autisme, gender non-conformisme en de archetypes uit het Tarotspel.

Sprookjesverhaal vol wijsheid voor jong en oud



"Je wordt meegevoerd door de Dwaas, zijn reisgenoten en zelfs zijn vijanden, en elk hoofdstuk laat je hunkeren naar meer. De wereld die Clark Gillian beschrijft is zo gedetailleerd, waardoor het lijkt alsof je deze plaatsen écht hebt bezocht. [...] Er borrelt iets in de koninkrijken van deze mythische wereld, net zoals er bij ons op aarde verandering in de lucht hangt. Wanneer worden de geheimen onthuld en vallen de maskers af? De enige manier om het te weten te komen, is door dit prachtig boek te lezen."




Phebe Somers

- Bloom Magazine (editie 4, 30/04/2021)

Het tarotspel gegoten in een groots avontuur

Wanneer een schijnbaar boze heks het Meetjesland teistert, neemt de Dwaas het op zich om naar de tovenares op zoek te gaan en haar een halt toe te roepen. Daarbij wordt hij vergezeld door de ridder, en het wordt al snel duidelijk dat ze elkaars hulp meer dan nodig hebben om hun doel te bereiken.


Er bruist iets in het keizerrijk. Verandering zit in de lucht. De elfenpoort is gesloten, maar hoe lang nog? Een Dwaas wordt geboren in een dorp. Een Prinses wordt geboren in een paleis. Het Magische Hert wacht in het donkere woud.

Voorproef




"Een lap rond zijn oren"

"Waar het leven wordt beleefd"

en

"Is dat nu zo moeilijk"






Een lap rond zijn oren


“Als je weet wat je werk is, als je weet wat je moet doen, als je doet wat je weet dat je moet doen, dan is al de rest alleen maar afleiding. Dan is al de rest alleen maar… een kans om teleurgesteld te worden”, zo zei Vader de leerlooier.


Het kind zei : “Maar ik weet niet zeker dat wat jij denkt dat ik moet doen, is wat ik moet doen.”


Vader de leerlooier nam diep adem.


“Waarom wil je zo graag teleurgesteld worden? Er is een manier van werken hier, en het werkt.”


“Ik weet niet of het werkt, Vader”, zei het kind, “Als ik mezelf moet tegenhouden om te zien en te begrijpen wat ik wil zien en begrijpen.”


De Vader keek het kind aan en kon maar niet begrijpen waar dit allemaal vandaan kwam. Geen enkele van zijn andere zonen en dochters spraken zo tegen hem. En geen enkele van zijn andere zonen en dochters zeiden dingen waar hij geen antwoord op had.


“Op een dag ga je begrijpen dat het beste was om simpelweg te leren wat ik je wil leren. Op een dag ga je begrijpen dat het makkelijker was om te doen wat ik zei dat je moest doen.”


De Vader kneedde ondertussen de lap leer verder in het zuur, om alle haartjes ervan af te krijgen.


“Maar is dat de bedoeling, dan”, vroeg het kind.


“Wat?” vroeg de Vader, “De bedoeling van wat? Spreek duidelijker, kind. Ik heb geen tijd voor al jouw vragen!”


Het kind durfde bijna niet meer spreken wanneer de stem zwaar en diep werd als een rotsblok die op punt staat van de berg af te breken.


“Is het dan de bedoeling dat het leven makkelijk is?”


Vader leerlooier schraapte de laatste haartjes weg van zijn lap leer.


“Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?”


Het kind keek in gedachten verzonken toe hoe zijn vader de lap in de emmer helder water stak met een grote beweging en zei half tot zichzelf, half tot hem:


“Maar ik vind het niet makkelijk om te doen wat ik moet doen, als ik niet begrijp waarom.”


“En nu is het genoeg!” riep Vader leerlooier en gaf het kind een lap rond zijn oren.
















Waar het leven wordt beleefd

 

Ondertussen, heel ver van het Land der Meetjes vandaan, daar stond een groot en stevig kasteel gemaakt uit een onbekend soort van steen in een onvertrouwd soort van kleur; behalve voor wie al in het Koninkrijk der Speren is geweest en de machtige stranden heeft mogen zien met haar plateau’s, kliffen en krijtrotsen in de troostende middagzon.


Een duif vloog langs de kust en volgde heel netjes de lijn waar de golven het zand strelen. Vermoeid maar onvermoeibaar vloog het arme dier uitgemergeld maar door en door, terug naar huis, terug naar het kasteel.


Zo was het dat de duif in een van de hoogste torens binnenvloog en braaf wachtte op de duivenmeester om het briefje rond haar poot weg te halen, maar in dit geval – toen de duivenmeester zag dat het ging om deze duif– nam hij de hele vogel mee.


De Koningin der Speren was druk in de weer met de hofleveranciers die een voor een hun waren aan haar presenteerden op rooie kussentjes. Ze keek samen met haar hofdames naar rijen en rijen van leveranciers met kantwerk, smeedwerk, vlechtwerk, snijwerk en veel meer nog dan, zodanig dat je het ene uiteinde van rij het andere uiteinde niet kon zien.


“Het is pas het hof waardig”, vertelde de Koningin tegen haar entourage, “Wanneer ik zie dat het niet alleen zijn nut heeft, maar ook kunst is.”


“Maar hoe kan je dat verschil zien?” vroeg een van haar kamermeisjes, “Tussen iets nuttig en iets kunstig?”


“Wel”, zei de Koningin, “Het verschil is dat iets nuttig is vergeten zodra het is gebruikt. Iets kunstig blijft je bij in je hart voor de rest van je leven.”


“Maar hoe kan je op voorhand weten dat iets je voor de rest van je leven zal bijblijven?”


De Koningin lachte terwijl ze haar ogen niet afhaalde van de vier gebakjes die gepresenteerd werden.


“Leren. Leren, leren, leren”, zei de Koningin, “Leren wat jij zelf waardevol. Dat is iets stil en verscholen, je moet er een beetje naar op zoek gaan. Maar als je het gevonden hebt, dan zal je zien, dan kan je niet meer twijfelen.”


De Koningin wees een van de vier gebakjes aan. De lakei boog diep en vertrok uit de rij.


“Het is eigenlijk een onbegrijpelijk iets” ging ze verder terwijl ze met goud gestikte lichtblauwe stoffen bekeek, “Je moet dieper kijken dan op het eerste zicht, om te zien wat schoonheid is. Je moet je kunnen inbeelden hoe het wordt beleefd, niet alleen hoeveel het gouden stiksel wel heeft gekost. Je moet weten wat het waard is, zonder te weten hoeveel het kost.”


“Dat is natuurlijk heel gemakkelijk”, zei de Koning der Speren die met klikkende en klakkende hielen snel passeerde, omringd zijn hofheren, “Als het geen bezwaar is hoeveel het kost.”


De Koningin, echter, draaide haar niet om bij het horen van de plagende woorden van haar man.


“Als het zou uitmaken hoeveel het kost”, zei ze, “Dan is het niet koninklijk!”


Ze tuitte haar lippen, keek op en knipoogde naar hem. Een moment keken ze elkaar diep in de ogen, alsof ze niet beiden omringd waren door hun eigen entourage die aandachtig toekeek.


“Mag ik mevrouw een kus geven”, vroeg de Koning der Speren met een overdreven diepe buiging.


De Koningin liet hem zo even hangen en keek met een ondeugende glimlach naar haar hofdames tot ze eindelijk zei:


“Dat mag U.”


Hij sprong terug recht en boog nu dicht bij haar wang waar hij haar heel voorzichtig, heel beschaafd, heel erg ingehouden een kus gaf, recht op het schoonheidsvlekje op haar wang. Dit alles zodanig traag en met gevoel dat het gebaar - hoe klein het ook was - alle hofdames van de Koningin hevig deed blozen.


Daarna boog de Koning weer snel en vertrok terug klikkend en klakkend naar zijn troonzaal.


“De Koning is zo gracieus, uwe hoogheid”, zeiden de hofdames, “Wat heb jij een geluk!”


De Koningin knikte kort naar de meisjes maar zei direct daarop het volgende.


“Leer maar snel wat een nuttig is en wat kunstig is, meisjes, “Voor jullie eigen zelf. Begrijpen jullie mij? Voor ons is mooi niet zomaar mooi, zoals het voor de heren is.”


De hofdames, velen onder hen nog fris en jong, keken verward en onzeker.


“Ik hoop voor jullie eigen bestwil dat jullie het begrijpen”, zei de Koningin nog met een zucht en keerde terug naar de rooie kussentjes van de leveranciers. Nu werd de Koningin verschillende sierraden getoond. Armbanden, halskettingen en oorbellen.


“Prachtig”, zeiden de hofdames.


“Zeker en vast”, zei de Koningin, “Maar vergeet niet waar armbanden en halskettingen het grootste nut hebben.”

De meisjes begonnen onder elkaar blikken uit te wisselen van verwarring en durfden niet meer zo ongedwongen spreken.


“En waar mag dat zijn, uwe hoogheid?”


“De kerkers”, zei de Koningin.


De meisjes keken elkaar geschokt aan.


“Laat het maar inzinken”, zei de Koningin, “En laat nooit nog iemand zeggen dat schoonheid oppervlakkig is, vooraleer ze in jouw schoenen hebben gestaan. Velen onder jullie worden markiezin, gravin, barones… wie weet zelfs ook koningin. Leer dan deze belangrijke les over schoonheid. Maak schoonheid tot een nut, dan ben je voorbij zodra je gebruikt bent. Maak schoonheid tot kunst, dan houd je stand zo lang mensen jouw schoonheid willen beleven.”


“Maar als je oud en lelijk wordt, dan komt daar toch ook een eind aan?” vroeg een van de hofdames.


“Juwelen en kleren dienen om jou te versieren, niet omgekeerd”, zei de Koningin, “Wees zelf niet het versiersel, meisje, wees het versierde. Mensen moeten bij je willen zijn, niet alleen toekijken. Mensen die alleen toekijken, die wil je niet in je buurt. Zo’n mensen zullen met alle plezier toekijken hoe ze jouw gouden ketting in de balzaal vervangen door een ijzeren ketting in de kerker. Hun hart zal niet breken voor jou. Ze zullen toekijken van begin tot eind.”


Ze koos enkele juwelen en stuurde de rest weg.


“Volgende”, riep ze.


“Wil uwe majesteit haar terugtrekken voor het middagmaal”, onderbrak een van de lakeien haar.


“De kok zal even moeten wachten”, zei de Koningin, “Ik heb nog een belangrijke les voor mijn hofdames.”

 

 “Uiteraard”, zei de lakei en boog diep vooraleer hij vertrok naar de keukens.


“Wat is strategie?” vroeg de Koningin aan haar entourage.


“Ik weet het niet”, zeiden de hofdames.


“Weten wat de andere partij denkt en het ze laten denken”, zei de Koningin.


Ze koos een kussen en stuurde de andere weg.


“Wat is oorlog?”


“Ik weet het niet”, zeiden de hofdames vromelijk.


“Oorlog is een vijand hebben en ermee moeten dansen. Oorlog is weten wanneer een brug te verbranden en wanneer een brug te bouwen”, zei de Koningin, “Het is weten wanneer indruk te maken en wanneer te choqueren. Het is weten wanneer te wachten en wanneer toe te slaan.”


Ze koos een kussen en stuurde de andere weg.


“Het is weten wanneer je jezelf moet wegcijferen en wanneer je mensen moet herinneren aan wie je bent.”


Ze koos nog een kussen en stuurde de andere weg.


“Laat niemand ooit nog zeggen dat schoonheid oppervlakkig is, zonder dat ze weten hoe het is om in jouw schoenen te staan.”


Ze koos nog een kussen en stuurde de ander weg.


“Je ziet je ene zoon verdwijnen en de ander vertrekken op zoektocht om wraak te nemen. Je ziet je dochters weggenomen worden als poppen en gebruikt worden om iedereen belangrijk te maken behalve zijzelf. Je ziet hoe dit alles komt en gaat, en je vraagt je af wat er nog te versieren valt aan dit alles, wat er nog mooi is aan het leven. En dan besef je na lang nadenken en lang treuren en lang wachten dat het leven niet mooi is op zich.”


Niet alleen de hofdames luisterden nu muisstil, maar ook de lakeien en de hofleveranciers zelf.


“De schoonheid van het leven begint waar het leven wordt beleefd. In het hart. Al de rest is versiering.”


Sommige hofdames veegden een traan weg. De nieuwste onder hen keken alleen stokstijf toe, verlamd door de gedachte van het zware leven dat hen te wachten kon staan. Maar de Koningin zelf had geen traan om weg te vegen. Ze zei:


“Het leven onderga je met je lichaam, maar het leven beleef je met je hart! Als je wilt zien wat je hebt ondergaan in je leven, kijk naar je lichaam. Kijk naar de kwaaltjes, de rimpels, de vergroeiingen, de littekens. Maar als je wilt zien wat je hebt beleefd, kijk in je hart. Daar is het dat de schoonheid van het leven schuilt, meisjes. Leer je weg daarnaartoe zo snel mogelijk en put jouw schoonheid van daaruit. Breng een schoonheid die kan beleefd worden en gedeeld worden.”


Ze koos nog een kussen en stuurde de andere weg.


“Dat is een schoonheid die je moet kiezen”, vertelde ze nog, “Versier die rimpels, versier die vergroeiingen, de littekens. Maak er een beleving van! Kies goed, meisjes. Kies goed.”


Nog een kussen koos ze uit de eindeloze rij.


“En ik heb inderdaad geluk met de Koning. Ik heb iemand die deze schoonheid oprecht met mij wil delen. Daar heb ik echt geluk in. Maar het is alleen gelukkig omdat het net zo makkelijk anders had kunnen zijn. Het is alleen gelukkig omdat het even goed ongelukkig had kunnen zijn. Begrijpen jullie?”


Op dat moment kwam de duivenmeester de zaal binnengelopen. Wanneer de Koningin zag om welke duif het ging, stuurde ze alle kussens, alle hofleveranciers, alle lakeien, alles hofdames, alles en iedereen onmiddellijk weg. Ze nam de duif voorzichtig van de duivenmeester aan en haalde het briefje van rond de poot. Ze las het met bibberende handen en wanneer ze het had gelezen, sloot ze haar ogen en hield ze het briefje tegen haar hart aan.


Ze streelde nog even over het hoofd van de duif en bedankte de duivenmeester, die haar in de lege zaal achterliet.

De Koningin der Speren nam nog een moment om te genieten van de stilte en zuchtte diep.


“Hij leeft nog.”





Is dat nu zo moeilijk?


[...]


“De Prins zal het zeker niet erg vinden dat ik dit even leen”, had de Dwaas gezegd vooraleer hij de knapzak rond de speer knoopte.


Vooraleer iedereen vertrok, hadden ze de gewonde en bewusteloze Prins in een rood deken gewikkeld, op een kar gelegd en meegenomen naar het feest, zodat iedereen de stoere held toch konden bewonderen, zelfs al was hij niet wakker.


De Dwaas moest echter nog wachten. Pas wanneer de Burgemeester hem persoonlijk kwam halen, mocht hij samen met hem vertrekken naar het feest.


“Belangrijke volgorde”, had de Burgemeester heel duidelijk verteld aan Vader de leerlooier, “De volgorde is cruciaal. Ik ben een expert in volgordes. Vertrouw maar op mij. Het zal een geweldig feest zijn, in de juiste volgorde van de dingen die op elkaar moeten volgen zoals het hoort te gebeuren. Eerst moet het eerste gebeuren, dan het tweede, daarna het derde en wanneer de mensen dit alles hebben zien gebeuren, kan ik met jouw zoon, de held van de dag en natuurlijk ook de Prins – die helaas niets zal kunnen zeggen – op het podium komen om een geweldige toespraak te geven die de mensen nog lang zullen koesteren en herinneren.”


Nadat de onbegrijpelijke prietpraat van de Burgemeester begrepen was door Moeder en Vader de leerlooier, beloofde hij ‘vele stukken van jouw oer- meetjeslandse leer’ te kopen. Vader schudde meteen daarop de hand van de Burgemeester.


Zo was het dat de Dwaas tegen zichzelf bleef zeggen dat hij zou aankondigen op zoek te gaan naar het Magische Hert in het donkere woud die tot ver in de wijde wereld uitstrekte. Welke woorden hij zou gebruiken, wist hij nog niet en het gebrabbel van de Burgemeester onderweg naar het dorpsplein hielp hem ook niet. De in trotse stoffen en zware kettingen geklede man bleef ondertussen maar spreken en spreken en grapjes maken die de Dwaas niet kon begrijpen.


Er was niets grappig aan de grapjes zelf, merkte de Dwaas verveeld op. De Burgemeester vond de grapjes alleen grappig omdat hij de mensen die hij ermee uitlachte zo grappig vond. Dit is iets wat de Dwaas evenzeer verveelde als het kaalplukken van een kip en het schillen van de appels voor een avondmaal van braadkip met appelmoes.


Plots stond de Dwaas stil, tot ergernis van de Burgemeester.


“Er is een pad”, zei de Dwaas plots, “Op het pad!”


En hij lachte zichzelf een breuk. Aan de rand van de aardeweg zat er inderdaad een dikke vette pad te blazen naar hen.


“Wat zeg je?” zei de Burgemeester van het dorp.


“Er is een pad, hier! Kijk!”, zei de Dwaas, “Een pad op het pad!”


“Oh, ja”, zei de Burgemeester koel, “Een pad… op het pad. Geweldig...”


De Dwaas knielde neer voor het pad om haar van dichtbij te zien.


“Pas op!” zei de Burgemeester, “Misschien is het een giftige pad en spuwt die gif in je gezicht.”


“Nee helemaal niet”, zei de Dwaas nog half schuddend van het lachen, “Ze wil alleen maar bubbels blazen, maar dat kan ze hier niet op het droge.”


Terwijl de Burgemeester protesteerde dat de Dwaas zijn handen vuil zou maken, nam hij het pad vast – die meteen dubbel zo hard begon te blazen – en legde haar in het beekje vlakbij. Het pad begon te proesten en te gorgelen en zodra ze een leuk plekje had gevonden zat het pad tevreden bubbels te blazen.


“Zie je”, zei de Dwaas, “Niet gevaarlijk.”


“Goed dan”, zei de Burgemeester. Hij was een man die niet geïnteresseerd was in echte dingen, alleen echte zaken. En een ding werd alleen maar een zaak wanneer er andere dingen van af hingen. Een ding dat geen zaak was, daar stond de Burgemeester al zo ver van af dat hij ze niet meer kon begrijpen. En dat was op zich al een heel triestige… zaak.


“We zijn bijna te laat”, zei de Burgemeester, “Ze verwachten ons nu op het podium. Je wilt toch niet het hele dorp laten wachten?”


De Dwaas stapte in gedachten verzonken verder met de ongeduldige Burgemeester, die was gestopt met het maken van grapjes over baronnen en graven waar niemand in het meetjesland ooit van had gehoord. Met zijn gedachten was hij nog bij het bubbels blazende pad.


“Waarom moet ik ineens zo denken aan de Heks?”, dacht hij in zichzelf.


Eindelijk aan de achterkant van het podium aangekomen, kon de Dwaas een trompettist horen trompetteren.


“Dat is het teken”, zei de Burgemeester terwijl hij een grote brede lach op zijn gezicht toverde, de Dwaas bij zijn hand greep en hem mee op het podium trok.


[...]



Elk hoofdstuk is een boodschap



"Een boek waarin je helemaal kan ontsnappen van het dagelijkse leven en op zoek kan gaan naar jezelf. Of je nu jong of oud bent, maakt niet uit, je zal altijd iets kunnen leren uit dit boek."



Margot Lissens

- Zizo Magazine over de 1e editie (10/08/2020)


Vanaf 14 april 2021 te verkrijgen bij: