Clark Gillian Website



Dit is de afgewerkte blog, online gepubliceerd van 12/04/2021 tot 06/09/2021. De blog werd inhoudelijk aangepast zodat het alleen gebeurtenissen uit de eigen ervaring en privésfeer van de schrijver weergeeft. Zoals origineel gepubliceerd worden geen namen en toenamen vernoemd.


HIJ/ZIJ/HET


Blogpagina


!Waarschuwing!

Bij het lezen van deze blog kan uw haar spontaan vlam vatten en is er kans dat uw oogbollen recht uit de kassen gaan smelten.


Trigger warning: thema’s van misbruik



Opgedragen aan K.C.


-

Zelfs nadat je ons hebt verlaten, leer ik nog steeds uit het grootste licht dat jij was. Omdat van de ene dag op de andere de wereld een stuk doffer werd zonder jouw schittering, moesten wij leren ons eigen grootste licht te worden om onze weg te vinden. Door hoe je bent moeten heengaan, hebben we moeten leren vergeven zonder in te boeten aan de waarheid.


Inhoud

Artificiële Intelligentie/ Misbruik als didactisch instrument / Schauvliege

Het was een andere tijd

Is een bibliotheek intelligent?

Schauvliege en de kikker

De papfles

Kunnen we compassie programmeren?


De voorwaarden van overeenkomen

Denken over wie iemand anders al dan niet denkt te menen wie ze zijn

Die/hen/hun; Geen logica in persoonlijke voornaamwoorden

De gustibus et coloribus non disputandum est

The world is but one country and mankind its citizens

HIJ zal wel zijn redenen hebben / Wie denkt ZIJ wel dat ze is


Cogito ergo sum / jezelf bewijzen om te mogen bestaan

-


Dan blijft hij op uw schouder zitten

           Er is altijd een lichtpunt

           Vagevuur

           De ruimte om iemand anders voor je te laten spreken

Coaching


Punk/Sloeber/Dwaas

Streven naar een efficiënt leven

Punk

Klant is koning


Bliksemafleider

Zelfs de nagedachtenis moet plaatsmaken voor hem

De gepijnigde klootzak

Slachtofferhulp

Een uitzonderlijk moment van eensgezindheid

Laat het komen om het te laten gaan


Carpe die(m/s irae)

Recht op “Zen”

Zomaar onnuttig

Nagels over een schoolbord

Bijgesteld perspectief

Onorthodox


Strafkamp

Een verboden boodschap

Het nut van een bezet gebied

Na afloop schiet er niets meer over


Kolonialisme aan de keukentafel / schoonheid als een vorm van respect

De grote boze keizer in het land der meetjes

Terugkeer naar het interbellum

Een troost voor wie gelooft in de schoonheid van het leven

Een huwelijk van het exotische en het nobele


De heks is kwaad / toevluchtsoord

              Ladyboy

              De heks is kwaad

              Kies zelf maar

              Sommige handjes zijn nu eenmaal slapper dan de andere


“Schrap zanger en schrijf dokter!”– bard van het meetjesland / Voice of Europe

              Koekenbak

              Jezelf ruïneren uit plichtsgevoel

              “Renoveer de badkamer of ik snijd mezelf de keel over.”

              Haal uw broer

              De Magiër / The Voice of Europe


Non-binair als kleuter in de 90s: de fee, de jager en de elfenpoort

           De vaatwas van tante I./S. en de auto van onkel R

           “Kan jij al jouw naam schrijven?”

           “Wil je geen jager zijn?”

Ik begon er graten in te zien


Papa, papa, ik kan niet ademen - het Meetjesland dat ik loslaat

              Drie elektroshocks

              In een ander land dan het meetjesland

              Van de vuilnisbelt geplukt

              Zilverpapierkes verzamelen

              Adem


Papa, papa, ik kan niet ademen - het Meetjesland dat ik loslaat

Drie elektroshocks


Enkele weken nadat ik de laatste hand aan mijn roman had gelegd, gaf de Vlaamse overheid groen licht om de regio Meetjesland officieel te laten verdwijnen als onderdeel van regio Gent. Dat was voor mij erg frappant. Het eerste hoofdstuk van mijn boek Het Magische Hert en de Dromen van de Dwaas heet “In het land der meetjes”, waarin ik schrijf over het Meetjesland dat ook ik heb moeten loslaten.


Ik kan niet ouder geweest zijn dan vier jaar wanneer ik in het deurgat stond van de slaapkamer van mijn ouders – dezelfde slaapkamer waar mijn moeder tot de dag van vandaag met terneergeslagen en afwezige ogen aan haar commode zichzelf verzorgt met make-up, juwelen, parfum en er pas leven in haar gezicht komt wanneer ze wordt aangesproken – als versteend stond toe te kijken waar het afgrijselijke geluid vandaan kwam. Het geroep en het getier, wat sindsdien zo goed als een dagelijkse realiteit werd van het leven in het Meetjesland dat ik heb gekend, kwam van het slaan en het wurgen van mijn moeder door mijn vader.


Van wat ik zag kon ik niet veel begrijpen. Ik kon niet begrijpen waarom, als mijn vader zo kwaad was en mijn moeder zo hardhandig vastgreep, ze haar ook zo nodig moest vastpinnen op het bed om er dan zelf op te gaan liggen. Wat ik wel kon begrijpen was mijn naam die mijn moeder als uitzinnig probeerde te roepen zodra ze zag dat ik daar stond. Dit was de eerste elektroshock door mijn systeem. Mijn vader had zijn hand rond haar hals en kneep die dicht wanneer ze te luid werd, iets wat hij systematisch verder zou zetten doorheen de jaren in letterlijke en figuurlijke zin. Alleen besefte hij doorheen zijn razernij niet dat ze probeerde duidelijk te maken dat ik in het deurgat stond toe te kijken, in plaats van dat ze haar verzette tegen zijn aanranding.


Ze had haar handen naar mij uitgestrekt. Haar vingers wezen naar mij. Toch drong het tot mijn vader, de leerkracht die verschillende keren op het matje werd geroepen wegens fysiek geweld naar zijn leerlingen toe - die het naar zijn zeggen stuk voor stuk hadden verdiend omdat ze niet wilden luisteren - niet door. Hij was ontketend in een bulderende woordwaterval en hem onderbreken voor om het even wat, zelfs het beschermen van hun peuter in het deurgat, deed hem alleen nog harder roepen. De regel was: als jij roept, roep ik nog harder. Ik herinner me hoe mijn naam in haar keel bleef steken, terwijl ze herhaaldelijk “Stop! Stop! Clark staat daar! Clark staat daar!” probeerde te formuleren met de beperkte adem die ze had.


Wanneer ze merkte dat het niet veel uithaalde, begon ze nog steeds vastgepind door haar bodybuildende man op het bed: “Go away! Clark, go away! Go away!” Dit was de tweede elektroshock. Want dat was de stem die ik herkende wanneer ik iets verkeerd had gedaan, alleen duizend keer versterkt. Ik had blijkbaar iets enorm verkeerd gedaan.


“Dat is jou aangeleerd geweest”, zo zei de psychologe dertig jaar later, “Dat jij de schuld op jezelf steekt van alles. Dat is niet een spontane eigenschap van de mens. Het is een aangeleerd iets.”


De derde elektroshock kwam toen het tot mijn vader eindelijk doordrong dat ik daar stond. Zijn gezicht draaide voor het eerst om naar mij, een furieus gezicht verwrongen van woede met rood doorlopen ogen – een angstaanjagende misvorming van het gezicht dat ik kende en vertrouwde. Dit was de eerste keer in mijn leven dat ik een diepe angst voelde over heel mijn lichaam en het kwam door het woedende gezicht van mijn eigen vader.


Ook hij was net als mijn moeder tegen mij beginnen roepen, terwijl hij met monsterlijke bewegingen van haar klauterde. Ik had duidelijk iets enorm verkeerd gedaan dat mijn beide ouders zodanig kwaad waren op mij. Omdat ik niet kon begrijpen wat ik verkeerd had gedaan, was de enige connectie die ik spontaan maakte als peuter dat mijn fout was… dat ik er was. Mijn vader, met niets meer aan dan zijn witte onderbroek en zijn wit onderhemd, greep mij hardhandig vast terwijl mijn moeder krijsend protesteerde en gooide mij tegen de muur aan de overkant van de gang. Ik herinner me een moment van gewichtloosheid vooraleer ik neerkwam en de deur zag dichtslaan, waar het gekrijs was overgegaan tot een onvergetelijk jammerend gehuil.


Mijn zus had zichzelf huilend onder de trap van de zolder verschanst. Na het beklimmen van de trap, wat ik waarschijnlijk voor het eerst had gedaan sinds er een kinderhek was geïnstalleerd om dat net te voorkomen en waardoor mijn ouders waarschijnlijk zo verstoord waren door mijn “daar zijn”, had ik haar daar gezien en afgevraagd wat er zo triestig kon zijn. Nadat ik door mijn vader door de gang heen was gegooid, zette ik het onmiddellijk op een rennen en was ik een plek gaan zoeken om me te verbergen, net als zij.


In een ander land dan het meetjesland


Ik had sindsdien een doodsangst voor volwassenen. Dit was een zwaar gênant probleem voor mijn vader en moeder, want zodra ik werd aangesproken door bijvoorbeeld een kassierster in de supermarkt met een onschuldige en lieve “Hallo, schat”, barstte ik uit in een krijsend gehuil. Nu weet ik wat er gebeurde, want pas nu kan ik het gevoel linken met exact hetzelfde gevoel van in dat deurgat te staan. Ik deed iets verkeerd, simpelweg door opgemerkt te worden door volwassenen dat ik er was. Mijn gekrijs was zo misplaatst, maar ook zo problematisch luid, dat de kassiersters of kinderjuffrouw vaak moest zeggen: “Maar ik heb toch niets verkeerd gezegd?!” omdat de klanten en de andere kassiersters omkeken naar het kind dat klonk alsof hij klop had gekregen.


Mijn vader dacht dat zijn tactieken in het onderwijzen en lesgeven in zijn geheel over te zetten was op het opvoeden van een kind. Zijn oplossing voor mijn diepe angst voor… mensen, was om mij nog harder te disciplineren. Wanneer bleek dat dit niet het gewenste effect had en mij alleen nog meer naar binnen deed keren, bespaarde hij zijn volgende kind deze methodes. Het kwaad was echter al geschied op zijn eerste zoon, dus kon hij evenwel doorgaan met deze praktijken specifiek op mij alleen. “Clark!” werd synoniem met “Stop! Zwijg! Kom hier!” en zelfs als mijn broer later iets verkeerd zou doen, riep hij nog steeds “Clark!”


Tot op de dag van vandaag haalt hij onze namen consequent door elkaar. En tot op de dag van vandaag spreekt hij tegen mij als tegen een leerling en verwijst hij naar mijn tantes, onkels en grootouders als “mijn broer F./N./P.” of “mijn zus R.” of “mijn ouders”.  Talloze keren heb ik het zeggenschap over simpelweg deel zijn van de familie moeten verbaliseren als: “Ja, ik ken ze, het zijn mijn mémé, pépé, mijn dooppeter, mijn doopmeter.” Het kwam niet spontaan voor mijn vader om mensen in de familie te identificeren dan vanuit ergens anders dan hemzelf. Hij heeft nooit de woorden “jouw mémé, jouw pépé, jouw tante, jouw onkel” gebruikt. In zijn wereld waren dit aparte entiteiten die geen verband hadden met mij of mijn leven.


Het probleem spreidde zich ook uit tot in de wijdere familiekring. Zo had ik bijvoorbeeld een diepe, diepe angst voor mijn dooppeter. Het zal er zeker mee te maken gehad hebben dat hij fysiek heel erg hard op mijn vader leek en de autoriteit die hij uitstraalde als pater familias diepte de angst enkel nog meer uit. Net als mijn vader putte hij er ook plezier in op momenten waarin ik (en mijn nichtjes en neefjes op familiebijeenkomsten) ons niet bewust waren van de ogen van de volwassenen en vrij en blij probeerden te spelen, om ons te doen verschieten met zijn bulderende stem alsof we iets verkeerd hadden gedaan. De grap die mijn dooppeter daarmee wou maken was uiteraard dat wij niets verkeerd hadden gedaan. Helaas had dat het verkeerde effect op mij. Ik durfde mijn dooppeter nooit uit mezelf te benaderen. Ik probeerde mezelf voortdurend weg te stoppen van hem, en dit kwam zoals bij de kassierster in de supermarkt uiteraard van een plek waar hij niks mee te maken had. Nu besef ik dat het feit dat ik hem ontweek voor wat geen goede reden bleek te zijn, harder aankwam net omdat hij mijn dooppeter was.


Nog voor ik de kleuterklas uit was, werden de mechanismes waarmee ik met de trauma omging meer en meer kwalijk genomen als een diepe persoonlijke fout. Zo was het dat mijn vader me in het huis van mijn grootouders meenam hardhandig had vastgepakt aan de schouders zoals hij altijd deed en naar een kamer bracht waar mijn door Peter op mij wachtte. Ze waren daar onder hun twee verzameld zodat ze mij allebei duidelijk konden maken dat ik een grove fout had gemaakt door geen hand te geven aan de man waar ik zo’n angst van had op die familiebijeenkomst op zondag. Ik werd verplicht in dat moment hem een hand te geven, wat ik ook deed. Deze oplossing stemde de twee volwassen mannen tevreden, terwijl het kind dat nog niet kon lezen en schrijven probeert te begrijpen hoe de angst die uit het binnenste spontane deel van zichzelf komt zo misplaatst en problematisch is.


Tot op de dag van vandaag herinner ik me slechts één gesprek waren ik en mijn doop Peter echt met elkaar persoonlijk spraken van man tot man. Dit was wanneer ik zelf het initiatief had genomen nadat ik van mijn vader had vernomen net voor de pandemie dat hij onze relatie nooit nog goed zag komen omdat ik nooit met hem sprak. In een ander land dan het meetjesland, wat ik in mijn schrijven sterk associeer met de sociale omgeving van mijn kindertijd, zou er eventueel iemand gedacht hebben om zelf het initiatief te nemen om naar het kind toe te stappen en onvoorwaardelijk liefde te tonen voor een mens dat nog niet kan lezen en schrijven.


“Ze zijn van een andere generatie”, zo had mijn beste vriend mij duidelijk gemaakt een aantal jaar geleden, “Dat gaat niet veranderen. Ze zitten zo in elkaar. Je moet dat ergens bewonderen.”


Bewondering is inderdaad het sleutelwoord, een verwachte bewondering specifiek voor deze generatie van mannen – niet de vrouwen zo had ik snel gemerkt als kind en dit werd duidelijk hoe ouder ik werd – waarbij zelfs een klein kind dat kampt met angsten simpelweg moet “stoppen met bang zijn.” Wie dat niet kan, valt af. En ik ben uiteraard afgevallen. De sterke kinderen blijven over en strijken de bewondering op. De afvallige kinderen… veroorzaken helaas een band die, zoals mijn dooppeter het zelf beschreef tegen mijn vader, niet meer te herstellen valt. Het zijn het soort relaties waarin je jezelf moet bewijzen, bijna zoals gladiatoren in de arena die caesar groeten die veilig aan de zijlijn staat en niet zal ingrijpen tot de duim oftewel naar boven zal wijzen oftewel naar onder.


Van de onvoorwaardelijke liefde waar mijn vader en zijn familie als kerkgangers aan wordt herinnerd in de misviering iedere zondag, geen sprake. De liefde in deze familie was voorwaardelijk, een verdienste.


Van de vuilnisbelt geplukt


Vooraleer mijn vader leerkracht was, werkte hij net zoals mijn andere onkels en mijn grootvader in de industriële sector als arbeider. Zoals ze het zelf benoemden: “In de fabriek.” Dit had misschien ook hun levensfilosofie geïnformeerd dat liefde te verdienen was door hard werk. Of ook dat de liefde gekocht kon worden met het geld dat het harde werk opbracht.


“Als je hard genoeg werkt, dan heb je geen tijd om depressief te zijn.”


Dit was het antwoord van mijn dood Peter wanneer hij mij zoals steeds “betrapte” aan de computer op het opzoeken van de symptomen van manische depressiviteit, na de zoveelste gewelddadige uitbarsting van mijn vader onder invloed van alcohol. Psychologie en mentale hulp, dat was een luxe van de bourgeoisie die valt buiten het arbeidersbestaan van de familie. Helaas was dat een visie die mijn broer en zus ook over hadden genomen, gezien ze alleen met stilte antwoordde wanneer ik jaren terug had verteld dat ik psychologische hulp had gezocht.


Ik had even goed kunnen zeggen: ik ben zwak.


Het zoeken van hulp is daar een symptoom van. Sindsdien is er met geen woord ooit nog over gesproken of tout court nog een echte conversatie heb gehad met hen na 2013.


En toch, zelfs al groeide ik op in wat ik het Meetjesland noem, die beperkte sociale kring van vrienden en familie waarin ik was opgegroeid, met dit sterke idee van dat hard werk alles oplost: mentale problemen, financiële problemen, het gevoel van een doel in het leven, gevoel van eigenwaarde,… toch kon ik het niet rijmen met de realiteit die ik als kind zag. Ik verzette me ertegen. Ik had een sterk gevoel van eigenwaarde dankzij mijn moeder die ondanks het misbruik haar trots behield en een diep geloof in onvoorwaardelijke liefde die komt uit wie je bent, niet uit wat je doet.


“Maar jij hebt ook last van dat idee dat hard werken alles gaat oplossen, en ik denk zelfs niet dat ik je ervan af ga kunnen brengen.”


Zo zei de psychologe tegen me datzelfde gesprek. Ik was even aan de vloer genageld en stotterde dat ik dat idee helemaal niet heb. Het was moeilijk dit niet persoonlijk op te nemen en toch wist ik dat ze de nagel op de kop sloeg, want waarom wel ik zo graag dat mijn boek een succes is? Wat informeert mijn idee van succes? Ik zelf was nog niet vrij van dit idee, zelfs na 30 jaar getuige te zijn van de destructiviteit van dit idee.


Mijn vader was zich ook heel erg bewust van de religie van de hardwerkende man. Deze religie bestaat uit het fetisjeren van de man die zijn lichaam opoffert in ruil voor geld. Dit is de bewondering waar ik eerder al over sprak. Het is een contradictie die nergens op slaat, omdat de hele identiteit wordt geput uit het feit dat de man hard maar dan ook hard werkt, maar de tragiek ervan misbruikt als vrijgeleide om vrouw en kinderen te mishandelen. “Uw botten afdraaien” - zo beschreef hij het keer op keer - om uw familie te voorzien in levensonderhoud, is het allerlaatste woord. In de religie van de hardwerkende man, is gerechtvaardigde mishandeling een onwrikbaar dogma.


Dat hij mijn moeder systematisch blokkeerde om te gaan werken, speciaal om het haar achteraf kwalijk te nemen, was een van de meest donkere taktieken om haar verhaal als slachtoffer om te vormen naar een verhaal van menselijke parasiet, waardoor ze bij niemand meer terecht kon met haar verhaal, moest ze dat gewild hebben. Hij domineerde niet alleen haar lichaam, maar ook haar verhaal. In alle opzichten was ze een machteloze vrouw.


Wat haar gevangen hield tot op de dag van vandaag is dat ze niet onschuldig is van hetgene mijn vader haar kwalijk neemt. Ze heeft mijn vader werkelijk misleid en geruïneerd met een niet te evenaren egoïsme. Mijn vader zou mij en soms ook mijn broer en zus vragen: heb ik ongelijk? We konden niet anders zeggen dan dat zij inderdaad zijn hele erfenis heeft opgesoupeerd, geld heeft versluisd achter zijn rug, hem niet op voorhand had verteld dat zij ook een dochter had van een andere man net voor ze gingen trouwen en vele andere zaken. Maar wat had je verwacht als je een vrouw gaat kopen in de Filipijnen? Wat was de motivatie achter het zoeken van een vrouw in een derdewereldland, of zoals hij het zelf later zou verwoorden zonder schroom in om het even welke woordenwisseling: van de vuilnisbelt plukken? Zou de drang naar het beleven van een parodie op het gezin van Paemel van Cyriel Buysse - wat niet meer mogelijk is met een moderne vrouw uit België zelf - de reden geweest zijn?

Helaas was tegen de tijd dat mijn moeder oprecht haar fouten probeerde recht te zetten rond mijn zestiende levensjaar, mijn vader al verslaafd aan de mishandeling.


Zilverpapierkes verzamelen


Hij zou haar nooit toelaten om haar verhaal te veranderen, fouten recht te zetten, het verleden te laten voor wat het is. Hij hield vast aan het verhaal dat ooit waar was waarin gerechtvaardigd was zijn Filipijnse vrouw te disciplineren die het toch niet kan laten om eindeloos van hem te profiteren. Niemand in het hardwerkende meetjesland zou dit verhaal ooit tegenspreken en dat gebeurde ook niet, zelfs al kwam mijn moeder in de eerste jaren nadat ze in België was toegekomen naar mijn onkels en tante met haar blauwe plekken aan het eind van de jaren ’80.


Het welvaart van het (meetjes)land leek gebouwd op niets anders dan het zweet van de mensen hier. Het kolonialisme van Leopold III dat heeft bijgedragen tot de welvaart van de natie is een gecensureerd hoofdstuk uit de geschiedenis voor deze generatie, die zich alleen met veel genegenheid de kolonies herinneren als de bestemming voor het zilverpapier dat ze opstuurden naar - een term waar bijvoorbeeld mijn vader op staat te blijven gebruiken want hij bedoelt het niet verkeerd - de “negerkes”.


“Waarom, tante?”


“Ik weet het niet, maar we deden het. We staken er veel werk in om het te verzamelen en op te sturen.”


Het voordeel van de ontvangers van dit zilverpapier (dat het land nooit heeft verlaten, ga het maar na) was dat zij daar waren en niet hier. Het probleem van mijn moeder was dat ze hier was. Zo gebeurde het ook het ook dat op een dag mijn tante nog eens op bezoek kwam, tevens mijn doopmeter, net nadat mijn vader en moeder een gewelddadige schermutseling achter de rug hadden. Mijn vader, die het uiteraard had laten escaleren tot een schreeuwwedstrijd met fysieke accenten, zat aan tafel alsof hij weer eens was uitgezogen door zijn parasiet die hij in zijn vrijgevigheid onderhield. Wij, als kinderen, zaten ook angstig en haast bibberend aan tafel. Op een gegeven moment weigerde mijn moeder alcohol te serveren aan mijn vader. Dit zinde mijn tante niet, die altijd heel alert is op de correcte minimumalcoholinname van haar broers.


“Allez, het is toch niet alsof hij een alcoholist is!” riep ze uit.


Niemand aan tafel antwoordde. Het werd muisstil. Er werd niet eens bewogen. Ogen teneergeslagen. Dezelfde reactie net als jaren later wanneer ik mijn broer en zus vertelde dat ik naar de psycholoog ging. Mijn moeder serveerde de alcohol uiteindelijk en toch is mijn tante is daarna niet veel meer op bezoek gekomen.


De vrijgeleide om in een dronken bui om alles uit te halen, strekte ook uit tot mij. Wanneer mijn vader in een dronken bui rond paradeerde in het huis nam mij als peuter en kleuter vaak te grazen en kietelde hij mij. Dit duurde niet enkele seconden maar minuten. Zij hand kietelde niet alleen bovenop, maar ook onder mijn kleertjes. Hij kietelde vooral op de plekken die het meest gevoelig zijn zowel in de fysieke als mentale zin. Dit ging soms zo lang door dat ik niet kon ademen van het lachen, wat na enkele minuten grensde aan schreeuwen. Ik herinner me het huilen door het lachen door, onzichtbaar, zelfs in het zicht van anderen. Hij bleef zo lang doorgaan met het kietelen omdat hij zelf niet aanwezig was, maar verbleef in de plek waar alcohol hem naartoe bracht. Het monster had zijn lichaam overgenomen. Dat verwrongen gezicht met de rood doorlopen ogen die ik zo goed kende sinds mijn drie jaar is de grijns dat spookt door mijn nachtmerries.


30 jaar later besef ik dat dit het punt was waarbij voor het eerste keer mijn eigen lichaam tegen mijzelf werd gebruikt en het gevoel dat schreeuwen, roepen, diep maar dan ook diep smeken aan een familielid waar je van houdt, niets uitmaakt. Zijn adem die mij altijd hoofdpijn gaf van de alcohol was steevast teken dat ik aan het lot was overgelaten was net zoals mijn moeder wiens smeekbedes werden onderbroken door een kneep van zijn hand.


“Papa, Papa, ik kan niet meer ademen.”


Eindeloze keren stop roepen haalde niets uit wanneer het klinkt als een grapje door de kietelende vingers over heel mijn lichaam aan de ene kant, en de hardhandige greep die mij niet los wou laten aan de andere kant. De functie van mijn lichaam werden tegen mij gebruikt en ontkrachtte elke smeekbede die ik had.


Adem


“Ik liet hem niet meer los”, zo vertelde hij vaak opnieuw en opnieuw het verhaal zelfs al zei ik dat ik het verhaal al tientallen keren had gehoord, “Omdat hij mij zou doodmaken wanneer ik hem losliet.”


Hij had als kind op de speelplaats een andere leerling bijna dood gewurgd. Dat was het verhaal.


“De nonnen en de leerkrachten moesten met drie of vier mijn arm van rond zijn keel halen”, zei hij met een enorme trots over hoe zijn minderjarig misdrijf bewijst hoe sterk hij wel was, al in de lagere school van de jaren ’50 in het meetjesland, “En ik liet nog niet los. Hij zag al paars en was bewusteloos toen ze mij eindelijk van hem af konden halen.”


Deze jongen had hem gepest en hij had de straf in eigen handen genomen: een terdoodveroordeling. Deze straf zou hij indien nodig nog eens herhalen, zo liet hij mij weten in de laatste jaren van mijn humaniora toen ik bij de gemeente emancipatie had aangevraagd:


“Als jij of jouw moeder proberen te vluchten van dit huis, dan schiet ik jullie neer en dan mezelf. Ik heb het geweer van mijn broer F. en ik weet hoe ik dat moet gebruiken. Geloof mij dat ik dat doe.”


Wat mij het meeste bang maakte, was de rustige toon waarmee hij sprak, niet de gewoonlijke kwade en woedende dronkenmanspraat. Hij zei dit heel rustig en zodra hij het had gezegd, zakte hij de trap terug af die naar mijn kamer leed, waar hij steeds zou sprak in het deurgat zodat ik de deur niet kon sluiten.

In de vele familiefeesten die volgden, bij de grootouders of na hun heengaan bij andere bijeenkomsten, zag ik al vanaf zeer jonge leeftijd tot mijn afgrijzen de nachtmerrie waar mijn moeder zich in bevond, waardoor ik me altijd misselijk en triestig voelde. Dit leidde zeker niet tot een diepere band met mijn familie, wat mijn vader goed uit kwam.


“Je weet wat ik heb moeten doorstaan”, zo zei mijn moeder in een van haar meest briljante momenten van emotionele chantage, wat ik haar vaak zag uithalen met mijn vader, maar wat ze nu ook op mij gebruikt, “Jij weet vooral wat ik heb moeten doorstaan. Dan kan je toch tenminste [voeg hier de opdracht in] doen voor mij.”


Hier is de clou van het verhaal: deze nachtmerrie werkte voor mijn moeder. Zij had het ervoor over om de mishandeling te doorstaan om achteraf te krijgen wat ze wou. Ze zou mijn vader systematisch uitlokken, zoals hij haar systematisch vernederde en fysiek mishandelde. Ik ben verantwoordelijk voor de miserie van mijn ouders, zo dacht ik daardoor tientallen jaren lang. Ik ben verantwoordelijk voor de nachtmerrie van hen allebei. Als ik er niet was, zou mijn moeder haar niet laten mishandelen om mij een toekomst te geven.


“Jij hebt het geleerd om jezelf de schuld te geven van alles”, had de psycholoog gezegd, “Dat is je aangeleerd geweest.”


De waarheid is dat ze haar niet moest laten mishandelen om me een toekomst te geven en om deze jarenlange mishandeling te gebruiken om mij alles te laten doen voor haar wat ze maar wilt tot voorbij mijn dertigste is evenzeer gebruik maken van het trauma, net zoals mijn vader rekent op mijn stilzwijgen. Een moeder die haar kinderen eerst plaatst, wilt haar kinderen verwijderen uit die situatie. Het feit dat de mishandeling een deel was van mijn dagelijkse realiteit als kind, was iets wat zij ervoor over had, niet ik.


Jarenlang bleef mijn moeder herhalen:


“Ik hou dit vol voor jou. Ik hou dit vol voor jouw diploma. Ik hou dit vol zodat jij een plek hebt in hier in België. Het was voor jou dat ik mijn familie en vrienden in mijn thuisland heb achtergelaten, om hier moederziel alleen terecht te komen. Het was voor jou dat ik mij heb laten in elkaar slaan, dat ik de longen uit mijn lijf heb geschreeuwd, dat ik blauwe plekken heb moeten verbergen, dat ik afgeschilderd word als een parasiet.”


De mishandeling was voor haar een verdienste naar mij toe. De mishandeling was een schuld die ik moest aflossen. Ik had nog werk te doen om het goed te maken, niet voor mezelf, maar voor hen. Dat ik slaag in het leven, is wat het misbruik goed zou maken. Het lot wat vele mixed-Filipino kinderen delen, niet in het minst mijn nicht K.C. die hetzelfde beschreef in haar testament vooraleer ze door haar blanke vriendje werd vermoord in het Citadelpark in Gent.


“Ik ga je er niet van af kunnen brengen, van dat idee”, zo had de psychologe gezegd, “Van het idee dat je het moet maken.”


“Als je hard werkt, dan heb je geen tijd om depressief te zijn”, de wijze woorden van de Pater Familias.


Nooit zou hij gedacht hebben dat het parasitair wezen dat zijn broer ruïneerde het meest toegewijd deze wijsheid ter harte nam van in de hele familie: het grote werk om systematisch te worden gekleineerd, beledigd, zwartgemaakt, geslagen zodat zij op haar beurt kon chanteren en dreigen. Het pijnlijke gewicht daarvan kon ze afschuiven op haar kinderen, voor wie ze dit harde werk had volgehouden en zonder wie ze het nooit had moeten doorstaan. Dit harde werk was een offer voor een klinkende diploma, voor een schitterende functie, voor een geweldige familiefoto.


Het verschil tussen een volwassene en een kind is dat beide mijn ouders een keuze hadden om te doen wat ze deden. Ik als kind niet.


“Papa, Papa, stop! Ik kan niet meer ademen”, zo klonk mijn sopranostem als peuter, kleuter, leerling.


Nu, ongeveer dertig jaar na het voorval in de slaapkamer, kan ik pas het vluchtende kind dat sindsdien niet heeft gestopt met rennen, opvangen en zeggen:


“Adem. Adem.”

 


 

 12-04-2021

 

Non-binair als kleuter in de 90s: de fee, de jager en de elfenpoort

 

De vaatwas van tante I./S. en de auto van onkel R


Mijn tante I./S. plette voorzichtig graten in de zalm samen tot een hoopje waar ik ze er nog uit zag steken op het bord tegenover mij. Ondertussen sprak ze in een geruststellende toon die de limieten van haar nasaliteit aftastte. Zelfs al was ik een peuter, ik wist met mijn hele lichaam dat dat hoopje moes met mes-achtige graten niet veel goeds beloofde.


Een andere keer had ze mijn arm gegrepen en zei ze: “Kom we gaan een spelletje spelen.”


Ze liet mij op de open vaatwas springen die de laatste tijd toch zo lekte in haar keuken. Ze lachte heel lief naar me en maakte er een spelletje van alsof het een trampoline was. Ze zou het mij meerdere keren vragen om te doen, telkens met een uitnodigende maar schelle stem, één uit de duizenden, een onvergetelijke stem voor iedereen die het hoort. Wanneer mijn moeder eindelijk de keuken binnenstapte, snokte tante I./S. ineens aan mijn arm, trok mij weg van de vaatwas waar ze mij op had uitgenodigd te springen en veranderde haar gezicht.


Mijn moeder en vader zouden mij zwaar straffen daarvoor. Wanneer ik hen probeerde te vertellen dat mijn tante mij had gevraagd dat te doen, sprak mijn tante mijn moeder aan met een gechoqueerd gezicht, zeggende: “Ik kan niet geloven dat hij zo jong is en al zo kan liegen.” Er werd een geldbedrag afgesproken om te betalen voor een nieuwe vaatwas en mijn straf was even zwaar als het geldbedrag doorwoog in de portemonne van mijn ouders.


Ik was bang voor tante I./S. als klein kind vooral wanneer we alleen waren, want dan neep ze mij in de nek, in de schouders, waarbij ze het vel vastpinde tussen duim en wijsvinger en daarna als een gans daar een draaiende snok aan gaf. Ik zou iedere keer onmiddellijk beginnen huilen en schreeuwen van de pijn, waarbij ze mij zou oppikken van de grond en terwijl ik probeerde te worstelen om uit haar armen te geraken, zou ze mij tot bij mijn moeder brengen en zeggen:


“Waarom huilt Clark toch altijd?”


Dit zou mijn moeder de indruk geven dat ik regelmatig zonder reden zou beginnen huilen. Zodra mijn moeder daarvan overtuigd was, lag de weg vrij voor allerlei poppenkasterij dat ze met mij kon uithalen. Toen wist ik het niet hoe boosaardigheid eruit zag, maar ik wist wel dat er twee tantes in haar lichaam huisden: de tante wanneer er iemand in de buurt was en de tante wanneer er niemand in de buurt was. De laatste van de twee had boosaardige ogen die ik nooit meer kan vergeten, omdat die ogen alleen naar buiten kwamen wanneer het stil was. Soms nam ze mijn hand vast en zou ze over mijn arm wrijven, in gedachten verzonken terwijl ze mijn huidskleur bestudeerde.


“Nu moet je dit opeten, hé!” zo had ze bevolen wanneer ze een moment had gevonden dat mijn moeder afgeleid was.


Ik zie de graten nog volledig uit het hoopje vis steken dat ze voor mij had geplet, zo duidelijk als de luchtbogen aan de buitenkant van de Notre-Dame-de-Paris. Een strategische kneep en een draai in de nek transformeerde mijn protest in de zoveelste “huilbui zonder reden” waardoor mijn moeder vanuit de andere kamer riep: “Eet wat je tante jou geeft.”


Huilend probeerde ik de vis met alle graten erin in te slikken. Het deed enorm pijn, maar mijn huilen en krijsen omwille van de pijn was al langer iets wat geen alarmsignaal meer bij mijn ouders deed afgaan – mijn vader uiteraard omdat hij nooit mentaal aanwezig was omwille van de drank. En ik herinner me dat terwijl mijn tante I./S. haar telkens opnieuw terug afleidde zodra ik mijn moeder om hulp vroeg.  


Die avond bleef ik maar huilen en huilen omwille van de graten die in mijn keel zaten. Toen ik voor de zoveelste keer aan de broek van mijn moeder trok terwijl de tranen over mijn wangen liepen van de pijn, keerde ze haar niet eens meer om naar mij. Tot op het moment dat ik mijn handen in mijn eigen keel begon te steken. Onvermijdelijk begon ik kokhalsgeluiden te maken.


Zo was het dat er een huilend kind van drie, vier jaar in de keuken naast twee volwassen vrouwen die niet wilden luisteren zijn vingers zo diep mogelijk in zijn keel stak om zelf de verschrikkelijke pijn in zijn keel te kunnen verlichten. Onvermijdelijk begon ik luid te kokhalzen. Dit was de eerste keer in mijn leven dat ik had geleerd mijn eigen pijn te verlichten omdat niemand wilt luisteren.


“Wat doe je? Stop daarmee! Haal je vingers uit je keel!”


Ik luisterde naar mijn moeder en haalde mijn vingers uit mijn keel: een prachtige grote dikke witte graat pronkte tussen mijn duim en wijsvinger. Dat was een explosief moment. Mijn moeder besefte in een klap dat ik huilde omwille van een echte reden en dat mijn tante mij vis had gegeven vol graten.


Wie ooit een aantal Filipijnse vrouwen samen in een paniek samen heeft gehoord, zal weten over welk decibelniveau ik spreek. Tegelijk hielp mijn moeder mij de graten uit de keel te pikken en was ze ruzie aan het maken met mijn tante. Gezien tante I./S. haar oudere zus was (in Filipijnse cultuur de ‘ate’ – voor oudere broers is dat ‘kuya’), mocht ze volgens de regels van ouderlijk familierespect niet lang kwaad blijven op haar en was het voorval snel vergeven en vergeten.


Deze verplichte vergevensgezindheid in de Filipijnse cultuur geeft ruimte aan misbruik om welig te tieren. In het geval van mijn tante I./S. was het een instrument om elke "cry-for-help" die ik had systematisch te ontkrachten. De grootste cry-for-help in onze familie zou echter komen van haar eigen dochter waar ik altijd enorm naar opkeek, die niet op tijd gehoord werd en eindigde in pijnlijk trauma voor de hele familie. Zij werd door haar vriend waar ze mee samenwoonde op kot als studenten in het Citadelpark te Gent vermoord, vooraleer iemand te hulp kon schieten. Omdat ze haar einde voelde aankomen, had ze zelfs op die jonge leeftijd een testament opgemaakt. Er is een diep probleem rond de vrouwen in mijn familie wat draait rond de pijn verbijten en glimlachen; maar ook vergeven, vergeten en er geen lessen uit trekken als een vorm van respect en vertrouwen... in de dader van het misbruik. Alles in de hoop dat de onvoorwaardelijke vergiffenis het medicijn is voor de bewezen donkerte in de tere mannenzielen die hen drijft tot die herhaaldelijk toegegeven verkeerde keuzes. Ook later zouden er namelijk in onze familie nog meer en andere gevallen zijn van geweld, misbruik, incest en pedofilie. Allemaal cry-for-help-signalen die geen gehoord kregen / krijgen.


“Kan jij al jouw naam schrijven?”


Mijn vader had gelijk, expert in het doorprikken van andermans hypocrisie: niet alleen mijn tante I./S. was, zo vertelde hij, een heks en een toneelspeelster met twee gezichten- zo waarschuwde hij mij alsof hij mij een sprookjesverhaal aan het voorlezen was regelmatig als kind én als volwassene- ook mijn onkel R. was een gevaarlijk monster waar ik zo ver mogelijk van weg moest blijven.


“Hij vergiftigt kinderen”, zo had mijn vader gezegd, wetende dat dit niet waar was. Maar een griezelverhaal was een doeltreffend middel voor zeer jonge kinderen en dit paste hij vaak toe (ook op kinderen die op bezoek kwamen, waardoor er weinig mensen in de verdere familie zoals mijn nichten en neven hun kinderen bij ons dropten om te babysitten, zodra ze merkten dat ze terug thuiskwamen met diepe angsten voor monsters die mijn vader had verzonnen). Ik probeerde zo ver mogelijk weg te blijven van Onkel R., de bewezen kindervergiftiger. Waarom ik van mijn vader zo ver weg moest blijven van hem, weet ik tot de dag van vandaag niet.


En toch zal mijn vader zijn reden gehad hebben, want er waren ook momenten waarbij Onkel R. het op mij gemunt had. Ondertussen was ik niet langer een peuter, maar een kleuter. Mijn diepe angst voor volwassen mannen was nochtans niet verminderd, dus wat hij deed zal niet zo makkelijk geweest zijn.


Hij lokte me buiten met uitnodigingen dat we zouden spelen.


Hij zei: “Kan je al jouw naam schrijven?” en raapte een stok op van de grond.


“Kom, we zullen oefenen.”


Hij duwde de stok in mijn handen en klemde de zijne over die van mij. Hij bracht de stok naar zijn auto.


“Nee, dat mag niet”, zei ik nog tegen hem, gezien mijn vader zeer streng was op alles in en rond de auto – wat hij altijd steevast ‘de Mercedes’ noemde om zichzelf constant te herinneren aan de waarde van het toestel. Ik was zeer jong, maar ik kon duidelijk zien dat de wagen van Onkel R. geen Mercedes was. Kon dit de reden geweest zijn voor deze impromptu schrijfoefening in de koude winterlicht buiten? Ik stribbelde tegen, maar helaas kon ik tegen de ijzeren grip van Onkel R. niets beginnen.


“Jawel, kom we gaan schrijven”, zei hij terwijl hij met zijn handen over die van mijn geklemd de stok door de lak van zijn carrosserie duwde, “C. L. A. R. en K.”


Zodra de laatste letter op de auto stond, trok hij net als zijn vrouw eerder had gedaan bij de vorige succesvolle operatie met de vaatwasser met een harde snok aan mijn arm en ging hij van de gladde verkoperstoon over in een kwade stem die ik nooit eerder van hem had gehoord. Hij sleurde me binnen en leverde mij over aan de niet-wetende autoriteiten – mijn ouders. De misdaad werd aangegeven, het bewijs werd geleverd in de onmiskenbare klinkende letters van mijn eigen naam die ik net zelf had leren schrijven. Opnieuw zou ik gestraft worden in evenredigheid met het geldbedrag dat mijn vader zou betalen voor de onkosten van mijn probleemgedrag.


Elke manier die ik kon verzinnen om de waarheid te spreken, dat mijn Onkel mijn hand had vastgehouden terwijl ik mijn naam op zijn auto kraste – iets wat ik zelf nooit zou doen want je hebt er zoveel kracht voor nodig en ik schreef alleen maar mijn naam bij het maken van een tekening op papier met voor iedere letter een andere kleur van stift, werd door mijn vader bulderend en handhandig de kop in gedrukt. Mijn tante keek afkeurend naar me en gaf mijn moeder vele tips uit bezorgdheid om mijn “piepjonge leugenachtigheid.”


De waarheid, zo zou ik zeer jong ondervinden – en jong geleerd is pas oud gedaan - had geen effect had op de straffen die ik kreeg. Vanaf dat moment sprak ik niet meer graag tegen volwassenen en deed ik mijn best om bij ze uit de buurt te blijven. Het dorp waar ik woonde in het Meetjesland is nog steeds gekend als het dorp der ezels en de ezel prijkt trots op de dorpsvlag. Op dat punt in mijn kindertijd was ik al twee keer tegen de pijnlijke steen gestoten, helaas zou deze ezel zich nog vaak moeten stoten aan diezelfde steen.


“Wil je geen jager zijn?”


Ik had geleerd om te kijken en te observeren. Om te letten op de graten die de grote griezelige volwassenen mij laten slikken, de letters die ze mij in de auto laten krassen, de verstikkende kietelpartijen wanneer mijn vader mij te grazen nam.


Ik sprak steeds minder en minder, tot groot ongenoegen van de familie. Ik ging steeds dieper in mezelf, speelde alleen met poppen en figuren in mijn eigen droomwereld, mijn eigen sprookjeswereld. Ik werd verslaafd aan Disneyfilms, sprookjesboeken, luistercassettes met dierenfabels. Ik werd gefascineerd door de verhalen van de gebroeders Grimm en van Hans Christian Andersen. Urenlang kon ik kijken naar de tekeningen van prinsen, boeren, dwazen, koninginnen, elfjes, toverheksen en alles wat tot mijn verbeelding sprak.


Dit was een plek waar ik niet bang moest zijn, waar ik rond kon kijken en mijn ogen de kost kon geven, niet omdat iemand mij zou gebruiken, maar omdat er zoveel schoonheid was waar ik van genoot, waar ik niet voorzichtig moest zijn, waar er niet naar mij geroepen en geschreeuwd zou worden omdat ik me laat meevoeren.


Wanneer de kleuterjuffrouw de klas eindelijk vroeg om te kiezen tussen jager of toverfee voor het schoolfeest, was ik in de wolken! Ik koos meteen voor toverfee. De juffrouw nam me apart:


“Maar wil je geen jager zijn?” vroeg ze mij.


“Nee”, zei ik zo blij als blij maar kon zijn bij het idee dat ik de sprookjeswereld in het echt zou mogen beleven, “Ik wil toverfee zijn!”

Zo aanstekelijk was mijn enthousiasme om toverfee te worden, dat ze juffrouw geen vragen meer had gesteld.


Ze maakte voor ieder van ons een roos feeënjurkje waarbij we een toverstok kregen als toemaatje, terwijl de jagers een – in mijn ogen – alleen saaie groene korte tuniek kregen met een bruine broek eronder. Of ze ook een pijl en boog kregen of een zwaard, daar lette ik al lang niet meer op zodra ik mijn toverstok had gekregen. Ik was simpelweg in de zevende hemel!


Toen ik over de speelplaats liep naar mijn moeder die op mij wachtte, merkte ik dat de moeders en vaders die er stonden mij vreemd aankeken – ik kende dit gevoel. Ik kende die blik! Ik had duidelijk iets verkeerd gedaan, maar opnieuw wist ik niet wat.


Ik begon er graten in te zien


De telefoon bij ons thuis hing aan de muur waardoor mijn moeder beperkt was in haar woedende bewegingen. Op gepaste momenten, wanneer ze te hard te keer ging en haar gesticulaties te ver van het toestel af dwaalden, gaf de spiraalkoord haar een zeer discrete trok terug.  Ikzelf had geen erg in het geroep en getier van mijn moeder - wat in feite bijna synoniem was met de stilte in ons huishouden, vaak aangespekt met een hele resem Filipijnse vloekwoorden. Ik sprong van zetel naar zetel in mijn schitterend roze elfenpakje. Het gevoel van het dragen van een jurkje gaf me zoveel plezier, ik ken het gevoel tot de dag van vandaag als een van de meest zalige momenten van mijn leven.


Dit duurde zo lang tot mijn moeder de telefoon inhaakte.


Met kwade woorden trok ze het jurkje van mij af en begon ze mij uit te leggen dat ik een jongen was en dat jongens geen toverfeeën zijn.

Vijftien jaar later na de film “Brokeback Mountain” te gaan bekijken in de cinemazaal omdat ik daar zo enthousiast over was, begon ze mij uit te leggen dat het probleem van de twee tragische cowboys was dat ze hadden toegegeven aan de homoseksualiteit. Als ze geen affaire met elkaar waren begonnen, dan was er geen probleem.


Vijfentwintig jaar later zou ik aan mijn moeder vertellen dat ik non-binair was en dat ik me niet voel als een man, noch volledig als vrouw. Ik voel me niet alsof uitsluitend één van de twee genders kan beschrijven hoe ik mezelf en de wereld beleef. De blik in haar ogen ging meteen over in de angst en in een reflex zei ze:


“Je gaat jezelf toch niet laten ombouwen naar een vrouw?”


Dat was ik niet van plan. Ik ben niet transgender, ik ben gender-fluïde, maar dat zou geen verschil mogen maken. Ik gaf haar het weinig geruststellende antwoord:


“Zou het zo erg zijn als ik dat zou doen, misschien?”


Als kleuter begon ik er al graten in te zien, terwijl mijn moeder de kleren waar ik mij voor het eerst in mij leven zo fantastisch in voelde in letterlijke zin, van mij af scheurde. Ik deed niets verkeerd door mij te laten meevoeren naar sprookjesland, naar dromenland, naar de Disney-wereld, naar de Beestenbos-is-boos-wereld, naar de avonturen die ik beleefde wanneer ik alleen buiten ging spelen met een toverstok in de hand. Ik deed daar niemand kwaad mee. Ik had er niemand voor nodig. De lokroep van het wonderlijke riep in elk hoekje en kantje, in elk moment dat ik me verveelde, zelfs in het pakje van de jager die ik toch zou moeten aantrekken.


Ik geloofde in sprookjes, maar dat gebeurde niet ongestraft – zo had ik aan den lijve ondervonden. Het enige gevaar was, zo dacht ik als kleuter, dat iemand te weten zou komen dat ik als fee leef in mijn wonderwereld binnenin.


Ik moest dit af-schermen om het te be-schermen, mijn heiligdom, mijn paradijs, mijn zielewereld, mijn eigen plek van veilige en ongebreidelde vreugde die ik niet zoals de meeste andere jongens in de buitenwereld kon beleven.


Of waren er nog jongens zoals mij? Ik zou snel ontdekken van wel.


Het moment dat ik het wonderlijke Magische Hert zag in het wild.



20-04-2021



“Schrap zanger en schrijf dokter!”– bard van het meetjesland / Voice of Europe

 

Koekenbak


Twee plekken waarop mijn vader zonder fout wakker werd uit zijn miserie. In Lembeke bij het passeren van de speculoosfabriek van Lotus. “Draai uw raam open! Ruik! Ruik!” zei hij iedere keer dat we met hem in de auto zaten, “Ruik je dat? Je kan de speculoos gewoon in de lucht ruiken hier – als kind passeerde ik hier graag met de fiets.”


Dit zou niet veranderen wanneer hij niet langer een kind was. Vaak zou mijn vader een ommetour maken speciaal om langs die fabriek te passeren.

Een ander gegarandeerd moment dat mijn vader ineens begint te stralen van blijdschap, is in Ertvelde, bij het passeren van het ouderlijk huis, de voormalige dancing of het standbeeld van de grote held van het Meetjesland, Eddy Wally. Voor hem was het alsof de geest van Eddy Wally daar rondhangt zoals de geur van speculoos rond de speculoosfabriek hangt.


“Kijk, dat is waar Eddy Wally heeft gewoond.”, “Dat is waar ik nog heb gedanst.”,  “Dat is waar hij nog op de markt stond met zijn chacochen. Je weet toch dat hij zo is begonnen, als marktkramer? Net als in zijn nummer. Ik heb nog een chacoche van hem!”


“Die zal veel waard zijn, nu, papa.”


“Die was al niets waard toen ik het van hem kocht. Binnen de maand kwamen de naden al volledig los.”


In zijn garage had mijn vader een muziekinstallatie geïnstalleerd met een grote platencollectie. De platenspeler had hij ook gekocht bij Eddy Wally zelf. Hij zou nooit toegeven dat hij fan was van Eddy Wally, maar toonde altijd met trots een originele plaat van het nummer Chérie, opnieuw gekocht van de artiest zelf.


“De tekst slaat toch nergens op?” lachte hij steeds, “Maar hij gelooft er zodanig hard in, dat het weer werkt!”


De meest gelukkige momenten van mijn jeugd beleefde ik natuurlijk niet allemaal uitsluitend alleen. Zelfs met mijn vader samen kende ik gelukzalige simpele momenten. Iedere zondag maakte hij mij als enigste in het huis wakker – in de winter nog voor de zon was opgekomen - om mij mee te nemen naar de goeie bakker in het dorp. Mijn vader, die boven me uit torende met zijn gespierd figuur en zijn vurig rood haar dat glinsterde in het licht van de bakkerij - bestelde steeds het brood, de pistolets, de sandwiches, maar de selectie van koffiekoeken liet hij steeds over aan mij: de kleine, doodverlegen, magere kleine jongen met het 'jommekeskopje.' Dit was zijn poging om mij te leren spreken met volwassenen, gezien ik als peuter zodanig angstig was.


En zijn plan werkte op een bepaalde manier: tot op de dag van vandaag heb ik een passie voor koffiekoeken, een traditie die ik verder zal zetten zo lang ik leef. Op het lijstje dat ik overliep terwijl we in de rij aanschoven op de kasseistenen van de dorpsstraat - dit lijstje is sindsdien intact is gebleven - stonden steeds enkele stuks van:


  • Chocoladekoek / pain au chocolat
  • Boterkoek zonder rozijnen
  • Een ‘achtkoek’ – ik weet niet of dat de officiële naam is, maar de bakkersvrouw wist exact wat ik ermee wou zeggen: de koek in de vorm van het oneindigheidssymbool met ingebakken crème
  • Kriekenkoek
  • Berlijnse bol


Voor de rest liet ik me inspireren in het moment met wat er (nog) in de schappen lag. Als ik het vergeten bestellen was, vroeg mijn vader er ook altijd appelflappen bij – een favoriet die hij met mijn moeder deelde. Het was niet altijd “koekenbak” tussen die twee, over sommige dingen kwamen ze overeen. Is het moeilijkste misbruik om te aanvaarden en te verwerken, niet het misbruik van de mensen die je graag ziet? Daarom heeft het mij ook dertig jaar gekost om ermee in het reine te komen.


Uiteraard probeerde mijn vader een goede vader te zijn onafgezien van de vraag als hij daartoe in staat was of niet. Maar is dat niet de schoonheid van elke vader? Is dat niet de hele reden waarom we van onze vaders houden? Ondanks de ondanks? De grote zwakte die hij deelde met mijn moeder, is dat ze beiden onder de indruk waren dat de slaande ruzie, misbruik en geweld tussen hen om een of andere reden automatisch afgeschermd was van hun drie kinderen in hetzelfde huis omdat ze het alleen naar elkaar richtten (dit is buiten elke keer gerekend dat ze ons actief betrokken in hun ruzies). Dat afschermen moesten we als kinderen voor onszelf regelen: voor mezelf was dat mijn sprookjeswereld achter slot en grendel steken van de elfenpoort, voor mijn broer zijn studies en de belofte van gecertificeerd succes, voor mijn zus het vinden van externe liefde – ook een geërfde passie.


Jezelf ruïneren uit plichtsgevoel


Zo bevond mijn vader zich bijvoorbeeld in een onmogelijke situatie. Hij was net mijn broer gaan afzetten om bij zijn vrienden te gaan spelen voor zijn veertiende verjaardag, ikzelf was al achttien geworden enkele dagen voorheen.


Dit had mijn moeder uitgekozen als het moment dat ze had beslist om haar lichaam tegen hem te gebruiken, namelijk het dreigement haarzelf te fysiek te pijnigen om te krijgen wat zij wilt van hem, in de plaats van dat hij haar lichaam ge-/misbruikte om te krijgen wat hij wilde van haar.

Er hing al van ver voor mijn verjaardag een verschrikkelijke sfeer in het huis. Mijn moeder stond erg onder druk wegens de hartoperatie die mijn vader net was ondergaan en de komst van mijn nicht A. die mijn tante G. uit Dubai opstuurde naar het Meetjesland om “op vakantie te gaan”, uitgerekend op dit kwetsbaar moment in de familie. Uiteraard wist mijn moeder dat dit evenzeer als een vakantie, een inspectie was van de staat van mijn moeders leven, hebben en houden met een uitgebreid rapport.


Met andere woorden: een zaak op leven en dood, gezien ze iedere dag eindeloos veel moeite stak met het afschilderen van haar miserabele leven als een wonderlijk paradijs waarin zij de gekroonde en vrijgevige koningin was – terwijl mijn vader haar vaak onze gezinssituatie kwalijk nam met de woorden:


“Waarom moeten wij in armoede leven enkele en alleen omdat jij constant op jezelf moet reizen naar Californië, de Filipijnen, Dubai, Engeland, Spanje, Hong Kong en het geld daar aan iedereen uitdeelt, terwijl wij de schoolrekeningen niet kunnen betalen?”


Het probleem met dezelfde klacht opnieuw en opnieuw herhalen zonder er zelf gevolg aan te geven, is dat het achtergrondgeruis wordt. Het benadrukt alleen de realiteit dat het kan en het gebeurt. Herhaal hetzelfde vaak genoeg en het wordt haast een uitnodiging om het opnieuw te laten gebeuren.


De erfenis van mijn grootouders was inderdaad volledig opgesoupeerd door de reizen van mijn moeder en het geld die ze ter plekke in projecten, feesten en cadeaus voor de familie daar stak. Hij tekende grafieken en schema’s om dat aan te tonen en zette mij tot een stuk in de nacht op een stoel toen iedereen al was gaan slapen om mij uit te leggen hoe erg mijn moeder ons had geruïneerd. De volgende ochtend zou ik naar school gaan met dichtvallende ogen en een gebroken gevoel in mijn hart. Wanneer mijn moeder sprak van familie, dan bedoelde ze er iets anders mee dan mijn vader. Namelijk dat ze verplicht was aan haar kant van de familie toe haarzelf zo af te schilderen en tevens al het geld van mijn vader te spenderen zonder enige schuldgevoel.


Het kwam uit plichtsgevoel – en dat was iets waar mijn vader niets tegen kon beginnen. De logica van mijn moeder hierachter is dat het échte schuldgevoel zou liggen in het niet verwennen van mijn onkels, tantes en mijn grootmoeder in het buitenland en bijvoorbeeld niet te investeren in allerhanden projecten die vals bleken te zijn, zelfs al ging het ten koste van de welvaart van ons eigen gezin.


Het was daarom dat de komst van mijn nicht A. een zaak van leven op dood was voor mijn moeder. Zodra ze een stap door de deur zou zetten in een ons huis zou meteen blijken dat we daadwerkelijk in de armoede leefden waar mijn vader constant en onafgebroken over klaagde, het leven dat mijn moeder wilde verbergen achter de stapels van cadeau’s. Carl Jung sprak over de theorie van hoezeer je een bepaald beeld wilt opdringen van jezelf aan de wereld, in dezelfde mate is er een schaduwkant. Iedereen die ooit mijn moeder heeft ontmoet, weet dat zij zeer hard wilt duidelijk maken dat alles goed gaat met haar, perfect, een droom, een blessing, zodanig perfect, zo zou je bijna denken, dat ze dit op haast wanhopige wijze duidelijk wilt maken op elk moment.


Met alle gevolgen voor Jung’s schaduwkant vandien.


“Renoveer de badkamer of ik snijd mezelf de keel over.”


Ik zat nog op de wc toen ik iets heel vreemd hoorde. Sleutels in het slot van deuren die nooit op slot gingen. Onze keuken is L-vormig, met een deur die leidt naar de inkomhal / toiletruimte; die stak ze eerst op slot; de andere deur leidde naar de living, die stak ze vervolgens op slot; de laatste deur was de achterdeur die leidde naar de tuin. Die deed ze pas op slot wanneer mijn vader terugkwam van het afzetten van mijn broer.


Mijn vader legde zijn sleutels altijd op dezelfde plek bij het thuiskomen. Ik hoorde mijn moeder die sleutels nemen, de achterdeur op slot doen en rommelen in de besteklade.


“Waarom doe je de deur op slot? Geef mijn sleutels terug.”


“You need to renovate the bathroom. I can’t have A. coming here and seeing that mess. You promised me you would have it ready months ago. It looks like a dump!”


Natuurlijk was het waar dat onze badkamer er triestig bij lag, maar dit stoorde mijn moeder nooit eerder omdat dit een plek was die niemand zag. De komst van A. uit het rijke Dubai opende pas haar ogen.


“Wat ben jij aan het doen? Geef mij mijn sleutels terug! Je weet dat ik mijzelf niet mag opjagen van de dokter.”


Mijn vader had net een hartoperatie achter de rug wegens een uitgezette hartader wat op barsten stond. Sinds enkele dagen mocht hij thuis recupereren van de operatie. Dit was het jaar dat ik en mijn broer ook ontdekten dat we dezelfde genetische hartaandoening hebben geërfd die tot die specifieke kwaal neigt. Het was ook het jaar dat mijn vader had uitgedokterd dat hartaderbreuk de waarschijnlijke reden was waarom zijn broer F. rond diezelfde leeftijd was gestorven enkele jaren terug.


Daarom was hij niet van plan zichzelf op te jagen en ruzie te maken met mijn moeder – een sisyfusarbeid voor hem.


Het gerommel in de besteklade veranderde in een scherp geklingel. Ze had een groot mes getrokken.


“Leg dat mes nu terug!”


“You are going to renovate the bathroom!” begon mijn moeder te krijsen.


Mijn vader liep naar de deur van die naar de inkomhal leidde. Op slot. Hij negeerde het gekrijs van mijn moeder en ging naar de deur die naar de living leidde. Ook op slot.


“I am not going to let A. come here and see how you let me live in this condition!”


“Waarom laat jij haar komen dan komen? Dit is niet het moment!”


“Why not? Why do you hate my family? Why can’t she come?”


“Het is niet dat ik uw familie haat! Ze mag komen! Maar de badkamer is zoals het is. We hebben het geld niet! Ik kan het niet renoveren! Ik heb net een hartoperatie achter de rug, ik kan dat niet eens doen, ik heb platte rust nodig!”


Dit was het moment dat mijn moeder, die het mes had gericht op mijn vader iets krijste wat ik nooit meer zou vergeten:


“I am going to kill myself! I am going to kill myself! If you don’t renovate the bathroom! I am going to kill myself! I am going to cut myself.”


“Stop nu! Leg dat mes neer!”


Mijn vader probeerde het mes uit haar handen te grijpen, maar ze had het mes al op haarzelf gericht.


“Stay there or I am going to do it!”


Op dat moment had ik de politie gebeld.


Hier is de plot-twist. Tot op de dag van vandaag neemt mijn vader kwalijk dat ik de politie had gebeld om erin tussen te komen en heeft mij daar streng voor gestraft en op regelmatige basis. De reden?


“De politie kiest altijd de kant van de vrouw.”


Haal uw broer


Enkele maanden later zou mijn vader, hersteld en terug op kracht na zijn operatie, mijn moeder tegen de muur duwen en botsen terwijl hij onophoudelijk in haar gezicht schreeuwde – een geluid dat ik in mijn dromen nog een tiental jaar heb gehoord daarna en in mijn boek van het Magische Hert beschreef als de ‘krakende moestuin’.


Alleen was mijn straf nog niet compleet. Dat hij zonder de politie de zaken in eigen handen kon nemen, moest nog extra in de verf gezet worden. Hij stuurde mijn broer naar mijn kamer.


“Papa zegt dat je moet komen kijken”, zei mijn broer.


“Waarom?” zei ik trillend en bevend, evenzeer als hem.


“Ik weet het niet, hij zegt dat jij moet komen, nu.”


“Ik ga niet gaan!”


“Doe het, please”, zei mijn broer met een blik in zijn ogen die mij smeekte om te gaan omdat hij niet durfde zeggen tegen mijn vader dat hij er niet in geslaagd zou zijn mij te halen.


Ik ging mee met mijn broer naar de gang van ons bovenverdiep. Hij vluchtte meteen in zijn kamer en smeet de deur dicht. Ik heb hem sindsdien tot de dag van vandaag niet meer buiten zien komen. En daar stond dan ik oog in oog met mijn vader, die met één hand en één arm mijn moeder perfect tegen de muur gepind hield aan haar keel, speciaal om mij te tonen dat hij mijn moeder zelf onder controle kon houden door middel van geweld. Deze keer had ik speciaal de ommetour moeten maken om dat te ervaren.

Zijn ogen hield hij recht op de mijne gericht. De boodschap was duidelijk. Het ergste geweld om te verwerken, is het geweld van de mensen die je graag ziet. En mijn vader had nood om mij te straffen met het ergste geweld.


De politie bellen was een aanval op het laatste greintje mannelijkheid die hij nog had, een mannelijkheid die hij terug moest winnen door middel van angst, zijn grootste specialiteit.


De Magiër / The Voice of Europe


Wanneer ik eerder schreef dat mijn moeder het misbruik gebruikte als groot werk om van alles gedaan te krijgen, was geen overdrijving. Wanneer mijn vader omwille van zijn hartoperatie niet in staat was zich gewoonlijk op haar af te reageren in de vorm van fysiek en verbaal geweld, creëerde ze zelf die situatie. Ze zou ver gaan om alles te controleren in haar leven om de indruk te geven dat alles perfect was door haar schaduwkant in te schakelen.


Als 5/6-jarig kind, geïnspireerd door die grote Bard van het Meetjesland die als enigste een lach op het gezicht kon toveren van mijn vader – wat simpelweg een mirakel was! –  schreef ik in het poëzieboekje dat rondging van mijn nicht K.C. dat ik ook zanger wou worden.


Eddy Wally was een icoon, een brenger van blijdschap en geluk, een flamboyante man, een kleurrijke man, een man die vreugde kon brengen met zijn stem, met zijn muziek, met zijn kunst. Een artiest van vreugde en positiviteit die tegelijk bewonderd werd als uitgelachen en voor velen nog steeds een enigma is:


“Is hij echt zo dom of doet hij erom om zijn platen te verkopen? Is hij echt zo erover of doet hij het alleen om in de belangstelling te staan? Is hij echt altijd zo blij of doet hij dat enkel wanneer mensen naar hem kijken?”


Dit is voor mij het grote mysterie en de magie van de Bard, meester van het leven dat hij tot leven heeft gekozen. Ik zag in hem dat hij leefde in een sprookjeswereld, dat hij het Magische Hert in hem al had gezien, maar dat zijn elfenparadijs niet afgesloten was, maar gedeeld met iedereen.


Was er een groter wonder in de wereld? Deze man uit Ertvelde verklaarde zichzelf de Voice of Europe en dat werd ook zo. Waarom? Omdat hij het zelf had verklaard en in de blijdschap van die realiteit leefde. En zodoende bracht hij geluk en plezier naar de mensen die hun hele leven bij zou blijven. Is er tot op de dag vandaag een grotere held uit het Meetjesland? Ik geloof van niet. De “wondere wereld van Wally” zullen we niet snel meer terugzien en het is daarom zo belangrijk dat we zijn gedachtenis in ere houden, zoveel als we ongeremde vreugde en levenslust waarderen.


Toen het poëzieboekje van mijn nicht K.C. eindelijk in de handen van mijn moeder terecht kwam en zij onder mijn naam - die mijn zus en mijn nicht mij samen hadden leren schrijven en elke daarop volgende vraag hielpen invullen - zag staan dat ik “zanger” had ingevuld, iets waar mijn tante met een groot schaterlach op wees, nam ze mij opzij, duwde een pen in mijn hand en zei:


“Doorstreep dit. Schrijf dokter.”


“Ik kan dat niet schrijven, mama."


Ze nam mijn hand vast.


“ D. O. K. T. E. R.”


24-04-2021



De heks is kwaad / toevluchtsoord


Ladyboy


“Sorry dat ik het moet vragen, maar ben je een jongen of een meisje”, vroeg mijn grootmoeder in zo goed als onze laatste conversatie. Het lange, slopende proces van dementie had - zo besefte ik toen met een pijnscheut die meteen werd verzacht door haar lieve ogen en haar warme stem - ook de herinnering van onze relatie voorgoed uit haar geheugen gewist. Zelfs al ‘wist’ ze niet meer wie ik was, nog steeds keek ze me met dezelfde genegenheid aan. Nu ik eraan terug denk, gun ik het mezelf de overtuiging dat ze nog voelde dat ik familie was. Het enige wat mij pijn deed, was dat ze was vergeten wie ik was, niet dat ze niet kon zien of ik een jongen of een meisje was - toendertijd was ik om en bij de 18 jaar oud.Terwijl ik haar beleefd uitlegde dat ik een jongen was, besefte ik dat we in feite de laatste bewuste conversatie die we ooit nog met elkaar zouden voeren, al hadden gehad.


Geboren op het einde van de 80s, spendeerde ik de jaren 90 en de jaren 2000 in een plek tussen “jongen en meisje”. Pas toen ik voorbij de twintig was kon men beginnen met op het zicht een onderscheid te zien, maar tot dat punt in mijn leven moest je mij persoonlijk kennen, of moet er iemand die mij kende actief informerendat ik het mannelijke geslacht heb. Maar wat weet je meer over mij zodra je weet wat er in mijn onderbroek zit? Waarom is dat cruciaal om te weten? Ik merkte dat mensen vaak hun gedrag aanpassen zodra ze merkten dat ik geen juffrouw was, maar een jongeman. Dit gebeurde vaak op een terrasje op café, in de rij aan de kassa, of in de middelbare school wanneer ik de jongenstoiletten binnen ging en de jongens die in de gangen stonden zich luidop af vroegen:


“Gaat zij niet naar de verkeerde wc?”


In alle rust en stilte urineren zat er voor mij vaak niet in. Ik werd nagekeken als een circusattractie en zodra ze mij rechtstaand zagen aan de urinoirs, iets wat met hun eigen ogen moest gezien zijn, hoorde ik vaak hun ongeloof. Soms was dat voor zodanig schokkend dat sommige jongens de moeite namen om mij tijdens het urineren een duw te geven. Dit was om henzelf gerust te stellen dat zij niets gemeen hadden met wat ze de ladyboy noemden - een heel catchy bijnaam. Maar ik stoorde mij niet aan die term, vreemd genoeg. Ik had er nooit problemen mee in de zone te leven tussen jongen en meisje. Mijn geslacht was zo’n bijzaak voor mij. Vooral toen ik zag hoe mensen terwijl ik opgroeide niet goed wisten hoe ze mij als kind, als tiener, als volwassene met zichzelf geen raad weten tot ze zeker zijn “wat” ik ben.


Dit ondanks mijn moeder die zoveel moeite stak in het kopen van kleren en het laten knippen van mijn haar op een uitsluitend mannelijke manier (zelfs volledig bros hielp niet, dankzij de trend gezet door de fabuleuze Sinead O’Connor), zodat de vraag van "wat" ik ben zonder verbale signalen duidelijk zou worden. De vorm van mijn gezicht bleef zeer vrouwelijk en dat is zo tot op de dag van vandaag. It’s bone structure darling. Maar meer nog dan dat: de zachtheid van mijn stem, mijn bewegingen, mijn uitdrukkingen, mijn humor, de manier waarop ik stapte, al deze spontane dingen aan mezelf waren symptomen van mijn gender en niet mijn geslacht: nooit uitgesproken het ene of het ander. Ik zou het pas na mijn dertigste te weten komen dat er een term en een heel discours voor bestaat: non-binair.


De heks is kwaad


Op vakantie met het gezin waren we in de prille jaren van mijn puberteit op een mini-golfparcours. Deze biologische fase in mijn leven had nefaste gevolgen voor mijn stemontwikkeling. Ik herinner me heel goed die dag in de ardennen, want dat was de eerste keer dat mijn moeder mijn - wat ik zelf noem kakelstem - zou omschrijven als 'hoerig'. Tijdens het golfparcours was ik helaas te enthousiast om mijn stem te onderdrukken, zodanig dat mijn moeder kwaad riep:


"Stop laughing like that, you sound like a whore! People can hear you!"


Het probleem - zoals steeds - was dat ik de verkeerde indruk zou maken. Dat het kakelend lachen en mijn enthousiaste hoerenstem spontaan uit mezelf kwam in deze fase van mijn leven, was bijzaak. Er groeide blijkbaar een innerlijke heks in mij, zo leek het wel voor mijn familie. Nu weet ik dat er geen heks in mij zat. Het enige wat het een heks maakte, is dat alle vrouwelijke kanten aan mij direct als slecht en walgelijk werden bestempeld. Hoe stiller ik thuis werd; hoe ingetogener ik bleef op school; hoe minder luid ik mijn stem liet horen en zo het risico vermeed om kakelend over te komen; hoe méér mensen mij als mannelijk zagen. Nu ik me heb ingelezen weet ik dat ik niet de enige was met de reactie om alle vrouwelijkheden te verstoppen onder een lamme krampachtigheid. Vaak word zelfs een kwade krampachtigheid gezien als erg mannelijk. Uit mijn ervaring weet ik in ieder geval dat het werkt... maar alleen ten koste van jezelf. Mijn moeder, diep beschaamd voor mijn vrouwelijke kant, was daar instrumentaal in, zelfs al kwam het uit een gevoel van bezorgdheid. Na het zien van de film "Boys don't cry" vertelde ze mij dat het moraal van het verhaal was om nooit uit te komen als homoseksueel om jezelf fysiek geweld van de gemeenschap te besparen. Ik kwam er helaas voor haar wél voor uit zodra ik mijn eerste vriendje had. Helaas voor mij had zij ook gelijk dat het mij fysiek geweld zou opleveren.


Kies zelf maar


Niet ver van café de Muze in Antwerpen aan frituur 't Stad bestelde mijn hartsvriend vorig jaar binnen in de zaak een hamburger in de vroege uurtjes vooraleer hij terug naar Gent zou vertrekken. Op dat moment hadden ineens een groep beschonken Nederlanders mij in het vizier. Waarom precies, daar zou ik snel achter komen, maar ik deed in ieder geval niets actief om hun aandacht te trekken, tenzij daar simpelweg... zijn. Een fout die mij steeds achtervolgt. Mijn haar is misschien aan de lange kant en ik draag misschien meer kleur dan de gemiddelde man, maar vrouwenkleren draag ik niet. Als ik opval, dan is het puur door mijn tussen-in-heid, zonder erom te doen.


Nooit in mijn leven had ik de neiging of de nood om de misconceptie over mezelf te verhelpen door de perceptie van mij te veranderen: angstvallig spieren kweken, trendy mannenkapsels laten knippen, overdreven macho gaan gedragen, ... dit voelt voor mij evenzeer travestie (wat leuk kan zijn om mee te spelen) als wanneer ik rond zou lopen in een jurk en make-up. Mijn tussenin-heid is werkelijk wie ik ben. Ik voel me goed in het vage en het ongedefinieerde, daar is een gevoel van vrijheid wat ik niet kan omschrijven maar wel sterk voel: dat ben ik.


Neem nu mijn vader. Ondanks dat mijn vader reden had om hulp te zoeken met het relationeel geweld waar zowel hij en mijn moeder schuldig aan waren, deed hij dat nooit omdat “de politie altijd de kant kiest van de vrouw” – dat vertelde hij me regelmatig nadat hij het heft in eigen handen had genomen. De waarheid kan met andere woorden nog waar zijn, perceptie kan jouw leven vernietigen. Ik heb nooit met die angst geleefd omdat misconcepties over mezelf meestal het startpunt zijn. Het idee van een kant te kiezen is tergend voor mij. Zelfs in het relationeel geweld en misbruik tussen mijn ouders heb ik nooit een kant gekozen – ondanks hun vele pogingen me daartoe te forceren. Omdat ik in de twijfelzone tussen jongen en meisje ben opgegroeid, ben ik er gewoon aan. Ik voel geen nood om een performance te geven van een van de twee uitersten om mee te tellen. Daarom wanneer de bende dronkelui naar mij toe stommelden en schaterlachend riepen:


“Nou, ben jij een man of een vrouw?”


Ik antwoordde: “Kies jij zelf maar. Wat je het makkelijkste vindt.”


Mijn beste vriend kwam de frituur buiten en zag dat ik belaagd was door deze groep luide mannen. Hij kwam in dat moment spontaan sterk voor me op, zo stoer en mannelijk op het zicht was hij wél - hetgeen wat ik ontbreek. Hij ging met de hamburgers stevig in de hand geklampt dicht tegen de Nederlanders aan te leunen en begon het Nederlandse bier meteen te vergelijken met urine waarop de Nederlanders met gekrenkte nationale trots noodzakelijk moesten afdruipen. De de ene kant in me vond het leuk om verdedigd te worden. Hij slaagde er uiteindelijk in om een vijftal struise Nederlanders te doen afdruipen met een korte, simpele belediging recht waar het pijn deed. Maar er was helemaal geen nood om ruzie te maken, want ik was niet eens beledigd. Het bracht me net plezier om de verwarde blikken op hun gezicht te zien wanneer ze echt probeerden een geslacht op mij te plakken terwijl ik hen in de ogen aankeek met de uitnodiging mij als zodanig te labelen. Het idee dat zij een geslacht konden kiezen voor mij, was te bizar voor hen om de conversatie verder te kunnen zetten.


Sommige handjes zijn nu eenmaal slapper dan de andere


Ondertussen is het al meer dan een jaar geleden dat de gay en gay-friendly bars gesloten zijn. Dit is een van de enige plekken waar ik mij kan begeven zonder dat ik mezelf moet gaan uitleggen en zomaar kan zijn wie ik al ben, zelfs al is dat ongedefinieerd. Ik weet uit persoonlijke ervaring wat dit betekent voor vele jongeren, die in hun thuissituatie te maken hebben met relationeel geweld, een epidemie die gepaard gaat met deze pandemie. Meer dan ooit is er psychologische en mentale schade als gevolg van de lockdown, en ondanks de motiverende filmpjes die verschijnen op televisie, moet je maar geluk hebben om in een gezin te zitten die je aan aanvaardt zoals je al bent. Veel van ons in de LGBTQ+ wereld weten dat dit niet het geval is. Veel van ons weten hoe het voelt om opgelucht te zijn de regenboog te zien vlaggen boven een bar - een opluchting die je pas kent nadat jouw gevoel van veiligheid ooit is weggenomen - een plek waar je pas kan beginnen voelen hoe het is om je verdediging neer te leggen en te beleven wie je al bent, of je dit nu op je 15e of 25e voor het eerst doet.


Het idee dat na de pandemie deze bars en clubs, die veel meer dan alleen een horecazaak zijn, zouden verdwijnen, is een nachtmerrie voor mij. Ze zijn een refuge voor wie met hun seksualiteit en genderidentiteit niet zomaar en zonder meer kunnen beleven in de plek waar ze moeten verblijven. Een toevluchtsoord weten zijn waar dit wel op een veilige manier kan, voor of na een coming out - iets waar eerst een proces van coming to terms aan vast hangt wat vele mensen vergeten - is van onschatbare waarde.


Voor jullie die vastzitten zonder toevluchtsoord schreef ik mijn verhaal neer. Leef in (jouw) waarheid, dit is wat vreugde brengt: een staat van zijn - in plaats van kortstondige pleziertjes die komen en gaan. Voor ons in de lgbtq+ community is die staat van zijn vaak niet zo simpel als het assimileren naar de norm van dertien-in-een-dozijn-heid, want bij het assimileringsproces ga je dingen wegsteken die je niet hoeft weg te steken. Dit heet ook in queer studies het internaliseren van heteronormativiteit: jezelf voordoen als een mannelijke man of een vrouwelijke vrouw simpelweg om je leven makkelijker te maken en hoe langer hoe meer anderen die dat niet doen opmerken/veroordelen.


Niet iedereen heeft echter de privilege en de ruimte om zich zo voor te doen, sommige handjes zijn nu eenmaal slapper dan andere. Laat in dit geval jouw persoonlijk geluk niet meer een kwestie zijn van... geluk geboren te worden in de juiste omgeving. Mijn omgeving was er ook niet ideaal voor - dit heb ik beschreven in mijn boek als het meetjesland. Leef niet voor de kortstondige pleziertjes die het assimileren met de norm jou kunnen brengen door een deel van jouw authentieke zelf op te offeren. Leef voor de vreugde van jouw volledige zelf, of althans zo zou een boeddhistische bhikshu jou dat vertellen, die misschien ook queer zou blijken te zijn. Mijn tip: zoek zodra je kan je community waar je anders-zijn niet zo anders is. Want ik kan je verzekeren: je bent niet de enige!


Nog een tip: Leg jezelf 1 keer uit, twee keer, maar laat je niet verplichten om jezelf te verdedigen wie je bent. Het is een mededeling - het enige ter discussie is of ze zich er comfortabel bij voelen of niet. Trek je lijn in het zand, want wie je bent is geen discussie, het is een feit. Je weet het wanneer jìj het weet. Iemand die je pas kan appreciëren na een herhaaldelijk kruisverhoor over wie je bent, is een voorwaardelijke vriend die graag kijkt naar het toneelstuk van jou, maar nooit mee zal gaan staan op jouw podium. Spaar je energie voor jezelf, omdat jij het durft te om leven buiten de paraplu van de norm, waar je danst ondanks de regen en een plek zoekt waar wie je bent niet meer “walgelijk” is omdat het anders is, maar waar er “pride” is. Je voelt je compleet veilig bij hen. Je weet het wanneer je het weet.


Het enige wat je moet doen, is zomaar zijn. En daar is ruimte voor.


02-05-2021


Kolonialisme aan de keukentafel / schoonheid als een vorm van respect


De grote boze keizer in het land der meetjes


Wanneer ik schrijf – is dit nu een vertaling, een roman of een blogpost – stel ik mezelf altijd de vraag: kan ik wat ik zeg ook voelen vooraleer er woorden voor zijn? Dat ik wat ik zeg kan zeggen zonder woorden, dat is zo belangrijk voor me. Het is een signaal aan mezelf dat ik kom uit een gevoel en niet iets willekeurig dat komt uit de obsessieve woordenrecyclage uit de wasmachine van mijn gedachten (wat na onderzoek is gebleken bij ons allemaal voor 80% te bestaan uit onbewuste herhalingen van dezelfde gedachten). Mijn remedie voor deze obsessie met woorden en argumenten en gedachten en bullet-points, is het bewust proberen voelen van wat ik aan het denken was. Verdwijnt de betekenis zodra er geen woorden meer voor zijn? Dan is het niet waard dit bij te houden. Kan ik wat ik denk voelen, zonder dat ik het in specifieke woorden giet? Of is de specificiteit van de woorden en de woorden waar het van afhangt voor de betekenis de voorwaarde voor de gedachte? Dan laat ik het gaan naar waar het vandaan komt, want ik weet in dit geval dat dit niet komt uit mijn gevoel, maar uit een obsessie met vorm. De obsessie met vorm is eigen aan onze breinen, zo geprogrammeerd door evolutie omdat het constant rekening houden met gevaar. Het creëert een constante nuttige angst die onze soort als grotbewoners nodig had om het gevaar van bijvoorbeeld sabeltandtijgers niet uit het oog te verliezen. Vandaag is ons brein nog niet voorbij dat punt geëvolueerd waarbij reëel gevaar door ons brein kan losgekoppeld kan worden van het constante gevoel van gevaar, terwijl de maatschappij zelf wel al voorbij het punt van het constante persoonlijke / lichamelijke gevaar van sabeltandtijgers is geëvolueerd.


De angst voor sabeltandtijgers is vandaag de angst voor vele andere dingen die zekerheid zouden kunnen weghalen uit ons dagelijkse manier van leven. De laatste jaren merk ik dat de nadruk sterk ligt op “manier van leven” dat onder gevaar zou liggen. Doordat ons brein nog steeds geprogrammeerd is om vast te houden aan deze nuttige angstgevoelens, voelen velen deze angst voor het wegnemen van “onze manier van leven” zo sterk als een fysieke aanval op hun lichamen. Mijn moeder zou ervan kunnen meespreken. Ik was er getuige van hoe zij door velen werd gezien als de sabeltandtijger in het kleine meetjesland.


De reden waarom mijn vader er niet van hield wanneer mijn moeder in een zeldzaam moment vertelde over haar jeugd – de geweldige momenten in de tropische zon met de constante vrolijke bedrijvigheid van familie en vrienden in de gemeenschap die niet te vergelijken valt met de teruggetrokkenheid van de mensen hier – en haar onmiddellijk onderbrak om nogmaals hetzelfde versleten verhaal te vertellen van zijn jeugd (een bikkelharde ervaring vol baden in ijswater, gedeelde tandenborstels van paardenhaar en rauwe eieren eten uit de kippenstal), is omdat dit niet strookt met het idee dat hij haar had “gered” van het zogezegd vuile en achterlijke eilandenparadijs, de Filipijnen. Haar ervaring met de wereld vooraleer ze hem had leren kennen via briefwisseling waarin ze na verloop van tijd elkaar genoeg schriftelijk hadden afgetast om meteen over te gaan tot de formaliteit van een huwelijk, mocht niets anders dan een verschrikking geweest zijn. Elk ander verhaal zou het idee dat hij haar gered had compleet tegenspreken. Dit is zelfs wat de politie haar vertelde nadat een van de buren hen had opgebeld na de krijspartij waarin ze mijn vader met een mes had bedreigd: “Wees toch blij met alles wat je hebt! Kijk wat voor een mooi leven je hebt!”


Terugkeer naar het interbellum


Ze wezen hierbij naar de televisie, de meubels, de kamers van het huis, alles wat in hun mening een vrouw van buitenlandse origine, waar stromend water uit de kraan geen garantie is, absoluut blij zou moet maken. Daarna dropen ze terug af en lieten ze mijn moeder aan haar lot (haar man) over.


“De moeilijkheden pak je er toch bij, als je in het paradijs bent terecht gekomen”, zo dachten ze.


Het idee dat zij uit een letterlijk paradijs kwam van palmbomen, groene weelde, witte stranden en een overvloed aan fruit voor het grijpen – allemaal dingen waar je geen prijs op kan plakken en zodus afgedaan worden als waardeloos – kwam in hen niet voor. In deze wereld, deze “manier van leven” was mijn vader gesterkt in zijn opvattingen door de onuitgesproken consensus die hij deelde met 95% van de mensen die hij in zijn dagelijkse leven tegenkwam dat deze manier simpelweg de beste is. Zelfs al was het waar dat mijn moeder geluk heeft gekend vooraleer ze mijn vader ooit had ontmoet; het bleef een schandalige gedachte die bijna nooit mocht uitgesproken worden, tenzij hij haar herinneringen kon doorspekken met constante commentaar over de algemene achterlijkheid van het hele land de Filipijnen, waar al mijn moeders jeugdervaringen altijd mee moesten worden ‘genuanceerd’.


Toen mijn tante G. uit de prachtige Filipijnse bergstad Baguio naar het meetjesland afzakte om mijn moeder te bezoeken – ik kon toentertijd niet ouder geweest zijn dan vier/vijf jaar – vertelde zij mij terwijl we samen bommelden op de achterzetel van de auto onderweg naar de dichtstbijzijnde stad, Gent, echter iets anders:


“Vergeet niet, Clark, jij bent misschien Belg, maar je hebt ook Filipijns bloed. Wees er trots op. Vergeet het niet!”


Zij zag de censuur waaronder mijn moeder leefde, wat de levenslange afgunst van mijn vader heeft veroorzaakt. Ik herinner me het mooie, verzorgde gezicht van mijn tante, wat volledig tot leven kwam met haar dikke portie lef en durf: een schoonheid zoals ik nooit eerder had gezien in een vrouw in mijn leven dusver, tenzij op de televisie. Sprookjes bestaan dus echt, dacht ik in mezelf. Toen ik later die dag voor het eerst in mijn leven het beroemde kasteel van het Gravensteen zag, werd dit idee alleen maar bevestigd. Zij was uiteraard danig onder de indruk van het sprookjesachtig mooie van de stad Gent; wat het deelt met alle steden in Europa. Alleen was ze niet onder de indruk van het leven dat mijn vader aan haar zus schonk.


De Filipijnen als een land van moderne disco's, Amerikaanse ketens als KFC, Dunkin' Donuts en McDonalds, grote cinema's waar massaal Hollywoodfilms werden bekeken (en aanbeden) - allemaal sinds de jaren '70 door hun verleden als Amerikaans kolonie- gaf de indruk dat ze in het meetjesland teruggekeerd was naar een tijd van voor de tweede wereldoorlog. Wat mijn moeder via ingesproken cassettes aan tante G. had verteld, bleek ontegensprekelijk waar te zijn. Europa was niet als Amerika.


"Mensen houden hier van geld verdienen en spenderen, alleen zijn ze er vies van als het commercieel is."


Het zou tot het jaar 2020 duren tot een KFC en een Dunkin' Donuts naar België zou komen. Niet veel meetjeslanders weten dit over de Filipijnen, maar net als in de Verenigde Staten waarvan ze een tijd een koloniegebied geweest zijn, wordt moderniteit en ontwikkeling daar gemeten aan het aantal beschikbare commerciële ketens in de buurt. Midden jaren '80 was mijn moeder direct na het huwelijk beland in een plek waar ze vanuit haar huis vijf kilometer in de ene richting kon fietsen, of vijf kilometer in de andere richting zonder een zelfs een supermarkt tegen te komen, laat staan een mens waarmee ze spontaan mee kon spreken.


Zodus wanneer mijn moeder met haar eerste blauwe plekken naar de enige mensen stapte waarmee ze kon spreken in het hele land, haar schoonfamilie en om hulp vroeg, hielpen ze haar niet. Volhouden was het antwoord - kansen geven voor verbetering. Ze zouden met mijn vader spreken. Daarin zag mijn vader zijn heil: zo lang hij een verklaring kon geven, kon het blijven duren - dat de verklaring ook de waarheid was, was bijzaak. Voor misbruik en geweld, zo bleek vanuit de schoonfamilie, is er geen nultolerantie. Er is een vage, onbenoemde minimumtolerantie en die heeft als naam “volhouden”. Zoals alle raad van de schoonfamilie, nam ze het compleet ter harte en werkte aan de minimumtolerantie zonder ooit te beseffen dat haar tolerantie voor verbaal en fysiek misbruik ten koste ging van haar eigenwaarde.


Via haar kinderen zouden dat gevoel dat ze kwijt was door haar “volhouden”, moeten terugwinnen. Ze zou hen afwegen en afmeten tegenover de kinderen van haar schoonfamilie. Het was daarom dat mijn moeder er nooit nood aan had dat ik zelf iets te vertellen zou hebben aan de familie, altijd met haar hand op mijn schouder zou zij spreken en antwoorden in mijn plaats over wat ik wel en niet heb verwezenlijkt. Hoe ze ermee kon uitpakken in de ogen van (schoon)familie was het enige nut van de hele zaak. Vaak wist ik pas dat het belangrijk was, wanneer zij het uitsprak tegenover mijn tantes en onkels. Afwezig en afgesloten, zo ging ze door het dagelijkse leven, zonder interesse in het proces van wat ik allemaal moest volbrengen voor haar, zonder ooit te vragen over wat ik al dan niet interessant vond. Eerst keek de naar de interesses van rivalende kinderen, daarna besloot ze dat dat een interesse moest worden van haar kinderen. Daarna was het rustig afwachten tot de verwezenlijkingen zouden komen in de vorm van rapporten, certificaten, brevetten en attesten, net als het wachten met het gezicht in de hete stoom van een pot kokende rijst. Wanneer het water weggekookt is, dan is de rijst gaar - heel simpel.


Dat niet iedereen rijst lust, was onbelangrijk.


Na al die lange jaren is ze vergeten dat deze obsessie is begonnen met blauwe plekken en lege woorden - wat de intensiteit van haar obsessie voor de rest van haar leven heeft bepaald.


Een troost voor wie gelooft in de schoonheid van het leven


Nu zijn er een aantal dingen in de Filipijnse cultuur die in de culturele gevoeligheden van het meetjesland uitsluitend vertalen naar ‘zondigheid’ – een overblijfsel uit het katholicisme waar mensen nog sterk aan vasthouden terwijl ze de kerken al lang hebben verlaten, waar nochtans de grotere context ligt van deze geërfde moraliteit. Elke zondigheid nodigt namelijk ook veroordeling uit, zelfs al is dit een (vreemd genoeg een nooit in vraag gestelde) contradictie van het heersende idee van bescheidenheid.


Anderen veroordelen is in deze cultuur niet het tegenovergestelde van bescheidenheid – schoonheid is de vijand van bescheidenheid. Er is bijvoorbeeld de gezegde “Uit een schoon bord eet je niet alleen” wat dit idee illustreert. Tot mijn afgrijzen heb ik moeten merken dat vele mensen die ik ken dit ook écht ter harte nemen als een soort van wijsheid. Het bord heeft maar één functie en dat is eten voorschotelen. Ik moet er geen tekening bij maken. Dit idee reduceert de partner tot een lustobject (etenslust) en geeft het idee dat het moeilijk is een partner te controleren wanneer zij / hij een schoonheid heeft die straalt in de ogen van meer dan jij alleen – die hem of haar bezit. Het idee van vertrouwen is compleet bijzaak. Beter dat je partner lelijk is, makkelijker te controleren. Het idee dat vrouwen meer mogen zijn dan een bord is een schandaal voor de meetjeslandse mannen, want “hoe zouden we dan weten dat wij de enige zijn die naar bed gaan met onze vrouwen?” De vraag die daarbij komt kijken: “Is dat het enige wat je wilt halen uit je relatie met je vrouw?” Ik heb om die reden altijd een enorme bewondering gehad voor mannen die zelfzeker genoeg zijn - of die een gezond basisvertrouwen hebben in de trouw van hun partner - om ze te laten schitteren en stralen in hun schoonheid, hoe het zich ook uitdrukt. Mannen die schoonheid niet zien als een bedreiging voor hun controle over hun 'bezit', dat zijn mannen die ik waardeer.


Het idee van schoonheid als een vorm van respect is groot in de Filipijnse cultuur. In de contreien waarin ik ben opgegroeid, het meetjesland, is dat idee echter zeer exotisch. Schoonheid is hier een synoniem van ijdelheid: een schaamteloze uitnodiging tot verleiding, iets opzettelijk gericht met bijbedoelingen op de ander, het schandelijke “willen opvallen”. Een trots hebben in de eigen lichaam en dit zien als een wonderlijk cadeau van de voorouders, is op geen enkele manier goed te spreken. Een portie zelfhaat wordt gezien als gezond, omdat het hier op zijn beurt synoniem is geworden voor bescheidenheid.


Nochtans moet je niet helemaal naar het archipel aan de evenaar reizen om dit concept van schoonheid te ervaren. In het zonnige Italië wordt waardigheid in schoonheid ook “bella forma” genoemd. Het idee is om met een bepaalde schwung door het leven te gaan, waarin de schoonheid van het leven ook kan beleefd worden door de schoonheid van het lichaam – met de vrijheid om zelf te beslissen wat schoonheid is. Of de gekozen uiterlijkheden aanzetten tot vreemdgaan is geen criterium om te oordelen wat dat is in deze cultuur. Deel van “bella forma” is het idee het ongeluk en de moeilijke momenten in het leven met een sterke elegantie te doorstaan, wat men in het engels grace noemt, waarin we elkaar zonder woorden eraan kunnen herinneren dat zelfs in deze momenten de schoonheid van het leven bestaat: een troost voor wie erin gelooft.


Een huwelijk van het exotische en het nobele


In Oost-Azië speelt ook het idee van de familiegemeenschap een zeer grote rol en net zoals met alle sociaal-culturele normen en regels heeft het zijn voordelen en nadelen. Het enige wat we echt kunnen veroordelen is de opvatting dat één van deze manieren van leven de beste is. In de Filipijnen informeert het idee van familiegemeenschap sterk de beleving van schoonheid omdat verzorgdheid een vorm van respect is naar de ander toe. Onverzorgd op bezoek gaan bij iemand (en in deze cultuur staat de deur zo goed als onafgebroken open voor bezoek – dit wordt niet per se op voorhand afgesproken), wordt gezien als een vorm van “boertigheid”, wat in een land waar extreme armoede nog bestaat niet een ideaalbeeld is dat plezier en vertrouwen inspireert. Jezelf verzorgen is het teken dat je - voor je ouders, voor je partner, voor je kinderen, voor je uitgebreide familie - jezelf onder handen neemt en de mouwen opstroopt om de verantwoordelijkheid met beide handen te grijpen het leven aan te pakken, hoe moeilijk ook, zodat je de mensen die je graag ziet het leven kan gunnen dat je vindt dat zij verdienen. De mooie wereld creëren voor je dierbaren, begint bij jezelf.


Jezelf verzorgen is de ander verzorgen  is ineens een wereldwijde slogan in door deze gruwelijke coronatijden – maar het idee is altijd al een pilaar geweest van Filipijnse mores. Vanuit ons geluk geboren te zijn geweest in een omgeving met overheidsregels voor een sociaal vangnet, is aandacht voor het verzorgen van jezelf als vorm van respect (prioritaire aandacht voor hygiëne, kleding, snit en trim) makkelijk dit af te doen als een vorm van ijdelheid, simpelweg omdat het vervallen in extreme armoede geen tastbaar gevaar is in ons dagelijkse leven. Het (niet uitsluitend) Filipijnse idee dat schoonheid koesteren en uitdrukken in jezelf tegelijk jezelf eert als jouw familie als signaal dat je de uitdagingen van het leven durft aanpakken, blijft hier een exotisch idee. Hier heerst het idee van werken voor mezelf is werken voor de ander, omdat mijn werk bijdraagt aan het sociale vangnet. Dit vereist natuurlijk een sociaal vangnet en... beschikbaarheid van werk; beide niet vanzelfsprekend in een ontwikkelingsland. Zelfs met haar bachelordiploma zou mijn moeder bijvoorbeeld niet aan goedbetaald werk geraken voor haarzelf en haar kind. Een single-mom zijn was in dat tijdssegment geen optie.


Werken voor jezelf is werken voor de ander is een zelfloos en nobel idee, een systeem wat dus nog in grote mate ontbreekt in het ontwikkelingsland waar mijn moeder haar jeugd heeft gekend. Maar omdat dit systeem daar ontbreekt het hele land af te doen als achterlijk en de socio-culturele mechanismes die ze in hun gemeenschap hebben om met hun situatie om te gaan zo goed ze kunnen, te bestempelen als “ijdelheid”, getuigt van een beknotte wereldvisie. Er is niets nobel aan jezelf verwaarlozen in moeilijke tijden en deze verwaarlozing van jezelf opzettelijk uit te werken op de mensen om je heen. Ik ben verbijsterd dat nog steeds heel veel mensen erin slagen daarvoor opgehemeld te worden. Persoonlijke miserie uitspelen als een verwezenlijking is een privilege van een welvarend land.


Mijn bewondering gaat daarom uit naar mensen die het moeilijke kunnen doorstaan met een gezonde dosis zelfrespect en eigenwaarde. Hulp zoeken als het nodig is. Hulp vinden in jezelf als je bij niemand terecht kan - luisteren naar de stilte in jezelf zoals die in iedereen bestaat. Deze vraagt je niets, deze verplicht je niets, deze herinnert je dat je al compleet en volledig bent, zoals je in het moment kwam. In de leegstaande kerken doorheen dit land noemden ze het "vrede"; buiten de kerken noemen ze dat "het moment". Welke naam het ook heeft, het is er, is er altijd geweest en zal er altijd zijn. Maar mensen kwalijk nemen dat ze er niet waren wanneer je niets hebt gevraagd, getuigt in mijn mening van zelfingenomenheid en kleingeestigheid. Speak up en stroop je mouwen op wanneer het nodig is - haal die schwung binnen en breng kleur in/ondanks je leven. Wanneer een cry for help (actief) niet gehoord wordt, weet je waar je niet meer moet aankloppen. Er valt toch wat te leren over de Filipijnse manier van leven, zelfs al is de voormalige Spaanse/Amerikaanse kolonie nog 'in ontwikkeling'.


De jeugdherinneringen van mijn moeder en haar krachtige levenslust hingen niet af van de sterktes en tekortkomingen van haar overheid, net zoals dat voor geen enkel kind het geval is. De wereld waar ze in opgroeide bestond uit de mensen die zichzelf verzorgden om haar te verzorgen: een traditie die ze heeft doorgegeven en die ik met trots voorzet. Het was haar manier van liefde tonen, een gevoel die ze had leren kennen vooraleer ze de woorden zou tegenkomen om het te beschrijven: Magandang buhay.


12-05-2021



Strafkamp

Een verboden boodschap


Aan het graf van mijn grootvader steekt een Belgische vlag in de grond omdat hij werkweigeraar was tijdens de Duitse bezetting in de tweede Wereldoorlog. Ik geloof steeds minder en minder dat de publieke opinie verzet tegen nazisme nog ziet als heldendaad. Collaborateurs krijgen postuum in een pittoresk west-Vlaams dorpje een monument opgedragen, terwijl in elders in Europa LGBT-free zone’s worden ingericht en censuurwetten worden goedgekeurd in parlementen dat het onmogelijk maakt om een aanklacht daartegen te verwoorden omdat dit zogezegd kinderen in gevaar brengt met pedofiele ideeën.


Mijn grootvader zou zich omkeren in zijn graf moest hij het horen: de gedachte dat de nazis toch maar eens gelijk zouden kunnen gehad hebben, een gedachte die helaas meer en meer groeit in ons continent. De oorzaak van alle problemen zou maar eens kunnen liggen in een teveel aan anderen:


  • Te veel mensen met een andere huidskleur en de bijhorende gebruiken en gewoontes die niet compatibel zijn met hier - veel conflict zou vermeden kunnen worden als iedereen simpelweg blank was zonder spleetogen en hield van braadworst met patatjes.
  • Te veel mensen die geloven dat ze geen man zijn terwijl ze een penis hebben en te veel vrouwen geloven dat ze geen vrouw zijn terwijl ze een vagina hebben - het is namelijk belangrijk te weten wat er in de onderbroek zit van uw medemens en uw volledige identiteit op te bouwen rond uw geslachtsdelen.
  • Te veel mannen die gevoelens hebben voor mannen en vrouwen die gevoelens hebben voor vrouwen - een gezin kweken uit eigen biologie is de énige waardige manier van leven.
  • Te veel jongeren met uitgesproken ideeën wat het gevolg is van het collectief toelaten van concepten zoals autisme door hen te zachtaardig te hebben behandeld- jongeren horen enkel te beseffen wat hun ouderen hen vertellen wat ze moeten beseffen, alles daarnaast is arrogantie.


Meer slaag, zo lijkt het idee, is de oplossing! We moeten gaan van zacht naar hard! Meer zweep! Meer fasces!


Minder anderen, minder minderheden, minder ongebreidelde verbeeldingskracht die denkt buiten de productieve functies van het menselijk lichaam. Minder magische herten.


Laat het nu zo wezen dat het kleinkind van deze werkweigerende held uit vervlogen tijden nu net al deze walgelijkheden/kwaliteiten bezit. Laat het nu zo wezen dat zijn kleinkind een boek schreef dat in de eerste 6 hoofdstukken de ervaring beschrijft om op te groeien als een LGBT kind met autisme. Laat het nu zo wezen dat het boek als apotheose het aanvaarden van compleetheid van mannelijkheid en vrouwelijkheid binnenin om trauma uit de kwetsbare kindertijd te verwerken beschrijft; om als compleet persoon de ander te benaderen: het non-binaire, het genderfluïde. Laat het nu zo wezen dat als de wind hard genoeg uit het oosten blaast, deze boodschap binnenkort simpelweg verboden wordt.


Het nut van een bezet gebied


Want natuurlijk zagen de bezetters en de ordehandhavers het toentertijd niet als een bezetting, maar de bestaande gang van zaken, het nieuwe normaal. Weigeren te werken voor de fascistische Duitser was in hun ogen politiek totaal incorrect en tevens ook tegen de wet, hun wet, gezien een mens moest toch wel moest blijven werken. Wat is het nut van een bezet gebied als het gebied weigert om nuttig te zijn? Dat een mens niet actief wilt meewerken aan het onderhouden van het monster dat hen onderdrukt, dat een mens voor zichzelf mag uitmaken of zijn of haar werk nog moreel is, isteken dat er nog te veel ruimte is om te “willen”, wanneer er enkel ruimte is om te gehoorzamen.


Aan de hand van angst was een dergelijke ongeoorloofde luxe van waarden en principes boven werkplicht snel opgelost: in een strafkamp zou mijn grootvader tot zinnen komen. Helaas…


Samen met een goede vriend waarmee hij in het kamp bevriend was geraakt, hadden ze zich op termijn zodanig geschransd en verschanst dat ze zich uiteindelijk  hebben kunnen verbergen in een van de treinen die in en uit het kamp reden. Waar precies? Aan de besmeurde balken en buizen in het onderstel van de trein. Daar trokken ze zich op van de treinsporen en hielden ze zich vast. Ik kan me inbeelden zodra de trein op volle kracht reed, dat ze zich letterlijk voor hun leven vasthielden. Volgens de legende die mijn vader vaak herhaalde, gingen de twee mannen ieder hun eigen richting uit om elkaar zo goed als nooit meer terug te zien, ondanks dat ze hadden beloofd terug contact op te nemen zodra de vrijheid zou terugkeren. Nog één enkele keer zagen ze elkaar terug, op een oorlogstribunaal waarbij de directeur van het strafkamp werd veroordeeld. De twee hadden nog een afspraak: als ze die man ooit nog zouden zien in de vrije wereld, dan zouden ze hem bont en blauw staan. En zo geschiede. Zodra de collaborateur in de rechtzaal kwam, sprongen mijn grootvader en zijn compagnon uit hun stoelen om hem ter plekke in elkaar te slaan, temidden van de advocaten, rechters, getuigen en publiek.


De rechter liet het toe, zo benadrukte mijn vader steeds, dat het toch wel even doorging vooraleer de rechtzaak zelfs begon. De aversie voor hun broers, zussen, tantes, nonkels, buren, collega's die in de bezetting, in de collaboratie, een vrijgeleide zagen om hun meest donkere fantasiën te beleven in naam van hun politieke plicht om luiaards, sodomieten, Joden en rebellen weg te zuiveren via fabriek-achtige gestroomlijnde efficiënte systemen, die ontworpen zijn geweest om heel goed te... werken, was een onuitgesproken vanzelfsprekendheid.


Na het voorval in de rechtbank sprak mijn grootvader inderdaad nooit nog een woord over wat hij in de oorlog had meegemaakt. Over sommige dingen kan je jarenlang niet spreken, dit begrijp ik maar al te goed. Tientallen jaren na zijn dood, zo lijkt het, begrijp ik mijn grootvader meer en meer.


Na afloop schiet er niets meer over


Waar wel over werd gesproken is hoe hij te voet zijn weg vond naar Gent - vele jaren later mijn geboortestad - waar hij zijn weg vond naar het adres van zijn zus. Ze opende de deur, zag hem staan, een eens zo sterke man, maar toen nog amper 30 kilogram. Ze vertelde hem dat ze hem niet in huis kon nemen. Ze kon niet geassocieerd worden met hem, gezien worden met hem, te maken hebben met hem: een gekende werkweigeraar en nu ook vluchteling uit een strafkamp, zonder haarzelf in gevaar te brengen. De legende vertelt dat ze hem niet eens binnen liet, dat ze de deur voor hem, haar uitgemergelde broer, zonder meer terug sloot. Een compleet politiek correcte, wetten respecterende, immorele beslissing die de broeder-zusterband voor eeuwig had gebroken.


Sommige levenskeuzes zijn zodanig fout dat, zelfs na de feiten vergeven te hebben, er na afloop geen familieband meer kan bestaan.


Het was pas terug in het Meetjesland dat hij in de armen van mijn grootmoeder waarvan algemeen geweten was dat zij een letterlijke engel was op aarde, op aanraden van de dokter stelselmatig met een weinig broed en soep in het begin terug op krachten kwam, tot hij uiteindelijk terug op een normaal gewicht geraakte. Met een totaal politiek incorrecte daad heeft ze het leven gered van mijn grootvader. Aan een politiek incorrecte daad heeft heel mijn familie aan vader’s kant hun leven te danken.


In welk pittoresk dorpje staat het standbeeld voor alle LGBT die tijdens de tweede Wereldoorlog van de kampen rechtstreeks naar de gevangenissen werden geleid door de bevrijder? Dit is wat mij het meeste verontrust in het huidige veranderende politieke klimaat, dat zelfs na de bevrijding in de tweede Wereldoorlog er 1 ding was waar de geallieerden en de fascisten in overeenkwamen: dat mannen die houden van mannen, en vrouwen die houden van vrouwen een smet waren op de samenleving. Zij hebben niet meer van vrijheid mogen proeven bij wijze van consensus tussen overheersende vriend en overheersende vijand. Hun lot was een verplaatsing van kamp naar gevangenis, van untermensch naar delinquent. Het is daarom dat we niet mogen vergeten: “The first Pride was a riot”.


De nu in onbruik geraakte term Asperger's syndroom is uitgevonden door een een Nazi die wetenschappelijk onderzoek deed naar het identificeren van eigenschappen van nuttige mensen en onnutige mensen tijdens de tweede wereldoorlog. Wanneer ik tijdens de les wiskunde in het vierde jaar humaniora door mijn autismespectrumstoornis problemen had met concentratie, zei de leerkracht steeds: “Daar bestaan kampen voor!” Ze was gekend om haar bijtende humor die na zinderde als een zweepslag. Het had maar 1 generatie gekost, zo dacht ik, om te kunnen lachen met het identificeren en problematiseren van een minderheid, ze te profileren, verzamelen, te isoleren en af te voeren.


“Je moet er toch mee kunnen lachen” - zei nog nooit één iemand uit de minderheden zelf die geviseerd zijn geweest in de afgelopen donkere hoofdstukken van ons gedeeld verleden.


Zij/wij voelen dat het laatste woord daarover nog niet geschreven is.


10-07-2021



Carpe die(m/s irae)


Recht op “Zen”


Ik krijg de vraag waarom ik -misschien wat onorthodoxe- vertalingen heb gemaakt van filosofische teksten uit het klassiek Chinees met als titel “Leken zoals wij” (waarmee ik met een dikke knipoog verwijs naar de indruk van de pure snotneuzerij ervan).


Mijn antwoord: verwondering en inspiratie. Wat mij altijd al heeft gefascineerd aan de wat de filosofie van Laozi, Confucius en de Boeddha verbindt is dat liefde voor de mensheid diepte geeft aan hoe we ons organiseren en hoe ze dat idee zo helder en diepzinnig elk op hun eigen manier hebben uitgedrukt! Is er geen liefde voor de mensheid als geheel - en de klimaatcrisis daagt ons nu erg hard uit om na te denken over de mensheid als een geheel - dan wordt elke plicht een last. Als een vervelende mug komt de millenia oude echo van Confucius's stem terug rond de oren zoemen:


Als de wet alleen maar wordt nageleefd omdat er wordt gestraft,

dan is de wet naleven niets anders dan het ontwijken van straffen.

Op die manier is er geen plichtsgevoel.

Maar als de wet wordt nagestreefd omdat men er de deugd van inziet,

En iedereen zich kan vinden in de regels van fatsoen,

Dan komt het spontaan.


道之以政,

齊之以刑,

民免而無恥;

道之以德,

齊之以禮,

有恥且格。


(Eigen vertaling uit " Wat Confucius allemaal zei: de Analecten voor leken zoals wij")


Zomaar onnuttig


Het idee van jaloers te zijn op het “luxeleven” van een gevangene doet mij verstomd staan. Mijn vader herhaalde dit idee vaak bij het avondmaal wanneer Martine Tanghe met haar iconische stem nieuwsitems onze keuken instuurde over ons rechtssysteem. Hij contrasteerde dit idee met een klachtenlawine over hoe hij door zijn job werd kapotgewerkt en nog geen moment van vrije tijd kon beleven door het zorgen voor zijn kinderen en zijn vrouw, hetgeen wij knikkend en zuchtend boven de soep door onze stilte beaamden. Gevangenen hadden de vrijheid die hij benijdde, namelijk: tijd. En dit vertelde hij terloops tussen de soep en de patatten, de belichaming van Hannah Arendt’s concept van de banaliteit van het kwaad.


Stel je maar eens voor dat mensen jaloers zijn op gevangenen die, beroofd van hun vrijheid als burger, zomaar… “mogen leven zonder nuttig te wezen.” Diezelfde mensen kopen in de Casa of het Kruidvat graag een beeldje van de Boeddha om de Zen-gehalte van hun badkamer te verhogen of kopen een ingekaderde quote van Laozi over de reis van tienduizend mijl die begint met één stap. Geschandaliseerd zijn ze echter niet om te achterhalen dat de kern van hun boodschap net is om te mogen leven zonder nuttig te zijn, dat productiviteit geen voorwaarde is om te leven in het moment. Wat hun badkamer zo zen moet maken is hetgeen wat ze gevangenen benijden. Niet misplaatst, vind ik, is hun ongenoegen over hun persoonlijke worstelingen met hun eigen recht op "zen", maar ondoordacht en gericht op de verkeerde mensen.


Ergens is het idee dat ieder mens dat is geboren het verdient te leven, verloren gegaan in het opgeblazen idee van nuttigheid. Een lieve klasgenote L. en een onvergetelijke zomerromance L. - beiden uit de Gentse contreien - discussieerden met mij gebeurlijk over het teveel van mensen op de planeet op dezelfde banale wijze. Omdat ik overmorgen mijn tweede prik ga halen komt bij mij de gedachte op of zij hun vaccin misschien geweigerd zouden hebben om het goede voorbeeld te stellen van hun toch wel sterke overtuiging - namelijk dat ziektes en oorlog goed zijn om overbevolking tegen te gaan.


Nagels over een schoolbord


Niet zo lang geleden, wanneer een wereldwijde pandemie alleen nog maar bestond in Hollywoodfilms, hoorde ik van beide L.'en apart dat bijvoorbeeld het uitblijven van een vaccin voor AIDS en een medicijn voor kanker zijn nut heeft, anders zouden er niet “genoeg mensen eraan sterven” en nog meer mensen de planeet tot last zijn. Mensen die anders hun Darwiniaanse plicht hadden kunnen vervullen, ware het niet voor dat vervelende ontwikkelen van levensreddende medicijnen. Ken je dat geluid van nagels over een schoolbord of een vork dat krast over porselein? Dat is hoe het voelde voor mij om dat te horen van hen, toch goede vrienden die ik redelijk intiem kende.


Uiteraard wisten ze van mijn belangstelling voor filosofie, alleen, denk ik, beschouwden ze het meer als een soort van hobby die besloten bleef tot een denkbeeldinge hobbykamer in plaats van letterlijk hoe ik de wereld beleef in elk moment. Mijn shock toen ik zulke dingen hoorde werd mij kwalijk genomen.


Natuurlijk, wanneer zij spraken over het teveel mensen die wegen op de planeet, werd wat hier gekend staat als 'de derde wereld' in één adem geïdentificeerd als het teveel… Maar over de ecologische voetafdruk per capita in Europa en de VS is er natuurlijk geen sprake in dit koel betoog. Twee gezinnen van tien in een derdewereldland veroorzaakt nog niet zoveel vervuiling als de twee ouders van één gezin hier. Wat geeft misschien de verkeerde indruk? Hier ziet er hier veel properder uit.


PFOS kan je niet zien met het blote oog. Sloppenwijken wel.  Toch bleef vriendin L. bij haar idee nadat ik sprak over mensenliefde en ieders recht op genezing en letterlijk... leven. Ik zei hen dan, de ene L. tijdens een bezoek in haar paleisachtig ouderlijk huis met een ecologische voetafdruk van hier tot in Honolulu en de andere L. tijdens wat begon als een romantisch moment aan het Havenhuis waar we op een bankje knus bij elkaar gezeten lieve woorden mijmerden, tot het met het opsteken van een sigaret de verkeerde richting uit ging:


“Ja, dat klopt! Daar doen ze dat, grote gezinnen hebben. Mijn moeder komt ook uit zo’n gezin met 8 kinderen uit een derdewereldland. Hoe schandalig is haar geboorte en de geboortes van al mijn onkels en tantes. En als ik ooit AIDS zou krijgen, zal ik stillekes mijn plicht vervullen en mijn begrafenis braaf afwachten.”


Haar heb ik daarna nooit meer teruggezien.

Hij brak de romance niet lang daarna af.


Overal in de straten hier in Antwerpen staan beeldjes van Moeder Maria, sommige gerestaureerd, andere aan het verweren door blootstelling aan weer en wind. Haar stille boodschap van ieders soevereine geboorterecht spreekt alleen nog door niets anders dan haar aanwezigheid, net zoals dat voor iedere ziel niet meer zou moeten zijn dan dat.


Onorthodox


Het lijkt een contradictie om de rauwheid van mijn blog te rijmen aan mijn schrijfsels die te maken hebben met boeddhisme en taoïsme. En dat is het ook. Aan een zwangere vrouw -onbevlekt ontvangen of niet- zeggen de dokters ook niet tijdens de geboorte: "Probeer meer te glimlachen! Verwoord het positiever! Kan het stiller?"


Het zal net zo rauw zijn zoals zij het voelt dat het is. Afgedwongen positiviteit en afgestrafte negativiteit is wat men op de werkvloer algemeen ook kent als “goed management”, in huiselijke kringen als “relationeel misbruik” en in de politiek als “propaganda”. Nee, tijdens de bevalling doen dokters daar niet aan mee en zeggen:


“Roep! Schreeuw! Tier! Huil! Doe wat je moet doen om het kind eruit te laten!”


 Carpe diem gaat bij mij hand in hand met dies irae.


Het tegendraadse, het rebelse, het averechtse, het zit sterk in mijn bloed. Deugnieterij is waarmee ik mijn grootvader - hetgeen mijn vader mij na zijn dood vaak vertelde - altijd deed lachen zonder dat ik het ooit zelf heb beseft. Een lach van herkenning, vermoed ik, gezien dezelfde kwaliteit ooit zijn leven heeft gered, een kwaliteit die in mijn familie daardoor als hoogste wordt gewaardeerd. Sloeber/deugniet/rebel met een dikke knipoog blijf ik voor het leven, maar mijn snotneus… daar ben ik allang van af.


18-07-2021



Bliksemafleider


Zelfs de nagedachtenis moet plaatsmaken voor hem


“Hij heeft het niet gedaan”, zo zei mijn zus, overtuigd door de kwade vrienden van de nette student-ingenieur die pas later zou veroordeeld worden voor de moord op onze nicht K.C. Wat had haar overtuigd? Niets meer dan het feit dat ze kwaad waren, geschoffeerd dat er mensen waren die hem zouden durven verdenken van moord. Geconditioneerd door onze thuissituatie om steeds de veilige kant van de waarheid te kiezen - makkelijk te identificeren door de “boze kant” te kiezen - ging ze voorbij het luttele 'voordeel van de twijfel' en voluit voor het kwijtschelden van vermoedelijke schuld van de moord op haar eigen nicht, tot het proces waarin onze familie werd bijgestaan door advocaat Jef Vermassen het andere uitwees.


Tijdens een nachtwake door Gent die de studentenverenigingen namelijk hadden georganiseerd samen met onze familie, die bestond uit een optocht van het Sint-Pietersplein, verder doorheen de Overpoort tot aan het Citadelpark (de plek waar ze levenloos werd teruggevonden), hadden de vrienden van wat later haar moordenaar zou blijken, zich in onze groep geïnfiltreerd. Velen onder mijn familie ontweken hen en zeiden onder elkaar: wat doen zij hier?


Want wij die de details van die avond wisten - waarvan de meest doorslaggevende de bloedspetters op zijn kleren en het feit dat hij gewillig zonder een woord te spreken mee ging met de politie zonder de vraag te stellen: wat is er met mijn vriendin gebeurd? - bestond er niet langer enige twijfel en was het afwachten van het proces slechts een formaliteit. Een schuldbekentenis is er echter tot op de dag van vandaag niet gekomen, en dat was waar de vrienden en familie van de dader zich aan vastklampten. Hetgeen ik ze uiteraard niet verwijt, gezien ze hem graag zagen/zien. Liefde maakt blind, zo zie ik vaker gebeuren. Zodus begonnen zij een betoog tegen sommigen aanwezig op die avond van de wake, waaronder mijn zus maar ook anderen aanwezig, alsof een moordzaak een kwestie is van politiek, alsof rechtspraak een kwestie is van propaganda. Hun betoog steunde op niets anders dan het 'toch niet durven' geloven dat hij de dader is geweest, de misbruiker, de moordenaar. En dit alles terwijl de wake en de tocht zou draaien om haar, zijn vriendin, de zogezegde liefde van zijn leven, zijn levensgenoot, zijn slachtoffer die zelfs in de media als grootste onderscheidende kwaliteit benoemd werd als zijn Filipijnse vriendin.


Mijn tante en oom - ik herinner me goed hoe ze er bijna katatonisch door het verlies van hun kind bij zaten - werden door hun warme en goedhartige familie uit Nederland spontaan afgeschermd van dit schandelijke schouwspel. Want zelfs in de wake aan hun dochter gewijd door de studentenverenigingen van Gent, moest de nagedachtenis aan mijn nicht toch plaats maken voor de fervente verdedigers van de misbruiker. Soms is het idee “er zijn twee kanten aan elk verhaal” ongepast, alsof dit dogma uit de volksmond toelating geeft automatisch en zonder redelijke aanleiding het tegenovergestelde te beweren van wat iemand zegt en zich ongeschonden daarachter  kan verschuilen.


De gepijnigde klootzak


In de zaak van mijn nicht zou er geen tweede kant van het verhaal zijn. Haar vriend en moordenaar zou nooit een uitgebreid relaas geven van de avond van de moord; tenzij de met de peperdure advocaat besproken tijdlijn. 6 minuten uit die tijdlijn bleven open, 6 minuten waarvan de dader tijdens het proces ineens verklaarde:


"Ik ben bang dat ik het misschien toen gedaan zou kunnen hebben, maar ik herinner me niets."


Het goede vertrouwen van de fervente steunbetuigers en de twijfelaars maakte na zo'n uitspraak plaats voor een zeer wrang gevoel.


Mijn vader, na de veroordeling van de man, zou geregeld alle drie zijn kinderen, zij het dat er slechts 1 zo fervent de man verdedigde - wat ze na de veroordeling uiteraard nooit nogheeft herhaald of aangehaald - te pas en te onpas zomaar uitschofferen van hoe we, al tieners zijnde, zo schaamteloos een moordenaar konden verdedigen. Terwijl mijn zus en broer bij het voelen van de uitbarsting steevast vluchtten naar hun respectievelijke kamers, bleef ik achter om met hem te discussiëren.


Uiteraard, met het vertrouwde blikje bier steeds in de hand, was mijn vader zich wel bewust dat het alleen mijn goedgelovige zus was die beweerde dat de moordenaar onschuldig was tot aan zijn ongelukkige uitspraak. Hij had simpelweg nood om te roepen en te tieren, met wie dan ook. Soms mengde mijn moeder zich, soms liet ze het gebeuren. Maar ik zou discussiëren met de dronken man, opnieuw en opnieuw, avond na avond over de grootste nonsens en leugens. In de ochtend zou hij dan weer als een mak lammetje gebaren dat hij niets meer herinnerde van de nacht ervoor en wat hij allemaal “al dan niet gezegd zou hebben”. Ook zou hij niet herinneren dat hij, uiteraard door zijn grote fysieke sterkte en vaderlijke autoriteit, altijd het laatste woord nam door mij hardhandig vast te nemen en in het holst van de nacht “straftaakjes” zou laten uitvoeren terwijl hij op de achtergrond een litanie afstak van hoe waardeloos ik wel was.


Ik was de bliksemafleider in ons gezin. Toen ik dit enkele jaren geleden aan mijn moeder vertelde met alle opgekropte emotie vandien kon ze alleen huilend zeggen. Ik weet het. Ik weet het.


Maar hier is het hele lichtpunt in de zaak: de gepijnigde klootzak-methode (dingen goed maken om het telkens weer opnieuw te doen) werkt alleen als je de klootzak nog serieus neemt.


Slachtofferhulp


“Maar voel jij je wel geholpen nu?”


Zo zei de begeleidster van de dienst slachtofferhulp waar mijn middelbare school mij naartoe had gestuurd voor een kort gesprek tijdens de lesuren. Ik probeerde hulp te zoeken, want binnen mijn familie was mijn rol als bliksemafleider al dichtgemetseld. Ik zocht een uitweg. Spijtig genoeg was dit mijn eerste en laatste gesprek met haar in haar kantoortje daar in Eeklo.


“Wie gaat er voor jouw moeder zorgen, als ik het niet ben?”


Zo riep mijn vader terwijl hij me zonder reden een put liet graven in de oprit met pépé’s spade.


“Zijzelf? Zij kan nog niet eens voor jullie zorgen! Wat zit ze steeds te dreigen met scheiding? Zij ruïneert jullie toekomst, ik niet! Ze heeft mij al geruïneerd. Jij denkt dat jij dat kan zeker. Jij kan niets. Je bent een nietsnut. Je bent een snotneus!


De geur en de kleur van een door alcohol aangedreven paternale razernij tijdens het emotionele kwetsbare segment van volwassen worden, het is iets wat een mens nooit kan vergeten. De zinderende timbre in de stem, de haast puilende ogen, stof voor nachtmerries voor jaren en jaren. De ergste die het te verduren had was uiteraard mijn moeder zelf, die als een stier altijd in de clinch ging, zodra mijn vader haar uitlokte als een getrainde matador. Lachend zou hij me dronkengeweg vertellen - maar alleen wanneer hij zo dronken was dat hij niet meer wist tegen wie hij sprak - dat hij wist welke specifieke onderwerpen hem een klinkende ruzie zouden garanderen, want dat het enigste hij verlangde van mijn moeder. Niet liefde of intimiteit want die was onbestaande in hun relatie en bestond alleen op familiefoto’s. De feilloze onderwerpen, waren:


  • haar religie

  • haar familie


"Feilloos zijn ze," zo giechelde hij, boerend, "Iedere keer wordt ze razende kwaad ervan."


Tijdens een van haar spontane uitbarstingen die mijn vader voor een keer zelf niet had uitgelokt, maar tevens wel de ideale opportuniteit was om hetzelfde gal te spugen over een emotionele wonde die hij opzettelijk etterend en zwerend open houdt, zei ik tegen mijn vader:


“Het gaat niet goed met mama.”


“En dat komt door jou! Dat komt allemaal door jou!” Zo riep hij.


Waarom? Hij verduidelijkte dit meteen:


“Jij geeft haar altijd gelijk! Je geeft mij nooit gelijk!”


Hij verwees naar het feit dat ik als enigste kind mijn moeder ging opzoeken om haar op mijn schouder te laten uithuilen. Mijn eigen gebroken moeder troost bieden, was iets wat hij zag als "haar gelijk geven", gezien ze het verdiende om gebroken te zijn - de hele reden waarom hij haar bleef koeioneren met eindeloze ruzies. Dit opzoeken van mijn moeder is iets wat mijn broer en zus vermeden in hun tienerjaren, precies omdat ze zagen wat ik ermee riskeerde: handen rond mijn keel als hij zeer kwaad werd, mij aan de arm buiten in de tuin trekken ‘s nachts wanneer ik iets verkeerd zei over bijvoorbeeld “Er is geen bewijs dat er Saddam Hoessein nucleaire wapens verbergt” en mij vervolgens een stoel liet vernissen of de sparren van het bos liet snoeien tot hij me later in de nacht terughaalde omdat hij bepaalde dat ik dan wel “mocht gaan slapen”. Doordat de vuurlinie waarin ik stond zo overduidelijk was, hadden mijn broer en zus snel geleerd dat er een “veilige” kant van de waarheid bestaat - meteen gelijk geven aan de meest kwade persoon. Zonder het goed te keuren kan ik zeggen: ik begrijp waar het vandaan is gekomen.


Aan deze vuurlinie waar ik nooit aan kon ontsnappen - mijn vader stampte deuren in om verder te ruziën wanneer we probeerden weg te vluchten, mijn moeder verborg haarzelf soms in de kleerkasten - verloor ik al mijn energie tijdens mijn humaniora. In de les kon ik me niet concentreren, ik was slapeloos, ik had enorm slechte punten, ik studeerde nooit. Hoe ik aan het diploma latijn-moderne talen ben geraakt is een mysterie. Ikzelf verklaar het aan de kracht van de geest op automatische piloot en de dichte vrienden waarmee ik tijdens mijn uren op de school zoveel mogelijk wou lachen en schateren en plezier maken, want dit hield steevast op zodra ik huiswaarts keerde.


Een uitzonderlijk moment van eensgezindheid


Dit veranderde toen ik me verdiepte in Boeddhisme rond mijn 18e, niet lang nadat slachtofferhulp en de gemeente me vertelde dat ze mij niet konden helpen. Ik moest mezelf helpen. Een ijkpunt was dit in mijn leven, want zodra ik stilte en geduld actief begon toe te passen, merkte ik een grote verandering in de reactie van mijn vader. Wanneer ik niet langer in ging op zijn uitlokkingen - omdat ik afstand nam en zag wat hij aan het doen was- riep hij:


“Is dit jouw boeddhistische aanpak? Ben je ineens een monnik? Een priester? Wat is dit? Ben je ineens een Boeddha?”


Het zal je verbazen hoeveel een persoon nog in staat is om met jou te converseren als je geen woord zegt. Anders dan vroeger, wanneer verplichte stilte meteen ook instemming was, was deze bewuste stilte in het heetst van de razernij een observatie van hetgeen wat er gebeurt, terwijl het gebeurt. En hij merkte dat ik merkte wat hij deed. Wat er toen gebeurde was zo onverwacht voor mij.


Ik had me klaargemaakt om een uur of twee beledigingen te aanhoren, maar in de plaats daarvan ging mijn vader meteen naar boven, recht naar de zolderkamer waar mijn zus bleef. Dit was ook de kern van het schuldgevoel dat ik altijd heb meegedragen in mijn familie: als ik niet de bliksemafleider was, dan sloeg het elders in.


“Maar wie neemt het voor jou op?” vroeg slachtofferhulp aan me. Ik herinner me dat ik zo verbaasd was door de vraag dat ik niet eens kon antwoorden. Nog niemand had me de vraag ooit gesteld, wetende van de situatie.


Ooit had ik het CLB laten weten, toen ik 14 was, dat ik niet kon studeren door het aanhoudende geroep en de scherven en de stukken en de eindeloze beledigingen tussen de wittebroodsweken van mijn ouders door. Dat het simpelweg niet lukte in zo’n omgeving, zei ik. Nu weet ik dat ik door mijn autismespectrumstoornis niet de filter had om deze situatie tussen mijn ouders uit te schakelen om mij te focussen op het huiswerk en het thuiswerk van mijn leerstof. Mijn leerkracht latijn belde mijn ouders, en vroeg hen naar deze "moeilijke thuissituatie", waarna - in een uitzonderlijk moment van eensgezindheid - ze mij gezamenlijk zwaar hebben gestraft.


“Hoe durf je ons af te schilderen als slechte ouders!”


De suïcidale berichten die mijn zus ondertussen over heel haar kamer op de muren had geschreven, negeerden ze evenwel ook. De oplossing daarvoor was een nieuw likje verf eroverheen. Hetzelfde zouden ze met mij doen. Niet met een likje verf, maar door mij te verplichten te lachen op de foto's en daarna naar de foto’s te verwijzen als bewijs dat we toch zo gelukkig zijn  - alle erkenning van hun disfunctie waaronder ik als autist onder leed werd afgestraft als 'negativiteit'. Maar in mijn herinnering blijft de inkt op de muur van mijn zus nog vers.


“Als ik sterker was”, zo had mijn zus mij verteld toen ze 16-17 jaar was, “Had ik het allang gedaan.”


Laat het komen om het te laten gaan


Dat moment, het moment dat ik wat ik had geleerd uit de filosofie van het Boeddhisme voor het eerst had toegepast in mijn leven, zal ik nooit meer vergeten. Mijn leergierigheid en honger naar filosofie was na dat moment opengebroken. Het was de simpele kracht van vrede, stilte en geduld, de actie in non-actie dat de doorslag gaf.


Pas vele jaren later, wanneer ik echt afstand kon nemen van de situatie. Wanneer ik de pijn en de horror echt kon toelaten in een omgeving waar ik me veilig voelde, dan pas kon ik een mentale ruimte creëren tussen wat er was gebeurd en mezelf. En vanuit die afstand, voorbij restanten van overlevingszin die opkomen bij de herinneringen, kon ik onder ogen komen, vergeven en trachten te vergeten.


Het is pas nu dat ik dit alles kan schrijven, zonder de pijn opnieuw te beleven.


Ik weet wat ik nu waard ben, op 32 jaar, na een lange strijd. Ik weet nu wat ik erbij kan nemen en wat niet. Ik ken mijn grenzen. Ik weet dat ik er redenen voor heb en daarvoor heb ik moeten knokken. Ik moet voor niemand aantonen of het stellen van mijn grenzen al dan niet gegrond is. Je kan van mij genieten zoals ik me gewillig aanbied, net zoals ik van iedere vriendschap en liefde geniet zoals zij kiezen die te delen met mij. De rol die ik vroeger moest spelen om een situatie te overleven, neem ik niet meer op. Mijn goedlachsheid, mijn positiviteit, mijn geduld, vrede en humor is een keuze geweest, geen vanzelfsprekendheid.


Wie mij kent is bewust dat afstand nemen ook deel is van die catalogus.


Op vergeving staan geen condities. Iemand vergeven is een diep persoonlijke zaak, en zoals alle diep persoonlijke zaken deel ik ze enkel met wie ik een diep persoonlijke band heb, bij wie ik me goed voel. Voor mezelf weet ik dat mijn grootste uitdagingen mij de grootste kracht hebben gegeven, maar dat was pas zo wanneer ik ook actief een licht zocht aan de eind van de tunnel.


Mijn verhaal is verweven met mijn ervaringen. Ik kan niet uitleggen wie ik ben zonder te vertellen wat ik allemaal heb meegemaakt. Dit alles is vergeven, dit alles is in het verleden. Dit alles heb ik laten komen, om het los te laten. Dit alles heb ik laten komen om het te laten gaan.


24-07-2021








Punk/Sloeber/Dwaas


Streven naar een efficiënt leven


Een mannelijke man zijn is economisch efficiënt. Een vrouwelijke vrouw zijn is economisch efficiënt. Dit wilt niet zeggen dat mannelijke mannen en vrouwelijke vrouwen geen moeilijkheden hebben in het leven. Het wilt alleen zeggen dat hun genderidentiteit geen deel is van hun worstelingen. Een blanke mannelijke man zijn is economisch efficiënt. Een blanke vrouwelijke vrouw zijn is economisch efficiënt. Dit wilt niet zeggen dat blanke mannelijke mannen en blanke vrouwelijke vrouwen geen moeilijkheden hebben in het leven. Het wilt alleen zeggen dat hun huidskleur geen deel is van hun worstelingen. Een blanke heteroseksuele mannelijke man zijn is economisch efficiënt. Een blanke heteroseksuele vrouwelijke vrouw zijn is economisch efficiënt. Dit wilt niet zeggen dat blanke heteroseksuele mannelijke mannen en blanke heteroseksuele vrouwelijke vrouwen geen moeilijkheden hebben in het leven. Het wilt alleen zeggen dat hun geaardheid geen deel is van hun worstelingen. Een blanke, heteroseksuele mannelijke man van goeie komaf zijn is economisch efficiënt. Een blanke heteroseksuele vrouwelijke vrouw van goeie komaf zijn is economisch efficiënt. Dit wilt niet zeggen dat blanke, heteroseksuele mannelijke mannen van goeie komaf en blanke heteroseksuele vrouwelijke vrouwen van goeie komaf geen moeilijkheden hebben in het leven. Het wilt alleen zeggen dat hun komaf geen deel is van hun worstelingen.


Het is een wet in de fysica: hoe minder weerstand, hoe verder je geraakt.

Het is een wet in de economie: hoe efficiënter, hoe meer winst.


Wie de correcte genderidentiteit, geaardheid, huidskleur en komaf heeft, beschikt over een groot economisch voordeel.


De wet van de economie zegt: geef uw voordeel niet weg, want dan is het niet langer een voordeel.

Het is het onevenwicht dat uw waarde bepaalt.


Een efficiënt leven bouwen vereist een economisch sterke basis daarvoor. De wetten van de markt zijn toegespitst om de grootste aantal klanten te vinden. Economische efficiëntie is toegespitst op de grote meerderheid.


Toch deel van een minderheid? Probeer volgende maatregelen:


Assimileer de correcte genderidentiteit voor grotere efficiëntie.

Assimileer de correcte huidskleur voor grotere efficiëntie.

Assimileer de correcte geaardheid voor grotere efficiëntie.

Assimileer de correcte gevoeligheden van geldbeheer voor grotere efficiëntie.


Verminder weerstand, geraakt verder, verhoog winst.



Punk


Een vertaling van sloeber in het Engels is Punk.


Een punk kijkt naar de hoepels en zegt:


“Waarom zou ik springen? Het parcours is gemaakt voor iemand anders.”


Het antwoord:


“Hoe Dwaas kan je zijn om geen efficiënt leven te willen.”


De punk zegt:


“Er is niets efficiënt aan iemand te proberen worden die ik niet ben.”


Het antwoord:


“Hoe Dwaas kan je zijn te denken dat je kan ontsnappen aan economie.”


De punk:


“Hoe leeg is het om te denken dat de economie je kan vertellen wie je bent.”


Het antwoord: “


Wat maakt deze obsessie met wie je bent uit?”


De punk:


“Dat zegt alleen maar iemand voor wie jezelf zijn nooit een probleem is geweest.”


04-08-2021




Dan blijft hij op uw schouder zitten


Er is altijd een lichtpunt


Mijn kindertijd was gekenmerkt door discussie en ruzie en een eindeloze gevoel van spanning wat op elk moment kon omslaan in agressie. Was er een lichtpunt? Zeker en vast! Mijn ouders stonden allebei compléét achter hun woorden – zelfs al waren ze fout! De fouten werden ook ge-owned - zij het na een urenlange uitputtingsslag die meer draaide om ego en dominantie dan iets anders de dag nadien – wanneer de rust en stilte voorlopig was teruggekeerd.


Mijn kindertijd was gekenmerkt door het idee: iedereen mag achter zijn eigen mening staan en mag ervoor vechten – we kunnen altijd van elkaar begrijpen waarom. (Vergeving en respect voor persoonlijke ruimte en grenzen was een andere zaak zoals je kan lezen in verdere hoofdstukken…)


Dit heeft mij zo sterk gevormd tot de persoon die ik nu ben! De angst om fout te zijn heeft me nooit weerhouden mijn gedacht te vertellen. Je bent te hevig! Je bent te agressief! Dit is wat ik vaak hoor wanneer ik spreek over hetgeen me passioneert, als een sterk overtuigde dwaas – wat verwacht je van iemand die als kind een constante stroom van discussies en ruzies over elk klein ding beschouwt als dagelijkse kost?


Voor alle duidelijkheid, zelfs al weet ik waar het vandaan komt, ik beschouw mezelf niet als te hevig of te agressief, maar als krachtig en gepassioneerd. Mijn kindertijd heeft me zo gemaakt dat ik graag hevig bén en enorm verveeld geraak als het gesprek niet uitdagend is – smalltalk is een onmogelijkheid voor mij door mijn ASS. Oftewel met het Filipijnse / Spaanse / Chinese bloed aan moeders zijde. Mijn nood om de wortel ervan te achterhalen is niet zo acuut meer sinds ik niet van plan ben die uit te trekken.


Het is pas wanneer ik ging studeren, wanneer ik uit de middelbare school trad, wanneer ik uit het ondertussen officieel geschrapte meetjesland stapte, dat ik iets vreemd merkte: mensen die discussiëren en dingen in vraag stellen zonder zelf achter hun woorden te staan. Dit was zo buitenaards voor mij, dat ik er een diepe fascinatie voor ontwikkelde. Ik leerde hoe langer hoe meer dat mensen tijdens mijn studie – vaak terecht, maar even vaak ook onterecht – soms dingen en concepten, maar veel vaker mensen, in vraag stelden door aannames en vooroordelen van andere mensen te gebruiken. Omdat ik het niet kon begrijpen en het zo tegen mijn aard en mijn opvoeding was ging mijn alarm-systeem in eerste instantie niet aan staan, tot ik merkte dat men mij als naïef ging bestempelen doordat ik mezelf steeds kwetsbaar opstelde.


Lees: steeds zeggen wat je echt vindt. Na mijn achttiende leerde ik hoe langer hoe meer dat mensen deze kant graag afschermen en vervolgens graag misbruik maken van de mensen dit dat niet doen. Voor authentieke mensen van die prille leeftijd aan de rand van volwassenheid, wil ik even duidelijk maken hoe je de advocaat van de Duivel herkent. Ze zullen een heel betoog maken op iets wat je terloops of minder terloops vertelt, maar in plaats van te luisteren naar jouw weerwoord, wordt het betoog afgesloten met:


“Maar ik weet het niet, hé.”


Het gevoel dat je dan zal krijgen is onmacht, en je zal je hart een beetje voelen krimpen. Dit is jouw lichaam die je vertelt dat je te open stond rond iemand die geen respect heeft voor openheid- ongeacht of je iets compleet dwaas aan het vertellen was of niet. Je kan namelijk geen weerwoord bieden aan een tweedehandsmening.


Vagevuur


Met de diepe, sensuele stem van Jambers zocht mijn gefascineerde en onderzoekende geest naar het begrijpen, zoals mijn ouders het onbegrijpelijke in elkaar steeds probeerden te begrijpen - of zo dacht ik al kind althans. Wat verleidt de mensen? Wat is het voordeel van wie het spel van de duivel speelt? Is het dat de advocaten zich ongeschonden kunnen opstellen terwijl de ander voor de denkbeeldige jury staat? Merken ze niet dat de Duivel niet verdwijnt na het verhoor en knaagt aan het geweten van de advocaat? Is er echte bevrediging uit het weerleggen van mensen hun waarheid, met woorden waar je zelf niet achter durft staan? Wat doet het met het gevoel van eigenheid, steeds andermans woorden over de tong laten rollen, zonder een eigen mening te vocaliseren? Is de verleiding om de boodschap van mensen in twijfel te kunnen trekken, zonder zelf achter hun eigen woorden te moeten staan zo aanlokkelijk - omdat de duivel deze taak voor het anders zo tere zieltje opneemt?


Nooit zomaar alles van iemand aannemen, dat is uiteraard ieders recht! Maar door in constante advocaat-modus te zitten, trekken ze tegelijk vriend en vijand op hetzelfde niveau van twijfel. Vriendschappen kunnen niet bestaan in deze duivelse twijfelzone, of toch althans niet vriendschappen die steunen op onderling vertrouwen. Elkaar beter leren kennen, een onmogelijkheid voor wie zich verbergt achter andermans woorden.


Na een tijd vriend en vijand steeds op hetzelfde niveau trekken, blijft dan niet de ervaring van een diepe vertrouwensrelatie onverkend en dus... onbekend? Een leegte groeit in het hart waar de warmte zou moeten zijn van mensen die begrijpen wat je bedoelt in plaats van jou af te rekenen op wat je zegt. De advocaten blijven achter in een soort van vagevuur waarin ze zichzelf noch iemand anders nog op hun woord kunnen vertrouwen.


De duivel slaagt erin de advocaat te de grootste les van allemaal te laten vergeten: dat als je trouw bent aan jezelf, je van mensen kan leren, in plaats van met ze te strijden.


Ik ben liever fout in mijn eigen woorden, dan juist en correct volgens iemands anders woorden – en al zeker denkbeeldige entiteiten. Wie zich daarachter verbergt puur en alleen om tegen te kunnen spreken, zal snel merken dat deze denkbeeldige entiteiten (van welke aard van ook) waarop je steunt voor het maken van beslissingen en het vormen van ideeën al snel úit de denkbeeldige wereld stappen: ze beginnen jouw realiteit te vormen.


Meteen wordt duidelijk waarom sinds mensenheugenis zoveel belang wordt gehecht aan de totem en de fetisj. Nodig de Duivel genoeg uit om zijn advocaat te spelen, en hij blijft op je schouder zitten. 


De ruimte om iemand anders voor je te laten spreken


Het is geen raketwetenschap waar deze neiging vandaan komt. Als je deel bent van de meerderheid, kan je inspelen op het alomtegenwoordige positieve beeld dat bestaat vàn de meerderheid. Als je geen deel bent van de meerderheid, dan kan je alleen spreken uit je eigen ervaring, want je spreekt over iets wat… letterlijk niet zal zitten in de dagelijkse ervaring van de meerderheid!


Om mee te kunnen spreken met mensen die hun leven hebben moeten spenderen als deel van een minderheid en dus een minderheidservaring hebben, wordt de advocaat van de duivel vaak ingeschakeld om ze toch op hun plek te wijzen. Waarom? Om te kunnen oordelen zonder in onze schoenen te hebben gestaan.


De vechter in mij worstelt en stribbelt tegen.

De punk in mij is te sterk om te conformeren.

Of komt de weerstand daartegen simpelweg uit het weten wie je bent vooraleer je weet wie je zou móeten zijn?


Alles samen.


07-08-2021


Cogito ergo sum / jezelf bewijzen om te mogen bestaan



Cogito ergo sum / ik denk dus ik ben. Lange tijd was ik het niet eens met Descartes omdat het denken misschien wel bewijst dat ik “ben”, maar dat lang niet de enige aanwijzing was voor mezelf dat ik besta - tal van ervaringen en gevoelens gaven mij het gevoel dat… ik leef! Zodus toen ik als tiener over deze stelling leerde, wrong dat met iets in mij. Het ding was vooral dat ik er mij niet goed bij voelde (inderdaad voelde) van het “moeten bewijzen” van de hele zaak. Is het zo dat alleen maar dingen die je kan bewijzen echt bestaan, dingen waar je een bewijs van overhoudt echt gebeurd zijn? Er zat een geurtje aan de hele zaak voor mij.


Natuurlijk, het wetenschappelijke kader waarvan Descartes street-cred leende was de onwrikbare en stralende goddelijke status van de wiskunde. Zoals iedereen weet, tellen alleen bewezen bewijzen mee in verdere redeneringen. Het bewijs moet er staan vooraleer er verdere berekeningen gemaakt kunnen worden. Dat is wiskunde. Gevoelens tellen niet mee uiteraard, zij kennen er geen representatie - hoewel mijn leerkrachten wiskunde tot vervelens toe herhaalden dat wiskunde wel degelijk een taal is. Ik wil het gerust aannemen, alleen vind ik het een triestige taal, want alle gevoelens over wiskunde, zelfs de liefde voor wiskunde is helaas voor wiskundigen niet uit de drukken in hun favoriete vorm van wetenschap.


Zodus wanneer Descartes met zijn wiskundig koude stelling “ik denk dus ik ben” af kwam, sprak hij over een “zijn” zonder gevoel - een stelling zo onweerlegbaar, onwrikbaar en finaal als een dodenmasker. In de tijd van Descartes was denken over het zijn zonder een gedeeld denkkader met voldoende autoriteit, niets meer dan poëzie. Descartes zal zo obsessief geworden zijn in zijn denken over “het zijn”, dat hij weigerde om zijn allesverorberende denkwerk daarover te laten afwimpelen als een amusante fantasie (I sympathise). Zodus, volgens de structuur van de wiskunde en trouw aan de tijdsgeest van vierhonderd jaar terug werden alle gevoelens geschrapt en hij bracht een explosieve denkrevolutie teweeg: een wiskundige aanpak van ons eigen bestaan, mogelijk gemaakt door onze gevoelens buiten beschouwing te laten.


Zoals het gaat met alle dogma’s: hoe langer, hoe nauwer de interpretatie ervan, generatie op generatie. Zo kom ik vandaag het over het algemeen tegen dat mensen Descartes zijn stelling beleven als: “ik ben mijn gedachten” of zelfs “ik ben niets meer dan mijn gedachten” - een claustrofobische manier van met jezelf door het leven te gaan! Zeker sinds gedachten de evolutionaire neiging hebben obsessief te worden en constant in herhaling vallen als veiligheidsmechanisme. Maar als denken voorwaardelijk is voor je gevoel van bestaan, wat gebeurt er met je als… je je gedachten leeg maakt?


Is dat niet exact hetgeen wat de hele mindfulnessbeweging nu zo populair maakt? En ook vóór deze commerciële hype hier ook al eeuwen gekend was als het idee van vrede door gebed (mantra-meditatie)? Het concept van echt eens de gedachten los te laten en weten dat je aanwezig bent, zonder te denken dat je aanwezig bent. Het is een ander soort weten, dat niet overwogen moet worden, zoals het weten dat je hart klopt of weten dat je ademt.


Hetgeen je weet zonder denken, dat is bewustzijn. Gedachten beperken bewustzijn, vernauwen bewust zijn tot uitsluitend hetgeen waar je op focust. Contra-intuïtief voor het idee dat alleen kennis de geest verruimd, is hetgeen bewustzijn uitbreidt vrede en stilte. Deze procesloze uitbreiding zonder moeite of inspanning, simpelweg door het zijn een te laten worden met de vrede en de stilte, is wat in een lettergreep is gekend als “Zen”, de term waarmee nu vooral naar sauna’s en massagebehandelingen wordt verwezen. Extase was er een ander woord voor, wat na een Google image Search eeuwenoude beelden oplevert van Rubens, Carravagio, Michelangelo en Bernini in hun tijdloze beeldhouwwerken en schilderijen.


Durf nog dieper in meditatie gaan en je kan merken dat bewustzijn gedeeld kan worden. Twee kaarsen die naast elkaar branden in een donkere kamer; hun licht smelt samen, terwijl de vlammen apart blijven bestaan. Eindeloos veel verder kan het gaan, ook naar het gedeelde onderbewustzijn waar Carl Jung over schreef - de man die samen met Freud met opgestroopte mouwen aan de grote opkuis begon van de door Descartes koude bewijsvoering verdrongen emotie-ophoping in het westen met hun psychoanalytische methode - een onderbewustzijn onder het onderbewustzijn: een onvatbare ruimte van onuitgewerkt en onafgetoetst potentieel, wat in de bekende natuurreligie al duizenden jaren bekend staat als de Tao.


Draag geest en ziel als één met je mee,

Kan je deze wel ontsplitsen?

Zodanig bewust van levensadem in fijngevoeligheid,

Kan je het innerlijk kind wel vinden?

Was de donkere gedachten weg,

Kan je wel zonder de vlekken?


[...]


載營魄抱一,

能無離乎?

專氣致柔,

能嬰兒乎?

滌除玄覽,

能無疵乎?


(Eigen vertaling uit "Wat Laozi allemaal zei: de Daodejing voor leken zoals wij")



En zo is meditatie in staat je van “gedachten” te doen veranderen eens je er terug uit komt, zoals het ook verrassend genoeg bij mij het geval was over die ene vervelende stelling van Descartes, cogito ergo sum. Het antwoord op mijn worsteling ermee -zo besefte ik ineens omdat ik voelde dat ik het plots kon plaatsen en bijgevolg er vrede mee had - komt uit de meest onverwachte plek wat ik sinds mijn schooljaren ver had opgeborgen in de vergeten krochten van mijn brein: grammatica en syntaxis.


Wat is namelijk het persoonlijk voornaamwoord dat correspondeert met “sum”?


Ego.


12-08-2021


De voorwaarden van overeenkomen

 

Denken over wie iemand anders al dan niet denkt te menen wie ze zijn


Wie denkt hij wel dat hij is / Wie denkt zij wel dat zij is – Mijn enige vraag bij het horen van zo’n uitspraken naar mezelf of anderen gericht is: kan er ooit iemand meer weten wie je bent dan jezelf? Kan er iemand levenslessen in jouw plaats leren? Kan er iemand ooit in jouw schoenen staan?


Ik hoorde niet zo lang geleden van een tot dan toe goede vriend van mezelf, N., dat “als jij over straat loopt en je neemt de hand vast van je partner, dit toch ook een slag in het gezicht is van homohaters. Om te zien dat jullie als twee mannen een koppel zijn, is voor hen net als een emmer met ijs dat jullie over hun hoofd uitgieten. Is dat dan geen vorm van uitlokking, een vorm van disrespect?”


Hijzelf kent geen persoonlijke ervaring van hetgeen hij wilt bespreken. Hij was een homohater noch een homoseksueel. Tot mijn afgrijzen, gezien ik dacht in goed vertrouwen dat hij mijn vele ervaringen die ik tijdens onze jarenlange vriendschap toch zou respecteren, nam hij zelfs in dit gesprek in mijn eigen thuis - zoals zijn gewoonte was - tweedehandservaringen in de mond om mee te kunnen discussiëren in iemand anders plaats. Hij had het persoonlijk opgenomen toen ik eerlijk antwoorde op zijn vraag een aantal weken eerder: denk je dat mijn grapjes over homo’s en janetten die ik vroeger maakte mijn broer misschien pijn hebben gedaan? Mijn antwoord:


“Ja.”


Zodus vooraleer hij luisterde naar wat mijn ervaring was met homohaat, had hij al een standpunt ingenomen – namelijk dat simpelweg onszelf zijn als homoseksueel koppel (een identiteit waarmee je wordt geboren) voor homohaters (een socio-politieke keuze) een belediging is. Hij stelde het persoonlijke basisrecht om liefde uit te drukken gelijk aan de artificiële privilege om aanstoot te nemen aan andermans gevoelens.


Het zal de lezer niet verbazen dat de vriendschap niet lang meer heeft stand gehouden na een proeflezing van mijn sprookjesverhaal rond openlijk leven met je genderidentiteit en seksualiteit.   


Die/hen/hun; Geen logica in persoonlijke voornaamwoorden


Ik merk dat er de neiging bestaat naar een onweerlegbare logica bij mensen die ernaar snakken om onweerlegbaar te zijn. Mensen die vooral snakken naar zichzelf zijn, weten dat dat ooit is begonnen met een gevoel – de aartsvijand van koude rationele logica.


Hoe kan iemand ooit ontdekken dat ze homoseksueel zijn, biseksueel zijn, transgender zijn of op alle en elke andere manieren anders zijn? Dat alles is gestart bij een gevoel! Oftewel het duidelijke gevoel dat opkomt en botst met hetgeen wat van je wordt verwacht (bijvoorbeeld om als man aangetrokken te zijn tot vrouwen) wat direct een alarmsignaal doet afgaan – of in meer en meer gevallen kinderen die de ruimte hebben om te zeggen: ‘maar ik voel me helemaal geen meisje’ of ‘ik voel me helemaal geen jongen’ zodra ze beseffen dat iedereen om hen heen hen constant zo benoemt terwijl ze zich niet zo voelen.


Dit vereist natuurlijk ouders die de gevoelens in hun kinderen respecteren boven hun pure anatomische waarde.


Natuurlijk, als je geboren bent met een geslacht die meteen overeenkomt met jouw gender, én je hebt een seksualiteit die overeenkomt met de man-vrouw norm, dan heb je zoals vele anderen de jackpot en heet dat gevoel waar ik over spreek simpelweg spontaan jezelf zijn. Elke Pride-manifestatie van hier in Antwerpen en Brussel tot in Boedapest tot in Shanghai is de grootste jaarlijkse publieke punk-optreden dat pijn doet aan de ogen, pijn doet in de oren, pijn doet in de tere zieltjes van zij die vanuit de norm beter dan onszelf weten wie we zijn in een nu nog aanhoudende manifestatie van het idee van David Bowie’s “Dancing in the streets”, simpelweg om hetzelfde recht om spontaan jezelf te zijn.


Dit vereist natuurlijk een overheid die de gevoelens van hun burgers respecteren boven hun pure economische waarde.


“Ik heb niets tegen homo’s, is dat alleen zo nodig dat ze rondlopen in de straten met pluimen in hun gat ieder jaar?” zo zei mijn schoonmoeder A. tegen mijn partner kortgeleden, vooraleer ze de band met hem brak omdat zij en haar twintig jaar oudere man stonden op hun “vrije meningsuiting” om steeds homofilie en pedofilie te linken. Omdat mijn partner dit wou aankaarten – het ging uiteindelijk om de identiteit van hun eigen zoon – werd hij afgemaakt als koppige ruziemaker waarbij duidelijk werd gesteld dat “Iedereen weet toch dat alle homo’s in priesterschap gingen en alle lesbiennes in het klooster en het net daarom is dat er zoveel pedofielen in de kerk zijn?”


Wanneer mijn partner erop wees dat het niet is omdat zij altijd als blanke heteroseksuele mensen van goede komaf deel waren van de meerderheid, het daarom onmogelijk is dat hun zoon deel is van een minderheid. “Ik ben deel van die minderheid, snappen jullie dat niet?” Zijn vader H. keek zijn zoon niet meer aan in deze tweede keer dat hij de band met zijn zoon brak.


Voor mijzelf was de relatie al eerder compleet verzuurd en heb ik me van hen gedistantieerd bij de uitspraak van mijn schoonmoeder A. een aantal jaar eerder in 2015 met haar fameuze woorden: “Ik haat moslims.” De reden was omdat ze alle goede plaatsen in de cafetaria van de Ikea innemen, gesproken met een pathetische heimwee naar de Zuid-Afrikaanse apartheid van het tijdperk pre-Mandela.


Een gelinkte ervaring die meteen opkomt is ook de blonde vriendin K. van bovenstaand vermelde N. die kon niet ophouden met pedofiele grapjes te maken wanneer ik en mijn partner in de buurt waren – ik weet uiteraard niet als ze deze grapjes ook maakt bij heteroseksuele koppels, maar de realiteit van onze ervaring met haar is hoe meer oncomfortabel we ons rond haar voelden met die smakeloze en aanstootgevende grapjes (en ik in de hand van mijn partner kneep) zij er nog meer begon te maken tot N. een gezicht naar haar maakte waarna ze ophield en naar haar schoot keek in stilte.


Het was ook diezelfde blondine die in een andere conversatie op de voorgrond kwam met een oncomfortabele curiositeit bij het horen dat mijn partner wisselend naar mij verwees met zowel hij als zij. Lachend zei ze: “Zeg je altijd zij of haar?” Ze kon duidelijk niet de rationele logica van persoonlijke voornaamwoorden begrijpen, omdat die er simpelweg niet is.


Niet de logica, maar het gevoel is de rechtvaardiging van het geven van je eigen persoonlijke voornaamwoorden.


Dit vereist natuurlijk dat je de gevoelens van je medemens meer respecteert dan hun anatomie.


De gustibus et coloribus non disputandum est


Schoonzus H. in benoemde vaak in conversaties haar collega’s als chef de cabine bij een vliegtuigmaatschappij of de bediendes op hotels met donkere huidskleur als “Black beauty’s”, verwijzend naar het televisieprogramma over het zwarte paard dat vroeger onder andere werd uitgezonden op Ketnet. Ze sprak dit uit met dezelfde affectie als voor paarden op een manege met bijhorende gebaren van de hand. Schoonmoeder A. en schoonvader H. lachten steeds hartelijk mee terwijl ze nog een speculooskoek dopten in de koffie en vroegen naar andere ‘opmerkelijkheden’ die ze al dan niet gezien heeft aan de andere kant van de wereld. Dit soort lachen herken ik bij de aangetrouwde mannen in mijn familie die lachten met de ringtone van de intussen gescheiden onkel R. die begon met het oproep tot gebed van een minaret dat overgaat tot het geluid van ontploffingen en machinegeweren. Of het kakelend lachen van mijn dooppeter P. die mij als kleuter vroeg waarom mijn zus wel zo bruin was en met de absurde verklaring die ik er als kind aan kon geven begon te schaterlachen waarna hij dit begon te delen met mijn tantes en onkels in mijn grootmoeders huis, terwijl ik er als kind niet eens zelf bij stil stond dat haar huidskleur kon betekenen dat zij een andere vader zou kunnen hebben dan mij. Hilarisch.


Een winkelbediende in Brantano weigerde mijn moeder haar kredietkaart terug te geven nadat ze ermee had proberen betalen en vernederde haar voor de hele rij andere klanten die achter haar aan het wachten waren om afgerekend te worden door haar te vragen of dat wel háár kaart was – omdat ze een bruine huidskleur had (toendertijd in de jaren ’90 begin jaren 2000 een zeldzaam fenomeen in het landelijke Meetjesland) zou het best kunnen dat ze die had gestolen. Mijn moeder vroeg de kaart terug – de reden dat de kaart niet werkte was omdat het op zijn limiet stond, maar de winkelbediende gaf geen kik. Ze nam een schaar, knipte de kredietkaart in twee voor haar ogen en zette de schoenen die ze voor haarzelf en voor ons urenlang had zitten uitkiezen, weg achter de kassa zonder de mogelijkheid op een andere manier te betalen. Niemand in de rij klanten achter haar, noch de winkelbediende die haar evenzeer zuur aankeek alsof ze een misdaad had begaan, schoot haar te hulp of gaf haar het voordeel van de twijfel. Ze kwam thuis met ons, zonder nieuwe schoenen en nadat ze het verhaal aan mijn vader had gedaan vroeg ze hem om de dingen daar recht te zetten. Ze kon het niet verdragen gezien te worden als een crimineel wanneer ze nog eens schoenen zou willen kopen. Mijn vader zag er het nut niet van in – als ze zo denken, dan denken ze zo… daar valt niet veel aan te doen, was zijn filosofie. Om de integriteit van zijn vrouw te gaan verdedigen (wat hij daarna wel poogde te doen door de winkelbediendes te gaan informeren dat het wel degelijk zijn kredietkaart was) zag hij de graten niet van in, niet in het minst omdat hij er zelf allerminst respect voor had. Mijn moeder ging steeds verder door het leven met eindeloze opmerkingen over hoe “goed haar Nederlands” wel was en eindeloze seksgrappen binnen en buiten de familie (zodanig dat mijn nicht K.C. op de bus samen op reis de mannen in de familie een “bende oversekste papa’s” noemde, tot groot ongenoegen van mijn vader), familie aan vader’s kan die haar Filipijnse gerechten bestempelen als “vreten” aan tafel waar ik het kan horen; en dit alles uiteraard naast dit indringende idee dat ze geen ‘eigen geld’ zou kunnen bezitten, zoals de winkelbedienden in Brantano die hun winkelmotto eer aan deden:


“Telkens je komt, sta je verstomd.”


Dit Brantano credo is vreemd genoeg exact, maar dan ook exact mijn reactie wanneer ik te maken heb met dit racisme als discriminerende smaak en voorkeur waarover wordt gesproken zoals over het kiezen tussen de laatste nieuwe modellen van Mercedes-Benz: de reactie van verstomming. Ik kon niet langer spreken met mijn schoonouders over hoe moslims niet allemaal terroristen zijn, ik kon niet langer spreken met mijn vriend over hoe een een liefdesintentie geen uitlokking is van haat, ik kon niet langer spreken met mijn oom die geregeld zijn kind en vrouw mishandelde dat zijn ringtone ongepast was, ik kon niet langer spreken met de schooljuffrouw die letterlijk bleef doorgaan over die ene leerling met de zwarte huidskleur in haar klas. Ik ben zodanig met verstomming geslagen dat er niets meer uit kan komen. Wanneer het er zodanig over gaat en ik merk dat de moeite die ik erin heb gestoken mezelf duidelijk te maken doorgespoeld wordt door de denkbeeldige WC, dan weet ik dat er voorwaardes van overeenkomen waren, en dat ze unilateraal waren, eenzijdig, eenrichtingsverkeer. Het is precies alsof mijn moeder haarzelf beter zou voelen als de winkelbediende bij wijze van verontschuldiging met een foto van haar zou rondgaan in de rij klanten bij wie ze haar voor schut had gezet met de opmerking: "Maar haar Nederlands is wel zo goed!" Of je kan haar een beauty noemen, een black beauty om de 'plooien terug glad te strijken'. Denk je dat ze haar beter zou voelen over de discriminatie die ze elke dag moet verdragen zodra een stap buitenshuis zet? Mijn moeder moest haarzelf misschien noodgedwongen neerleggen bij dit eenrichtingsverkeer, maar ik allerminst.


The world is but one country and mankind its citizens


"Ben jij moslim? Mijn mama zegt dat jij moslim bent."


Zo vroegen mijn zesjarige klasgenootjes mij na onze eerste communie samen. Op dat moment wist ik niet wat dat woord precies betekende, maar voelde de betekenis ervan omdat ik door mijn vriendjes ineens werd buitengesloten voor een tijd. Nog geen 6 jaar nadat ik in Gent uit mijn moeder ben gesneden geweest bij wijze van keizersnede en ik moest al zaken gaan verantwoorden waarvan ik de contradictie zelf niet begreep. Hoe kon ik moslim zijn en mijn eerste communie tegelijk hebben afgelegd? Het enige wat ik op die leeftijd ervan begreep is dat dit woord verwees naar een of andere ziekte waar ik sinds kort mee besmet was, gezien mijn vriendjes mij in de steek lieten om redenen die ze zelf niet begrepen.


Dit was de oorzaak: mijn moeder had het volgende op mijn communiekaart laten zetten:


"The world is but one country and mankind its citizens"

- Bahá’u’lláh


Zelfs na de dagelijkse discriminatie op een bedje van beleefde complimenten, geloofde ze ontegensprekelijk in de mensheid als eenheid waarin iedereen gelijk was - zelfs al was dit niet haar directe leefwereld. En zodus bracht ze de kern van haar geloof in een eerste plaatsvervangende daad van rebellie tegen haar dagelijkse portie racisme, via mijn communiekaartje de wereld in.


Volgens haar geloof, het Bahá’ísme, zijn alle religies waar en spreken ze elkaar niet tegen. Abraham, Krishna, Zoroaster, Moses, Buddha, Jesus, Muhammad en ook de stichter van het Bahá’ísme, Bahá’u’lláh, al hun filosofieën kunnen samen met elkaar bestaan, versterken elkaar, spreken in essentie over hetzelfde: een wereld, een mensheid. Er is wijsheid te vinden in elke filosofie, zonder dat het de andere moet uitsluiten - niet direct de boodschap van de catecheseles die ik ieder weekend moest volgen.


Niet alleen liet mijn moeder de boodschap in het Engels drukken op het kaartje (tot de geboorte van mijn broer sprak ze Engels met mij en mijn zus omdat ze nog niet genoeg zelfvertrouwen had in haar Nederlands) wat op zichzelf al een hindernis was voor de gemiddelde communiekaartjeslezer in het jaar 1995, maar zette er uitdrukkelijk ook de exotische Iraanse naam Bahá’u’lláh erbij. Dit was een gigantische controverse voor onze parochie die communiekaartjes gewoon waren met korte gedichtjes over bloemen, koeien of fietsen (de meest voorkomende elementen in de natuurlijke habitat van een Meetjeslander). Een waar mijn vader niet per se blijer van werd.


De juffrouwen en meesters van mijn (jongens-)school vroegen mij hetgeen voor te lezen wat op het kaartje stond om te testen of ik wel begreep wat erop stond. Ze vroegen mij wat het betekende, wie die persoon was die het had uitgesproken. Mijn moeder had me hier niet deftig op kunnen voorbereiden. Het kaartje kon ik natuurlijk zonder problemen aflezen, maar wie Bahá’u’lláh was, kon ik niet uitleggen en al zeker niet watzijn leer op een katholiek kaartje deed.


De juffrouw uit het eerste leerjaar, juffrouw M., ik zal het nooit vergeten, was compleet in de wolken met mijn communiekaartje en sprak sindsdien vaak Engels met me in de klas. Maar om redenen die ik nooit zal weten, heeft mijn moeder daarna niet meer met mij gesproken over haar geloof noch met mijn broer of zus. Complete stilte. Alleen vroeg ze af en toe aan ons of we toch wel geloofden in God. Mijn vader had haar weerhouden haar actief haar geloof te beleven en gezien het katholicisme geen contradictie was met haar geloof, liet ze ons dat verwachte/normale traject afleggen. Gelukkig leren kinderen vooral uit voorbeeld en niet uit het van buiten leren van regels. Zonder woorden heeft ze haar waarden doorgegeven aan haar kinderen, simpelweg door haar waarden te beleven: volharding, zelfopoffering, compassie, vuur en humor. Zij wist wel wie ze was, ondanks het constante moeten verduren wie anderen vonden dat zij was, zonder een dag in haar schoenen te hebben gestaan. Het was ook de eerste stap van het donker pad waarop ze zou verdergaan: haar rebellie op mijn schouders leggen.


HIJ zal wel zijn redenen hebben / Wie denkt ZIJ wel dat ze is


Wie denkt ze wel dat ze is / hij zal wel zijn redenen hebben. De grens tussen die twee uitspraken kon ik als kind identificeren en op de dag van vandaag nog steeds aan de hand van de huidskleur van mijn ouders: moeder bruin, vader blank. Wie denkt ze wel dat ze is dat ze haar man zo controleert? / Hij zal wel zijn redenen hebben dat hij haar slaat.


Het is tegelijk ook de grens tussen wanneer ik mijn spontane zelf openlijk beleef en wanneer ik conformeer.


Toen ik als tiener buiten mijn vrienden zo weinig mogelijk sprak en zo weinig mogelijk bewoog om mijn seksualiteit niet te verraden en mijn woede ternauwernood binnenhield – dan werd mijn slecht gedrag ervaren als hij zal wel zijn redenen hebben. Wanneer ik als volwassen mens mijn leven en liefde uitdruk met respect voor de vrouwelijke kant in mezelf evenzeer als de mannelijke – dan krijg ik te maken met de uitspraak – Wie denkt hij wel dat hij is?




22-08-2021

 

 

Artificiële Intelligentie/ Misbruik als didactisch instrument / Schauvliege


Het was een andere tijd


Computers en robots die op den duur zodanig slim worden dat ze de mensheid overnemen. Vroeger een spannend griezelverhaal – vandaag voelt dit als iets onvermijdelijk, een nachtmerrie die werkelijkheid kan worden. Waarom voelt het als een nachtmerrie? Omdat computers en algoritmes genadeloos zijn, zonder compassie, koud, berekend, uitgerekend… mét de kracht om mensen schade te berokkenen én het ergste: we hangen er meer en meer van af.

Wil je mij vertellen dat er vandaag niet zulke robots rondlopen?


Ik kan met zekerheid uit ervaring zeggen dat er veel zulke robots rondlopen, die inderdaad genadeloos zijn, geen compassie hebben, koud zijn, berekend, uitgerekend met de kracht om mensen schade te berokkenen… Met andere woorden: misbruik maken van relaties. Zorgen dat mensen afhankelijk zijn van je en daarvan gebruik maken. Zodus, het nachtmerrie-aspect van het idee van een robot-overname heb ik zeer veel sympathie voor, want dat is zeker en vast een nachtmerrie.


Een schoonbroer T. - deel van een traditie die in Filipijnse vrouwen een platform ziet om exact zo’n machtsrelatie te stichten waarvan er vele (intussen gescheiden en minder gescheiden) voorbeelden zijn in mijn familie – maakte van fysiek geweld regelmatig gebruik om volgzaamheid te scheppen in zijn leefomgeving. Dit gebeurde vaak in volle zicht waardoor wij als familie die dit vaak zagen gebeuren voor onze ogen verplicht waren om oftewel onze ogen daarvoor te sluiten – zoals mijn vader deed met de woorden “het is zíjn familie” (alsof een man de mensen in zijn gezin ook werkelijk bezit) – oftewel dit aan te kaarten en aan te geven, zoals ik overheen de jaren heb gedaan. Hoe meer ik T. confronteerde en met de kinderen sprak hierover sinds 2013, hoe meer hij ging klagen hoe ik het ‘op hem gemunt had’ met mijn mening dat je kinderen niet constant hoeft te straffen en te slaan.


Het idee van schoonbroer T. - deel van de familie zonder iets aan de samenhorigheid bij te dragen - hield natuurlijk alleen stand als je vindt… dat je het recht hebt om kinderen te slaan als didactisch instrument, zoals hij het zelf ook had aangeleerd – vertelde hij me via SMS naar aanleiding van mijn protest van een topless foto van mijn neefje met shamebordje op sociale media. Het ligt in de traditie van “de goeie oude disciplinaire tik” tot het meer werd dan dat


Mijn vader vertelde vaak over hoe hij tijdens zijn opleiding leerkracht secundair onderwijs in avondschool achteraf vaak uitging in het Gentse in die “andere tijd” – dit zal eind jaren ’70 of begin jaren ’80 zijn – geweld sowieso al deel uitmaakte van de totaalbeleving. Als je gefrustreerd was met je werkgever of je leerkracht was het begrepen onder mannen bekend met het lokale cafécircuit, dat je op Taxi-Driver stijl simpelweg verklaart:


“Kijk je scheef naar mij?”


Zowel een positief als een negatief antwoord lokte een gevecht uit en tevens ook de kans om deze energie uit te werken op elkaar.


Is een bibliotheek intelligent?


Als ik vraag aan een stemgestuurde computersysteem om de tweede sonate van Bach te spelen, kunnen we dan zeggen dat de computer weet hoe Bach klinkt?

De computer is compleet in staat de partituren te reproduceren, weer te geven welke noten overeenkomen met welke frequenties die in het menselijk oor een bepaalde klank weergeven. Het kan de volgorde van de noten weergeven, het tempo aan geven, zelfs het hele stuk af spelen door de partituren te decoderen. Het kan analyses maken over het percentage dat Bach gebruikt maakt van een bepaald akkoord in zijn werken en deze gegevens zullen allemaal 100% correct zijn, op voorwaarde dat de gegevens die ingevoerd zijn geweest 100% correct zijn.


Zodus, kunnen we binnenkort op de gerenommeerde Elisabethwedstrijd alle juryleden vervangen door computers met ultragevoelige microfoons? Dit is een retorische vraag. Juryleden van muziekwedstrijden van allerlei aard luisteren uiteraard naar techniek, maar alleen techniek in dienst van… gevoel. Het meest indrukwekkende is techniek te overmeesteren en daarmee schitteren in het overbrengen van gevoel. Het tegenovergestelde is ook evenzeer indrukwekkend – technisch incapabel zijn en daar toch mee een sterk gevoel mee over te brengen. Het opslagen van gegevens (muziek, boeken, wetenschappelijke papers, films, gebruikersgegevens) creëert alleen maar een bibliotheek.


Heeft er ooit iemand naar een bibliotheek gebouw gekeken, of naar een kast vol boeken en gezegd:


“Deze verzameling boeken is duidelijk heel intelligent.”


Heeft er ooit iemand gekeken naar een diploma en gezegd:


“Dit stuk papier is duidelijk zeer intelligent.”


Ook bij mensen vind ik het eindeloos opstapelen van feiten en weetjes en informatie op zich voor mij geen blijk van intelligentie in dezelfde zin dat ik opgeblazen spierballen van bodybuilders geen blijk vind van fysieke sterkte. Alle vragen van Ben Crabbé kunnen beantwoorden tijdens een uitzending van blokken, of een prachtige instagram foto van een lijf met een perfecte spier-vet ratio vind ik in beide gevallen niet bepaald… sterk.


Het daarom een puur persoonlijk inzicht dat mij kan raken om te spreken over intelligentie. Een prikkelende, uitdagende of sympathieke, diep persoonlijke, vloeiende en spontane dat mij blijk geeft van menselijkheid, in tegenstelling tot het robotische. Alleen in conversatie met iemand – met woorden en met stiltes - kan ik spreken van intelligentie.


Conversaties met Siri en Alexa hebben tot nu toe mij niet bepaald kunnen raken op deze manier.


Schauvliege en de kikker


Mensen waarvan aangenomen wordt dat ze intelligent zijn, of waarvan het belangrijk is dat ze op die manier gezien worden omwille van functie of simpelweg dat hun ego vereist dat ze gezien worden op een bepaalde manier vooraleer ze in een furie uitbarsten, zonder ooit iets intelligents uit te drukken… dit is voor mij de nachtmerrie van Artificiële Intelligentie, niet een groep robots verscholen griezelige toekomstscenario’s.


[...] Ik zal als verklaring alleen het volgende meedelen: de naam van mijn overgrootmoeder is Amélie Schauvliege, een gedeelde overgrootmoeder met… Joke,  die op dat moment - zo voelt de lezer intussen wel al aan - nog minister was van landbouw.


Amélie Schauvliege was bekend om haar temparament en haar… curieuze talenten. Zo verachtte ze bijvoorbeeld mannen die traag met hun nieuwe glimmende cadillacs door de dorpjes van het Meetjesland paradeerden om zoveel mogelijk bewondering te oogsten. Haar reactie? Ze gooide rechtstreeks de schuimende en natte spons in de open decapotable. Dit kwam misschien door het feit dat ze als single mom zeven kinderen alleen moest zien op te voeden sinds haar man, Leopold, onderweg naar een markt met zijn kar vol witloof en cichorei een aanval kreeg op het hart (veroorzaakt door een genetisch defect dat zowel ik, mijn vader en mijn broer en andere leden van mijn familie hebben geërfd wat nog steeds in onderzoek is bij UZ gent na ongeveer 16 jaar sinds mijn oom F. destijds stierf aan hetzelfde) en stierf.


Verbonden met de natuur? Dat was ze zeker en vast, zoals in die tijd vrouwen erg veel wisten over kruiden en hun toepassingen. De grootste familiale legende over ‘Moeder Amélie’ is dat er zomaar op het trottoir voor de deur een kind (meen ik) aan het stikken was omdat er iets in de luchtpijp was geschoten en de boel blokkeerde. De blauwe kleur in het gezicht van het kind gaf al aan dat wachten op een meneer doktoor niet meer mogelijk was. Zodus, in plaats van spontaan het toen nog niet bekende Heimlich manoeuvre toe te passen, ging Moeder Amélie prompt een kikker gaan halen en stak het in de keel van het kind. Door de reactie van de luchtpijp en de haar bekende unieke kwaliteiten van de… kikker… kwam de keel terug vrij, kon het kind terug ademen en had ze een leven gered.


De papfles


We hebben misschien een overgrootmoeder gemeen, toch voel ik weinig gemeenschappelijk met de intussen te schande gebrachte ex-minister van milieu en landbouw. Het schandaal dat haar heeft genekt is voor mij totaal terecht, want ik huiver en beef van dit diep Meetjeslandse idee dat ‘kritiek hebben’ zeer onbescheiden is, zelfs als het gestaafd is. Aangenomen tijdens haar ambtsperiode heeft dit helaas mijn broer niet weerhouden om haar ideologische traditie verder te zetten.


Wanneer ik aankaartte dat het fysieke geweld van schoonbroer T. eindelijk over een grens ging – hij sloot mijn nichtje tijdens een familiefeest samen met hem alleen op in het donker van de badkamer en om haar met een object dat het kind zelf omschreef als ‘de papfles’ slaag gaf als straf, een triest, plots en scherp geluid dat iedereen (mijn moeder, zus, broer en vader) duidelijk kon horen – maakte mijn broer in de nasleep van mijn ervaring een opinie, en zoals dat gaat in de politiek kan een opinie bijgesteld worden door middel van een meerderheidsstemming. Zijn opinie is dat ik het simpelweg gemunt heb op T. met mijn mening dat kinderen opsluiten in een donkere ruimte en hen te slaan met een object te ver gaat.


Er zit twee keer een waarheid in, ik heb het inderdaad gemunt op T. en net zoals de ‘hoe durven ze wel’ en ‘wie denken ze wel dat ze zijn’-kritiek van de jongeren op Joke Schauvliege, is de kritiek gestaafd. Dat gààt simpelweg te ver, nog veel verder dan een disciplinaire tik. De tweede waarheid is dat we als gezin getuige waren daarvan en ik als enigste op mijn strepen stond en uitdrukte dat dit te ver ging en daar effectief gevolg aan gaf. [...]


Ik belde mijn zus op, ik belde schoonbroer T. ook op – zonder antwoord, alleen mijn zus sprak ik aan de telefoon (de allerlaatste keer dat we ooit spraken met elkaar) Ik zei: ik kan geen deel zijn van een ruimte waarin dit fysieke geweld aanvaard is en simpelweg verder constant feest wordt gevierd en selfies getrokken. Haar onbegrijpelijke reactie, met tranen en gesnotter:


“Maar hij wilt U ook niet meer zien hoor.”


Zoals ik het al lang van haar gewoon was, van een eigen mening is er bij mijn zus geen sprake meer. Ze was gereduceerd tot een functie en haar functie was spreekbuis. Ze probeerde enigszins het schandaal nog in te perken door mijn moeder en vader te overtuigen dat zij zélf ook een donkere ruimte gebruikte om vervolgens in het donker kinderen te slaan gebruikte als didactisch instrument... tevergeefs. Nog maar een jaar eerder had ze ook huilend aan de telefoon verteld dat ze ‘nooit een hand op mijn kinderen zou leggen’ naar aanleiding van de topless foto van hun zoon met agressief afgeschoren haar door T. met een een shamebordje rond de nek, gedeeld op sociale media, hierboven vermeld.


Waarom zij in het jaar 2012 [...]


“Nu serieus, zus, wat is er gebeurd? Ik weet helemaal van niets. Is alles terug ok?”


Zij alleen antwoordde met een  grote glimlach en liep weg van mij. Sindsdien liep ze altijd rechtstreeks weg van mij wanneer ik probeerde te spreken met haar over iets anders dan de fruitsla of de rapporten. Elke vorm van diepgang was sinds dat moment tussen mij en mijn zus volledig verdwenen – en elke insinuatie dat ik iets schijnbaar negatief zou zeggen over T. gaf haar een koude rilling en de reflex om meteen te gaan kijken als er iets uit de oven gehaald moest worden. Iedereen die mijn nichtje en neef en hun engelachtige gezichten heeft gezien en hun zachtaardig karakter zal akkoord gaan dat dergelijke fysieke mishandeling niet noodzakelijk is om ze te disciplineren.


“Je weet niet hoe het is om kinderen te hebben, dus je kan niet oordelen wat je als ouder moet doen om je kinderen op te voeden”, zo kreeg ik te horen. Dat het opsluiten van kinderen in het donker en ze slaag geven in landen zoals de Verenigde Staten strafbaar is, werd buiten beschouwing gelaten. Het belangrijkste in dit geval was het… het onbescheiden kritiek durven geven.


[...] Daar lig ik niet van wakker, mijn beslissingen liggen niet op mijn geweten, mijn integriteit moet niet inboeten om de ‘goede vrede te bewaren’ zoals mijn ouders hebben beslist (Wat wil je dat ik doe, Clark? Ik wil mijn kleinkinderen niet verliezen).


Het enige waar ik van wakker lig is wat mijn nichtje bedoelde met de papfles.


Kunnen we compassie programmeren?


In mijn leven heb ik al vaak te maken gehad met zogenaamde “Artificiële Intelligentie” – mensen die allerlei logische en rationele redenen hebben om geen compassie te hebben – met kinderen of met volwassenen. Op dat vlak ben ik een ware robot-kenner.


Net zoals met de meesters van muziek, het technische meesteren om een gevoel over te brengen – dàt is voor mij blijk van intelligentie. Naar de traditie van taalwetenschapper Ferdinand de Saussure vereist de communicatie hiervan een zender en een ontvanger. Ik laat aan de lezer over wat zij denken dat de zender en de ontvanger is van boodschappen van gevoel.


Als we deze zenders en ontvangers van gevoel moeten uitschakelen om verder te kunnen gaan met de gang van zaken, dan deel ik zeker in het gevoel dat we afstevenen op een nachtmerrie. De angst voor een robotovername van onze menselijke wereld ligt in de angst die we al kennen in de donkere kant van de mensheid – mensen die misbruik maken van anderen en hun de ruimte afnemen om zichzelf uit te zijn, een ruimte die we nu ook effectief meer en meer afstaan aan camera’s, GSM’s, spraakgestuurde geluidsboxen en computers. Afhangen van een onvoorspelbare macht die met de vingerknip zou kunnen beslissen om hele bevolkingen te liquideren omwille van logische en rationele redenen? Het is geen du jamais vu – zo weten niet alleen historici.  Het technische overmeesteren en beheersen in functie van gevoel – dit vereist natuurlijk de mening dat gevoel een functie heeft – is in mijn mening de goede richting in het oplossen van dit vraagstuk.


Zo brengt het hele gevaarlijke computertechnologische vraagstuk ons naar de meest vergeten en onderschatte wetenschap van allemaal: filosofie.


Hoe programmeer je iets? Je moet het beoogde resultaat analyseren en in stappen kunnen gieten.


Hoe analyseer je compassie? Om het te kunnen analyseren moet je het eerst definiëren.


Hoe definieer je compassie? Om het te kunnen definiëren moet je het eerst begrijpen.


Hoe begrijp je compassie? Om het te begrijpen moet je het te ervaren en te voelen.


Hoe ervaar en voel je compassie?




Dat beantwoorden hoort tot de wereld van filosofie.


06-09-2021