Clark Gillian Website

Wat Confucius tot slot allemaal zei.

De analecten van Confucius.
Boek 20: de keizer.


🧧


Keizer Yao zong:

Oh, oude Keizer.
Op de troon van de Hemel zit je nu.
Blijf het pad van het midden bewaken.

Als je het land van de vier zeeën
laat zinken in armoede en wanhoop
is het hemelse daar voor eeuwig verloren.

En Keizer Yu zong net hetzelfde.

Keizer Tang zong bij het offer:

Ik bied nederig deze gebrande vaars aan jullie, magnifieke en gunstig gezinde Keizers van de Oudheid.

Genadeloos voor zij die misdoen, is er niets wat wij dienaren kunnen verbergen, in uw harten zijn we volledig onthuld.

Als ik misdoe, leg de schuld niet bij mijn volk. Als het volk misdoet, leg de schuld bij mij.

Keizer Zhou leefde in rijkdom en dat bood deugdelijke mensen de kans voor welvaart.

 

Hij zong:

Zelfs al heb ik mijn eigen familie,
in deugd leeft een mens zonder gelijke.
Als de mensen de verkeerde keuzes maken,
laat dat mijn fout zijn.

Hij hield gewichten en maten zorgvuldig bij, schonk aandacht aan de wetten en statuten, herstelde verwaarloosde kabinetten en zo kwamen de vier regio’s terug onder goed bestuur.

Hij bracht uitgeroeide staten terug tot leven, herstelde de opvolging der families die was onderbroken en stelde ministers aan die al enige tijd verdwenen waren uit het publieke leven.

 

Zo kreeg hij een plek in de harten van al het volk onder de hemel.

De meest gewichtige zaken:

 

Het volk,

Het voedsel,

Het rouwen,

De offers.

Door zijn vrijgevigheid won hij het volk. Door zijn transparantie, won hij hun vertrouwen.

Door zijn oprechte daden heeft hij zoveel verwezenlijkt.

Door zijn rechtvaardigheid, was er groot genoegen.

 


堯曰

咨!爾舜!

天之曆數在爾躬。

 

允執其中。

 

四海困窮,

天祿永終。

 

舜亦以命禹。

 

予小子履,

敢用玄牡,

敢昭告于皇皇后帝:

有罪不敢赦。

 

帝臣不蔽,

簡在帝心。

 

朕躬有罪,

無以萬方;

萬方有罪,

罪在朕躬。

 

周有大賚,

善人是富。

 

雖有周親,

不如仁人。

 

百姓有過,

在予一人。

 

謹權量,

審法度,

修廢官,

四方之政行焉。

 

興滅國,

繼絕世,

舉逸民,

天下之民歸心焉。

 

所重:

民、

食、

喪、

祭。

寬則得眾,

信則民任焉,

敏則有功,

公則說。


🧧



Een leerling vroeg ooit eens aan Confucius:

Wanneer is iemand geschikt om in het bestuur te gaan?


Wat Confucius zei:

Respecteer de vijf schoonheden, verwerp de vier mismaaktheden en je bent geschikt om in het bestuur te gaan.


De leerling vroeg:

Wat zijn de vijf schoonheden?


Wat Confucius zei:

 

De bewuste persoon die vrijgevig is zonder verkwisting;

Hardwerkend zonder klagen;

Verlangen zonder begeerte;

Rustig en niet arrogant;

Waardigheid zonder wreedheid.


De leerling vroeg daarop:

Wat wilt ‘vrijgevig zonder verkwisting’ zeggen?


Wat Confucius zei:

Dat mensen beter worden van het werken aan alle noodzakelijke dingen, is dat niet vrijgevigheid zonder verkwisting?


Kiezen welk werk geschikt is voor wie, en mensen gepast tewerk stellen, hoe kan iemand daartegen protesteren?

 

Als je medemenselijkheid wilt zien en dat ook realiseert, hoe kan dat begeerte zijn?

 

Als je nu te maken hebt met een groot publiek, of met iemand persoonlijk te maken hebt, niet de neiging te hebben tot verwaandheid, is dit niet rustig blijven zonder arrogantie?

 

Als je erop let dat wat je draagt gepast is voor jouw zelfrespect, met een zelfbewuste, maar geen zelfingenomen blik, dan zullen mensen vanzelf opkijken naar je, is dat niet waardigheid zonder wreedheid?


De leerling vroeg vervolgens:

En wat zijn de vier mismaaktheden?


Wat Confucius zei:

Mensen doden in plaats van ze te onderwijzen – dat is wat we terreur noemen.

 

Resultaten verwachten van mensen, zonder te vertellen wat de verwachtingen zijn– dat is wat we tirannie noemen.

 

Vage orders uitdelen en dringende actie verwachten – dat is wat we plunderen noemen.

 

Mensen minder uitbetalen dan mensen verdienen – dat is niet meer dan een slaaf zijn.

 




子張問於孔子曰

何如斯可以從政矣?

 

子曰

尊五美,

屏四惡,

斯可以從政矣。

 

子張曰

何謂五美?

 

子曰

君子惠而不費,

勞而不怨,

欲而不貪,

泰而不驕,

威而不猛。

 

子張曰

何謂惠而不費?

 

子曰

因民之所利而利之,

斯不亦惠而不費乎?

 

擇可勞而勞之,

又誰怨?

 

欲仁而得仁,

又焉貪?

 

君子無眾寡,

無小大,

無敢慢,

斯不亦泰而不驕乎?

 

君子正其衣冠,

尊其瞻視,

儼然人望而畏之,

斯不亦威而不猛乎?

 

子張曰

何謂四惡?

 

子曰

不教而殺謂之虐;

不戒視成謂之暴;

慢令致期謂之賊;

猶之與人也,

出納之吝,

謂之有司。


🧧




Wat Confucius zei:

 

Wie geen kennis heeft van het lot, kan nooit een volleerde mens worden.


Wie het sociale niet kent, kan nooit stabiel zijn.


Wie taal niet begrijpt, kan mensen nooit begrijpen.


子曰

 

不知命,

無以為君子也。

 

不知禮,

無以立也。

 

不知言,

無以知人也。


🧧