Clark Gillian Website

Het Magische Hert en
De Dromen van De Dwaas


Heel erg lang geleden in een vervloekt land zonder schoonheid, ziet een verloren kind een legendarisch wezen.


Onder de indruk van het gigantisch hert en de buitengewone allure, zal het kind zich het voorval blijven herinneren en koesteren als een schat totdat na vele jaren de reizende bard een lied brengt dat het hart van de jonge Dwaas doet herleven.


Wanneer een heks de vrede in het dorp bedreigt, zet de Dwaas zijn zoektocht naar het Magische Hert opzij en haalt een passerende ridder over om met hem op heksenjacht te gaan. Maar wanneer hij achteraf zijn dromen terug probeert na te jagen, ontdekt de Dwaas dat zijn lot verbonden is met de laatste persoon waarvan hij het had verwacht.




Voorproef



De nieuwsgierigheid en verwondering van een kind in het Meetjesland komt hem duur te staan. Na een ontmoeting met een bard die het lied zingt van het Magische Hert, komt hij bekend te staan als de Dwaas die gelooft in sprookjes. Om de eer van zijn familie te redden, verjaagt hij de Heks die het dorp teistert, samen met een geblinddoekte ridder. Toch merkt de familie van de Dwaas dat eer dat nooit geschonden was, niet moet hersteld worden. Ze gunnen hem de knapzak waarmee hij in zijn Dwaasheid de wereld mee kan gaan ontdekken.

1        In het land der meetjes

 

Er was eens een heel erg plat land. Het gras was er groen, de hemel was er blauw en het land was er… plat! Vanop een toren kan je heel erg ver kijken; nergens zal er een berg in het zicht staan.


Nu was het zo dat als je geen toren had er in dat heel erg platte stuk land niet veel te zien viel behalve… elkaar. En dat plat stuk land was gekend als het “land der meetjes.”


Waarom het land der meetjes? Wel, nu is het zo dat de Grote Kwade Keizer besloot zijn hele Keizerrijk te bezoeken, zelfs de meest afgelegen gebieden om te zien wat hij allemaal kon hebben, kon krijgen en kon nemen.


Omdat de dorpelingen wisten dat er in hun land niet veel te zien was behalve elkaar, wisten zij heel goed dat de schoonheid die ze in elkaar zagen het enige wat de Grote Kwade Keizer met zijn helse honden hen kon afnemen.

Nu was het zo dat er onder de dochters in het land der meetjes onmiskenbare schoonheden waren en de honger van de Keizer naar schone vrouwen was gekend. Daarom sloten de dorpelingen in een nerveuze paniek bij het horen van het bezoek van de Grote Kwade Keizer alle jonge vrouwen snel op in hun kelders, achter in hun schuren en diep in de donkere hoeken van hun zolders.


Het plan werkte. Wanneer de Keizer eindelijk arriveerde in het polderland, zag hij nergens een schoonheid. Het enige wat hij onder al het stilzwijgende vrouwvolk zag, waren meetjes. En zo verklaarde hij woedend: “Laat dit plat stuk land voortaan gekend zijn als het Meetjesland.”


En nooit keerde de Grote Kwade Keizer nog terug.




























 

2        Een lap rond zijn oren

Iedereen in het Meetjesland dacht de grote baas van het Keizerrijk te slim af geweest te zijn, maar dit bleek niet de overwinning te zijn die ze gedacht gehoopt.


Zonder het zelf te beseffen was de Keizer er toch in geslaagd te stelen wat hen het meeste dierbaar was. Want de dag dat het platte stuk land de naam van Meetjesland kreeg, was de dag dat schoonheid werd gezien als een gevaarlijk ding.


Zo was het dat vele lange jaren na het bezoek de Grote Kwade Keizer allang was vergeten, maar de naam van het Meetjesland was gebleven. En de mensen bleven de naam eer aan doen.


Het was toen dat er onverhoopt een kind werd geboren die net zo’n grote ogen had waarvoor niets zich kon verbergen, zelfs de schoonheid die zich in het land had weggestoken onder een zwaar deken van angst.  

Dit kind groeide op en zag alles, bekeek alles, bewonderde alles. Het kind zei tot zijn grote broers:

“Hoe mooi is de zon toch in de ochtend?”


En de broers zeiden nors terwijl ze de korsten uit hun ogen wreven:


“Mooi? De zon mocht voor mij nog een stuk langer onder blijven.”


En de vader zei:


“Mooi? Raar kind. Dat de zon opkomt is al genoeg en meer moet je er niet over denken.”


Wanneer de jager twee konijnen bij de Vader de leerlooier binnen bracht, wist hij dat hij daarvoor één van de twee konijnenhuiden terug zou krijgen. Wanneer de winter voor de deur stond en de koeien het dikst waren, wist de boer dat hij één bil kon geven en daarvoor een hele koeienhuid terug zou krijgen.


“Hoe mooi zijn de kleuren en de vormen van de koeienvacht?” zei het kind daar dan op met zijn bewonderende ogen.


“Mooi?”, zei Vader de leerlooier, “Zo lang het proper en netjes is, is het genoeg. Meer moet je er niet over zitten denken.”


“Maar ik blijf het wel mooi vinden”, leerde het kind op den duur zeggen.


“Dat kan goed zijn”, zei Vader de leerlooier, “Maar vind het dan zo vanbinnen, waar het hoort.”


“Luister naar je vader”, zei de Moeder van het kind terwijl ze de huiden in het zuur stak.


Het kind keek naar zijn Moeder en zag dat ook zij veel schoonheid had, schoonheid die ze zelf niet meer zag. Ze was mooi maar zonder fut of leven, als een braakliggende tuin. Niets ontsnapte aan de grote ogen van het kind.


“Moeder is ook mooi”, zei het kind.


De moeder lachte verlegen naar het kind.


“Dat is waar”, zei de Vader.


“Vind je dat dan ook, maar dan alleen vanbinnen?” vroeg het kind.


Vader de leerlooier keek het kind leeg aan en zei tot de Moeder:


“Het is tijd dat we het kind laten meewerken met de dingen.”


De Vader had gehoopt dat het werk zijn jongste kind zou helpen niet langer na te denken over de onbegrijpelijkheden en de schoonheden van de wereld. Helaas bleven de ogen van het kind te groot daarvoor.


“Als je weet wat je werk is, als je weet wat je moet doen, als je doet wat je weet dat je moet doen, dan is al de rest alleen maar afleiding. Dan is al de rest alleen maar… een kans om teleurgesteld te worden”, zo zei Vader de leerlooier.


Het kind dacht ondertussen: “Maar ik weet niet zeker dat wat jij denkt dat ik moet doen, is wat ik moet doen.”

Vader de leerlooier nam diep adem.


“Waarom wil je zo graag teleurgesteld worden? Er is een manier van werken hier, en het werkt.”


“Ik weet niet of het werkt, Vader”, zei het kind, “Als ik mezelf moet tegenhouden om te zien en te begrijpen wat ik wil zien en begrijpen.”


De Vader keek het kind aan en kon maar niet begrijpen waar dit allemaal vandaan kwam. Geen enkele van zijn andere zonen en dochters spraken zo tegen hem. En geen enkele van zijn andere zonen en dochters zeiden dingen waar hij geen antwoord op had.


“Op een dag ga je begrijpen dat het beste was om simpelweg te leren wat ik je wil leren. Op een dag ga je begrijpen dat het makkelijker was om te doen wat ik zei dat je moest doen.”


De Vader kneedde ondertussen de lap leer verder in het zuur, om alle haartjes ervan af te krijgen.


“Maar is dat de bedoeling, dan”, vroeg het kind.


“Wat?” vroeg de Vader, “De bedoeling van wat? Spreek duidelijker, kind. Ik heb geen tijd voor al jouw vragen!”


Het kind durfde bijna niet meer spreken wanneer de stem zwaar en diep werd als een rotsblok die op punt staat van de berg af te breken.


“Is het dan de bedoeling dat het leven makkelijk is?”


Vader leerlooier schraapte de laatste haartjes weg van zijn lap leer.


“Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?”


Het kind keek in gedachten verzonken toe hoe zijn vader de lap in de emmer helder water stak met een grote beweging en zei half tot zichzelf, half tot hem:


“Maar ik vind het niet makkelijk om te doen wat ik moet doen, als ik niet begrijp waarom.”


“En nu is het genoeg!” riep Vader leerlooier en gaf het kind een lap rond zijn oren.


***


Nu was het zo dat op een dag de zon zodanig mooi scheen, dat het kind niet anders kon dan de leerlooierij buiten te glippen. Maar deze keer was hij zo ver over de weiden en voorbij de dijken gelopen dat hij hun huis al niet meer zag staan. De schoonheid van de dag trok hem steeds verder, lokte hem steeds dieper naar de wilde wereld.


En daar zag hij wat in de mensenwereld zo hard werd verborgen: wilde en natuurlijke schoonheid die niet werd weggestoken of verborgen. Geen bloem die bang was om te bloeien, geen varens die bang waren om open te plooien, geen boom die bang was om uit te strekken en te reiken.


En zo danste het kind met de kikkers en de padden tussen de grassprieten, de vlinders en motten in de wind, de konijnen die wegsprongen in hun hollen onder de grond, tot het kind op een gegeven moment aan een gigantische donkere muur van bomen stond.


Zo dik stonden de bomen op elkaar, dat hij er nauwelijks doorheen nog het bos kon zien. En tussen de donkere hoge bomen brak hier en daar een streepje zon door. Daar in de wilde duisternis school iets waar hij stil van werd: iets mysterieus, iets ongelooflijk curieus; iets waar hij simpelweg zijn grote ogen niet van af kon halen.


Hoe langer hij in stilte toekeek, hoe meer het leek alsof de planten en dieren om hem heen met het kind meekeken. Voor het eerst voelde hij met zijn grote ogen dat hij zelf ook werd bekeken, op dezelfde manier dat ook hij de wereld om hem heen zag. Met grote, grote ogen. En vanaf dat moment begon hij steeds meer te zien tussen de kronkelende takken in de donkerte.


Een gewei met takken zo hoog als de bomen zelf, een vacht zo zacht als het mos op de boomstammen en zo donker als de schors. Schrikwekkende ogen zo diep en helder als het stille water van een bosvijver. Zo zag het kind plots enorm groot wezen bewegen tussen de bomen. Hoog, nog hoger dan het dak van hun huis.


Het stapte traag, maar met opzet. Zijn lange, lange poten, zijn snuit en het majestueuze gewei kwamen voorzichtig uit de schaduw tot de jongen ineens oog in oog stond met het reuzehert.


Er was een moment van stilte terwijl ze elkaar aankeken. Het reuzehert keek naar het kind. Het kind keek naar het reuzehert. En zodanig betoverd was het kind dat hij al zijn arm had uitgestrekt.


Maar zijn vader was hem komen opzoeken en trok hem met een boos geweld weg. Het kind keek om. Het reuzehert was terug verdwenen in zijn bos.


Kwaad zei de vader: “Stout kind! We dachten dat we jou kwijt waren! Gelukkig heb ik je gevonden voor het donker wordt. Denk je dat een hulpeloos kind als jij alleen in het donker de nacht overleeft? Er had iets met jou kunnen gebeuren! Weet je niet hoe gevaarlijk het buiten het dorp is? Hoe gevaarlijk het donkere bos is? Kind toch!”


Met een trok en een snok, bracht hij het kind terug naar huis. Het kind probeerde uit alle macht uit te leggen dat er een magisch wezen was in het bos; een reuzehert die hij met zijn eigen ogen had gezien. Het haalde niets uit.


Vanaf dat moment liet Vader de leerlooier het kind niet meer het huis buiten glippen. Hij liet het kind zelfs niet meer buiten spelen. Hij liet het kind niet meer ontsnappen van het werk in de leerlooierij. Hoe langer en hoe meer wist het kind wat hij moest doen. Hoe langer hoe meer wist hij hoe hij het moest doen; en hoe meer hij het deed, hoe beter hij daarin werd. Hoe langer hoe meer werd hij de leerlooierszoon.































 

3        Het lied van het Magische Hert

En toch duurde dat alleen maar zo lang als zijn grote ogen zouden toelaten. Want zodra zijn vader hem eindelijk oud genoeg vond om alleen naar de kermis te gaan, zelfs nadat de zon onder was gegaan, zag hij daar iets waar zijn ogen terug wijd open gingen staan.


Een huifkar dat openklapte tot een podium met grote fakkels aan beide kanten. Dansende dwergen en een bard die geweldige verhalen vertelde over helden van de oude tijden met veel getrommel en spanning. Zo trots en overtuigd stond de bard op het podium, met zovele kleuren samen zoals hij nooit eerder had gezien. Alles zo fijn samengeweven en zo mooi over elkaar gehangen, een schoonheid dat de mensen in het land der meetjes niet meer durfden dragen. En daaraan kon de leerlooierszoon zien dat de bard van ver buiten het dorp kwam.


Met zijn harp bezong hij alsof hij was vergeten dat hij op een podium stond, zo teder en zachtaardig van de verboden liefdes en de gebroken harten. En met vuurwerk schudde hij iedereen terug wakker wanneer hij duistere en griezelige verhalen vertelde van de magische wezens die in de bossen leefden.


Veel van de dorpelingen waren inmiddels al naar huis gegaan om te rusten en te slapen. Alleen de mensen die tegen een griezelig verhaal konden, die benieuwd waren naar de mysteries van de bossen, zij bleven over in de donkere uren om te blijven luisteren naar de bard.


“Is hij een bard of een magiër”, vroeg de leerlooierszoon aan de bakkerszoon.


“Allebei”, zei de bakkerszoon.


“Hoe weet je dat?” vroeg de leerlooierszoon.


“Omdat ik hem allebei heb zien doen.”


“Wanneer doet hij zijn magische tovertrucen dan?”


“In de namiddag, wanneer hij pas wakker wordt”, lachte de bakkerszoon en nam nog een grote slok van zijn beker.

“In de namiddag ben ik nog aan het werken in de leerlooierij!”


“Dat weet ik”, zei de bakkerszoon en trok zijn schouders op, “Jammer voor jou. Ik begin vroeg in de ochtend nog voor de zon opkomt. Tegen de middag ben ik al lang klaar.”


“Gelukzak!”


“Gelukzak?” herhaalde de bakkerszoon, “Ja, als je graag opstaat nog voor de eerst haan kraait.”


“Is het echte magie, denk je?” vroeg de leerlooierszoon zachtjes om de bard en zijn griezelverhalen niet te storen.


“Echte magie?” zei de bakkerszoon, “Alstublieft, daar geloof je toch niet in?”


“Ik weet het niet”, zei de leerlooierszoon.


“Tovermagie bestaat niet”, zei de bakkerszoon, “Echte magie is een goed brood tevoorschijn toveren. Of een goed lap leer kunnen maken. Dat is magie. De trucen die de bard doet voor de kinderen, dat is zijn brood, zijn lap leer. Het is echt en niet echt. Het enige echte eraan is dat het de bedoeling is om echt te lijken, maar het niet is.”


De leerlooierszoon keek de bakkerszoon even aan. Zoiets slim had hij hem nooit horen vertellen.


“Als je mij niet gelooft, ga het hem dan zelf vragen!” zei de bakkerszoon kwaad omdat de leerlooierszoon hem maar bleef aanstaren en nam een grote gulzige slok van zijn beker.


De leerlooierszoon dacht diep na.


“Dat ga ik doen.”


En hij gaf zijn oren en ogen nog de kost met de laatste griezelverhalen van de bard.


De volgende avond sleepte de leerlooierszoon zichzelf van vermoeidheid over de aarden weg, kijkend naar zijn voeten op de platgestampte grond; half stappend en nog half dromend, maar in zijn hart volledig gebrand op het spreken met de bard.


De dwergen waren al aan het dansen en het springen op het podium op de maat van het vrolijke lied van de bard. Op het moment dat de leerlooierszoon zijn beker gerstenat had gekregen en een plek vond om te staan en toe te kijken, ging de bard over van zijn vrolijk lied tot het einde van zijn verhaal over de sterke ridder.


Deze keer keek de leerlooierszoon niet alleen toe, hij werd ook zelf bekeken. De diepe, warme en donkere ogen van de bard waren strak op hem gericht en hij voelde dat wanneer de bard sprak, hij rechtstreeks tot hem sprak. Hij hoorde zijn stem luider, hij voelde zijn woorden dieper, hij voelde het verhaal verder en daar nog voorbij. De ogen van de bard waren op hem gericht en ze bleven op hem gericht.


En zo was het dat de bard begon te vertellen over het legendarische Magische Hert en het elfenparadijs dat hij bewaakt diep in het donkere bos; een hert zo hoog als de bomen zelf met een vacht glanzend en zacht als jong mos, en een prachtig gewei als kroon.


Alles smolt weg rond de leerlooierszoon op dat moment. Er waren alleen die warme ogen, die diepe woorden en het fantastische verhaal dat hij meteen begreep met heel zijn hart. Hij had het over het grote reuzehert dat hij ooit als kind had gezien.


En zo sprak de bard in woorden die alleen naar de leerlooierszoon leken gericht te zijn:


“Ooit, heel erg lang geleden toen de mensen en de dieren nog met elkaar konden spreken, was de hele wereld hun paradijs. Dit paradijs was een groot en rijk bos dat strekte tot alle vier de hoeken van de aarde, waar de kleine elfen en de grote feeën de mensen en de dieren hielpen om hun leven vrij en blij te leven.”


“En er leefden vele magische dieren toen, dieren die spraken met woorden die zo schitterend en verreikend waren alsof de sterren zelf konden spreken. Het Magische Hert was een van die dieren.”


“Vandaag is het de laatste van deze dieren die nog overblijft. En diep in zijn donker bos, ver van de mensenwereld, beschermt hij de poort naar het elfenparadijs.”


Op dat moment nam de bard zijn harp en zong hij:


De hemel zoals ze was,

De maan zoals ze ontlook,

De zee zoals ze neerdaalde.

Het Magische Hert herinnert alles.

 

Het leven in het eerste zand,

Het lied in de bergen,

De melodie in de rivieren.

Het Magische Hert herinnert alles.

 

Het paradijs zoals het was,

De bijen zoals ze vlogen,

De zonsondergang zoals ze kleurde.

Het Magische Hert herinnert alles.

 

De mens zoals ze was,

Hun tedere wijsheid,

Hun lieve ogen,

Hun onverstoorde glimlach.

Het Magische Hert herinnert alles.

 

Het hout van de bomen,

De dieren uit hun nesten,

De zaden van de planten,

Alles nemen en toch het bos vergeten.

Het Magische Hert herinnert alles.

 

Het schouwspel van wolken en sterren,

Het landschap van laten leven en laten sterven,

De storm van het leven en de stilte in hun ogen.

 

Het Magische Hert zal alles herinneren zoals het was.

 

“Hoe triest was het, lieve mensen, hoe het Magische Hert toekeek wanneer de mens hun eigen tuinen maakten in plaats van het samenleven met het elfenparadijs. En hoe triest was het toen het toekeek hoe de mensen namen van het bos om voor zichzelf te houden en nooit meer eraan terug te geven.”


“En hoe langer hoe meer kwam er een mensenwereld apart van de elfenwereld. Hoe langer hoe groter werd de mensenwereld. En hoe groter ze werden, hoe meer ze namen.”


“Het was op dat moment dat het Magische Hert met zijn grote gewei de grote stenen uit de grond groef en in een dikke mist de mensenwereld afsplitste van het paradijs.”


Iedereen luisterde ademloos naar de bard, het meest van al de leerlooierszoon van wie hij zijn ogen niet afhaalde.

“De elfjes durven soms nog door de poort te glippen om te kijken naar de zotte mensen in de zotte mensenwereld, maar nooit laten ze zich nog zien en nooit laten ze zich vangen.”


Het donderende applaus van de dorpelingen schudde de leerlooierszoon wakker uit het verhaal dat zodanig levendig voor zijn ogen verscheen alsof het echt was.


“Zelfs met woorden kan hij toveren”, zei de leerlooierszoon tegen de slagerszoon. Ook de bakkerszoon kwam erbij.


“Ik was even volledig van de wereld”, zei hij lachend.


Ze klonken alle drie hun bekers tegen elkaar en zeiden:


“Op het Magische Hert!”


De leerlooierszoon dronk de hele beker in een keer uit en zag dat de bard al op weg terug was naar zijn huifkar terwijl de dwergen het podium terug opruimden.


Met een haastige spoed, gooide hij zijn beker op de grond en probeerde zo snel mogelijk door het publiek te zwemmen naar de bard toe, die ondertussen met vele buigingen en handgeschud en kussen op de wang terug op weg was naar zijn huifkar.


“Wacht!” riep de bakkerszoon, “Ga je het hem vragen?”


“Ja”, riep de leerlooierszoon nog terwijl hij tegen mensen stampte en per ongeluk tegen hun schenen schopte om in allerijl de bard voor te zijn.


“Wij gaan mee!”


En zo was het dat de bard net op het punt stond met een laatste buiging op de trappen van zijn huifkar de deur dicht te trekken, wanneer de leerlooierszoon die trappen op stommelde en een dik lap leer in zijn handen duwde.

De bard keek de leerlooierszoon verbaasd aan.


“Een cadeau”, zei de leerlooierszoon buiten adem. De slagerszoon en de bakkerszoon kwamen ondertussen ook toe, maar wisten niet goed waar ze moesten staan: bij de leerlooierszoon die zichzelf net belachelijk had gemaakt en met hem mee gaan, of bij het publiek van dorpelingen dat spottend naar hem keek.


“Veel dank”, zei de bard, “Een schoon stuk leer. Goed bewerkt, fijn en strak. Perfect voor een kleine trommel.”


“Het is van U”, zei de leerlooierszoon, “Als ik U iets vragen mag.”


De bard keek hem nog een moment aan, dit keer met een grote glimlach op zijn gezicht.


“Kom binnen”, zei hij.


Toen de twee andere twijfelaars zagen dat de leerlooierszoon in de mysterieuze huifkar binnen mocht, sprongen ze ineens toch naar voren en zeiden:


“Mogen wij ook mee?”


De bard keek hen aan en zei:


“En wat hebben jullie mij gebracht?”


De slagerszoon en de bakkerszoon groeven met een koude rilling in hun zakken in de hoop dat er iets waardevol in zou zitten om aan te bieden, maar helaas.


“Een andere keer”, zei de bard en sloot de deur.


De leerlooierszoon was de andere twee jongemannen direct vergeten, want hij kon zijn ogen niet geloven. Daar binnen in de huifkar was er zoveel kleur en geur zoals hij nog nooit gezien had, tenzij in de prachtige bloemen van de lente. En hier kwamen die kleuren terug in de schilderijen, de beeldjes, de kaarten, de kussens, de dekens, de kleren, de borden en de bekers.


“Ga zitten”, zei de bard, “Kies maar een plaats, het maakt niet uit.”


“Dankjewel”, zei de leerlooierszoon verlegen en hij ging zitten op een van de kussens, maar niet vooraleer hij de ingewikkelde tekening op het kussen bekeek. Mooie symbolen en zegels stonden erop, maar wat ze betekenden wist hij in de verste verten niet.


“Ik wist dat je zou komen”, zei de bard terwijl hij zich achter het kamerscherm verkleedde.


“Oh, ja?” vroeg de leerlooierszoon.


“Het is lang geleden dat ik iemand heb zien kijken met zoveel bewondering als jij.”


“Doe ik dat dan?”


De bard kwam van achter het kamerscherm in een loszittend hemd en een brede loszittende broek vastgemaakt met een koord, allebei wit. Hij greep een kamerjas met rood, oranje en paars en deed die met een zwier aan.


“Dat doe je zeker en vast”, zei de bard.


Ondertussen nam hij twee bekers uit een kastje waar allerhande kleine beeldjes op stonden en een fles elixir. Hij schonk twee glazen bijna zonder te kijken. Toch viel er geen druppel op de grond.


Hij gaf de leerlooierszoon een beker.


“Gezondheid”, zei hij.


 “Gezondheid”, zei de leerlooierszoon.


En ze namen allebei een slok.


“Zet je beker hier maar neer”, zei de bard en hij veegde op het lage tafeltje een aantal losse munten, tafelmessen en toverstokken opzij.


“Zijn dat toverstokken?”


“Dat zijn toverstokken”, zei de bard.


De leerlooierszoon nam een van de toverstokken en keek er goed naar. Ook de bard nam een van de toverstokken en, grappend, wees hij ermee naar de nieuwsgierige leerlooierszoon.


“Vertel, jij wilt iets weten”, zei de bard.


“Ben je mij aan het bedreigen met die toverstok?” grapte hij.


“Antwoord eerst op mijn vraag, dan antwoord ik op de jouwe.”


De leerlooierszoon staarde hem aan. Het leek alsof alle lucht uit de wagon werd gezogen, nu ze zo oog in oog stonden met elkaar.


“Ik heb vele vrienden, bijna evenveel als vijanden. Vertel mij waarom jij hier bent en wees eerlijk, vriendschap.”


“Wel”, begon de leerlooierszoon voorzichtig, “Ik had graag geweten… van u… Ik wou graag weten… als uw tovertruken trukerij zijn… of als het echte magie is…”


“Is dat de vraag?” vroeg de bard.


“Dat is de vraag.”


“Je bent hier niet omwille van mijn vader? Zijn… lood en… goud? Zijn formules en experimenten? Niets in die aard?


“Nee”, antwoordde de leerlooierszoon, “Helemaal niet.”


De bard keek hem een moment in stilte aan. Hij gooide de toverstok terug op tafel.


“Wel, in dat geval. Stel je voor dat het allemaal trukerij is”, begon de bard, “Dan wees ik met een simpele houten stok naar je en moet je nergens bang voor zijn. Maar in het andere geval, hield ik een enorm krachtig wapen vol mysterieuze mogelijkheden op jou gericht.”


De bard lachte breed naar de leerlooierszoon.


“Bestaat magie echt? Het antwoord ligt erin: was je bang of niet?”


De leerlooierszoon keek naar de toverstok, naar de munten op tafel, de bekers met elixir en de tafelmessen terwijl hij nadacht over de woorden van de bard.


“Hoe kan ik bang zijn, als ik niet eens weet waarvoor ik bang moet zijn?”


“Gesproken als een echte Dwaas”, riep de bard verheugd, en nam nog een slok van zijn glas. De leerlooierszoon begreep niet waarom de bard zo gelukkig leek te worden van zijn antwoord.


“Ik denk niet dat ik het begrijp”, zei hij verward.


De bard zei: “Gelukkig maar! Twijfel! Dat is het begin van alles! En jij bent aan het begin, exact waar je moet zijn!”


De bard vulde nogmaals met een blij gemoed hun glazen bij.


“Proost!”


“Proost!”


Met elk antwoord die de bard gaf, leek de leerlooierszoon niets wijzer te worden. Dit deerde de bard allerminst. Hij had ondertussen zijn luit genomen en zong lachend:


“Jij bent zo een Dwaas, jij bent een enorme Dwaas. Je weet niet waar je aan begint. Dat is wat iedereen verbaast.”


“Maar als dwaas durven zijn de manier is om magie te ontdekken, dan…” dacht de leerlooierszoon luidop, “Dan… dan is het waar! Dan moet het wel waar zijn!”


“Wat is dan waar?”


“Ik…”


De leerlooierszoon durfde het niet uit te spreken.


“Jij hebt al eens magische dingen gezien, of niet? Dat had ik al gezien. Het volgt je, en ook jij volgt het op jouw beurt. Zo ben je bij mij terecht gekomen.”


“Ja.”


Een moment klonk alleen het zachte getinkel van de belletjes die aan de deur hingen doorheen de huifkar.


“Het Magische Hert waar je over zong?”


“Ja?” vroeg de bard glimlachend.


“Toen ik een kind was, zag ik hen, aan de rand van het donkere bos buiten ons dorp.”


“Ik wist het.”


“Dus het is echt? Het Magische Hert is echt?”


“Je zegt het zelf! Je hebt hem gezien! Je zegt zelf dat het waar is. Hoe kan iets niet waar zijn dat je met je eigen ogen hebt gezien? Zelfs wanneer niemand je gelooft, het is je nog steeds overkomen!”


En lachend hij zong maar door:


“Een Dwaas ben jij, mijn beste vriend. Een beste, beste vriend ben jij, Dwazemij.”


En hoe meer de bard moest lachen met de dwaasheid  van de leerlooierszoon, hoe meer de leerlooierszoon moest lachen met zichzelf.


***


In de late ochtend de dag daarop, strompelde de leerlooierszoon eindelijk de huifkar uit, waar de jagerszoon en de bakkerszoon hem opwachtten.


“Hebben jullie mij opgewacht?” vroeg de leerlooierszoon half slapend.


“Opgewacht?” vroegen ze, “Het is al bijna middag!”


Meer mensen kwamen rondom kijken, het gebeurde nooit dat er iemand in de huifkar van de bard mocht komen en ze waren nieuwsgierig te horen wat hij te vertellen had.


“Waar hebben jullie over gesproken”, vroeg de slagerszoon ongeduldig.


“Over het Magische Hert!”


De bakkerszoon en de slagerszoon keken elkaar teleurgesteld aan.


“De hele nacht met elkaar gesproken en jullie hadden het alleen maar over sprookjes?”


“Ja!” riep de bakkerszoon, “Wat is zijn geheim, hoe haalt hij al zijn tovertrucen uit?”


“Ik heb het hem gevraagd”, zei de leerlooierszoon, ogen zwaar van vermoeidheid.


“Ja?” vroegen ze ongeduldig.


“Ik heb hem gevraagd als zijn magie echt is of niet.”


“Ja?” vroegen ze nog ongeduldiger.


“En dat is het net!” riep de leerlooierszoon.


“Dat is.. wat? Wat is dat?” vroegen ze aan hem.


“De vraag is het antwoord!” riep hij.


De dorpelingen begonnen te lachen, anderen keken elkaar hoofdschuddend aan en rolden met hun ogen.


“Verbaast me niets dat de Bard alle vragen met raadsels beantwoordt”, zei de bakkerszoon.


“Hij noemde me een Dwaas, maar het is goed bedoeld”, giechelde de leerlooierszoon ondertussen.


De slagerszoon boog zijn hoofd ondertussen en sleepte de leerlooierszoon nu een stuk sneller langs de kasseien, beschaamd dat hij werd uitgelachen door de vele dorpelingen, die met plezier luisterden naar zijn gekke woorden over de bard en zijn sprookjes.


“En hoe weet je dan dat het Magische Hert echt bestaat?”


De leerlooierszoon zei met een slaperige lach:


“Want ik heb hem zelf met mijn eigen ogen gezien!”


Op dat punt begonnen de dorpelingen met z’n allen te lachen en zeiden: “De bard heeft gelijk dat hij jou Dwaas noemt!”


 De bakkerszoon was ook niet onder de indruk.


“Dat kan niet”, zei hij, “Dat is een verhaaltje, een sprookje, iets leuk om te horen, niet om serieus te nemen.”


“Neen, jullie snappen het niet. Ik heb hem gezien aan de rand van het donkere bos. Hij stond er met zijn gewei zo hoog als de bovenste takken van de bomen. Hij keek naar mij!”


De dorpelingen lachten nu nog harder.


“Het is echt waar!” riep de leerlooierszoon boos. Ondertussen kwamen zijn broers en zussen hem naar huis brengen, zodat hij zich niet nog meer belachelijk zou maken.


“Stop, broer”, zeiden ze, “Straks denken ze dat je gek bent.”


“Maar ik ben niet gek”, riep de leerlooierszoon, “Ik heb hem gezien. Als jullie mij nu wel of niet geloven, het is gebeurd! Het is echt gebeurd!”


“Wat maakt het eigenlijk uit dat je hem gezien hebt of niet?” zeiden de plagende dorpelingen nog.


En de leerlooierszoon zei met een overlopend hart wanneer hij aan het Magische Hert terugdacht: “Heel veel! Hij was het meest prachtige, magnifieke, mooiste wezen dat ik ooit heb gezien!”


Vanuit het deurgat van zijn huifkar, keek de bard toe hoe de dorpelingen de leerlooierszoon uitlachten.


Ze riepen: “En wat voor nut heeft mooi zijn, dan?”


“Als jullie hem ook hadden gezien, dan zouden jullie dat nooit vragen!” riep hij.


De dorpelingen lachten de leerlooierszoon hoe langer hoe meer uit. En zo was het dat hij vanaf dat moment door allen was gekend als de Dwaas.

































4        De knapzak

 

Moeder wist dat alles was veranderd het moment dat ze haar zoon na die hele gebeurtenis in bed had gelegd en hem verzorgde alsof hij ziek was, zelfs al was hij niet ziek.


Het kan geen kwaad om hem te verzorgen, dacht ze in haarzelf, wanneer hij duidelijk zichzelf niet is.


De volgende ochtend merkte ze echter dat de dingen niet meer zouden terugkeren naar hoe ze ooit geweest waren. Want voor de deur lag een knapzak. Ze staarde naar het ding. Het was niet te klein, niet te groot, maar zelfs al in de duisternis van de vroege uren voor zonsopgang kon ze alle rijkelijke kleuren in de stof goed zien. Goud en zilverdraad glinsterden in het weinige licht van de morgenstond. Onmiddellijk kon de vrouw zien met een koude rilling over haar rug: deze stof is niet van hier.


Ze wierp een blik naar het dorpsplein in de verte. De huifkar van de bard en de dwergen was verdwenen. Daarna boog ze heel traag voorover terwijl ze alles bedacht wat er in de knapzak zou kunnen zitten. Ze raakte het voorzichtig aan en hief het van de dorpel op. Het klingelde lichtjes, alsof er kostbare schatten in zaten. Snel stak ze het in de emmer die ze in haar andere hand nog vast had om water te halen uit de waterput, bij het horen dat de anderen in het huis ook stilletjes aan wakker werden.


Ze liep naar de waterput en verborg haarzelf achter de koude grijze stenen. Met een diepe zucht nam ze de knapzak uit de emmer, legde het op haar schoot en begon de knoop oh zo zachtjes los te maken, zodat het niet zou klingelen of klangelen.


De zon begon net over de horizon te piepen met een heerlijke oranje gloed, terwijl terzelfdertijd ook de maan nog neerscheen met een zilveren waas. Zo was het dat de Moeder helderder dan ooit kon zien dat de schatten in de knapzak zodanig betoverend mooi waren, dat ze haar zoon op een pad zouden brengen waar zij hem nooit van af zou kunnen halen. Dit waren geen dingen die zij of haar man, of om het even wie in dit dorp ooit aan hem zouden kunnen geven. Een rijkelijk versierde zilveren beker vol figuren en symbolen die ze nooit eerder had gezien, een grote gouden munt, een mes met een houten heft en een gevaarlijk glanzend lemmet en als laatste een twijgje dat wel op een toverstok leek.


Elk mens zou blij zijn om zo’n schatten te mogen krijgen, maar het was niet het krijgen waar de Moeder mee in zat. Het was het afpakken. En zij wou haar zoon niet afgeven.


Daarom knoopte ze de knapzak weer toe en onder het toezicht van de zon en de maan, liet ze de knapzak in de waterput vallen.


Alsof ze de knapzak nooit had gevonden, vulde ze zonder gedachten maar met een warm gevoel van tevredenheid haar emmer met het heldere water uit de waterput.


Was het nu het gefluit van de vogels die de zonsopgang bezingen, of een stemmetje uit de waterput die tegen haar leek te zeggen:


“…Niemand kan het onthullen…”


Een moment bleef ze staan. Waren het de knoppen die opengingen aan de takken, of was het een mistige stem uit de koude dieptes van de waterput? Er leek niets meer te spreken hoe langer ze keek, alleen het geklets van water tegen de natte stenen.


Terwijl ze met haar volle emmer koud water terug naar huis stapte, hoorde ze heel lichtjes nog over haar schouder, maar verstond ze ieder woord heel helder:


“…Niemand kan het verbergen…”


Alsof er niets was gebeurd, kwam Moeder terug binnen en begon ze aan het dagelijkse werk. Wanneer ze een moment tijd had, ging ze naar haar uitgeputte zoon en zat op de rand van zijn bed. Met een frisse vod, veegde ze zijn voorhoofd schoon.


“Ben ik te laat opgestaan?” vroeg de leerlooierszoon noch wakker nog in slaap.


“Maak je geen zorgen”, zei Moeder, “Het werk wacht wel tot je je weer als jezelf voelt.”


Heel erg vroeg de volgende ochtend nam ze terug de emmer om vers water te halen uit de waterput. Ze deed de deur voorzichtig open om niemand wakker te maken, maar schopte in de duisternis tegen iets wat op de dorpel lag. En tot haar grote verschrikking zag ze daar… een knapzak.


Ook deze keer nam ze de kleurrijke knapzak met de gouden en zilveren schatten mee in haar emmer naar de waterput om die erin te laten tuimelen. Wanneer ze terugkwam, echter, zat de leerlooierszoon al wakker aan tafel.


“Wat hoorde ik daarnet?” zei hij, “Het klonk alsof je door het bestek aan het rommelen was.”


Moeder voelde een koude rilling over haar rug glijden, maar hield haar gezicht streng en strikt.


“Dat heb je je vast ingebeeld”, zei ze koel terwijl ze wat water in een pot goot en wat houtvuur op elkaar stapelde zodanig dat ze snel een vuur aan kon steken.


Nu was het zo dat de vrouwe des huizes van de leerlooiers geen geluk had, want ook die dag werd ze eraan herinnerd dat alles voorgoed was veranderd. De bakkersvrouw keek haar vreemd aan. De slagersvrouw stopte met spreken zodra ze binnenkwam in de slagerswinkel. De burgemeester lachte naar haar toen hij haar passeerde aan het dorpsplein terwijl ze hem voorheen niet eens kende.


Uiteindelijk zei de weversvrouw tegen haar: “Weet je, het kan iedereen overkomen. Niet alle zonen en dochters kunnen dezelfde zijn. Af en toe zit er een tussen die… niet volledig hetzelfde is als alle andere.”


Moeder keek de weversvrouw een tijd lang aan terwijl ze dit liet binnendringen tot haar hete hoofd.


“Is mij dat… dan overkomen?” zei ze en als een zak graan die uit de opslag was gevallen, zakte ze ineen naast de weversvrouw bij haar weefgetouw.


“Ja”, zei de weversvrouw die doorging met weven, “Iedereen die het niet zelf heeft gezien, heeft ervan gehoord, vriendin. Maar dat is het einde van de wereld nog niet.”


“Nee”, zei de Moeder, “Nee, nog niet.”


“Moet je eens horen wat mij overkomt”, zei de weversvrouw, “Dàt is pas iets waar je niet meer van kan slapen en ik kan je verzekeren dat ik al nachten niet slaap.”


“De heks?” vroeg Moeder verveeld en geeuwend wreef ze in haar ogen.


“De heks, inderdaad!” zei de weversvrouw, “Geloof mij vrij, als jij een heks achter je aan hebt, dan doe je geen oog meer dicht. Ze kan van alle kanten komen! Ze kan van alle soorten hekserijen uitspreken! Het enige wat je nog wilt doen is niet meer zien en niet meer horen. Maar omdat ik zo bang ben voor de heks, luister ik net veel harder en kijk ik constant om me heen.”


“Maar heb je haar dan ooit al eens gezien?”


“In een vluchtige schaduw, wel, ja”, antwoordde ze, “En haar gekakel… het verschrikkelijke gekakel!”


Ze rilde van top tot teen.


“Als je dat hoort, dan kan je dat nooit meer vergeten. Het blijft je bij net als de pijn van een brandwonde. Verschrikkelijk!”


“Maar waarom komt ze achter jou aan?” vroeg de leerlooiersvrouw.


“Ik heb de beste maten van heel het meetjesland. Je kent ze. Al honderden jaren zijn ze in onze familie. Nooit of nooit zou ik ze afgeven. Onze tapijten, onze stoffen, niets zou nog hetzelfde zijn zonder mijn maten, meetlatten en driehoeken! En zij, de verschrikkelijke heks, donker en lelijk als de nacht, zit te loeren en te letten op elke kleine beweging die ik hier in de weverij maak, omdat ze denkt dat ik mijn maten ook maar een ogenblik uit mijn zicht zou laten ontsnappen. Ha!”


De leerlooiersvrouw verschoot, zo diep was ze al aan het meeleven met het verhaal van de weversvrouw.


“Nooit! Nooit laat ik mijn maten uit mijn zicht ontsnappen. Ze zijn mijn hele leven. Als ik ze niet heb, dan kan ik mezelf niet meer dezelfde weversvrouw noemen. Dan ben ik niets meer.”


“Zeg dat niet”, zei de leerlooiersvrouw.


“Jawel, het is zo, dat weet je maar al te goed.”


De leerlooiersvrouw knikte begrijpend.


“Ondertussen wordt mijn vlees na 1 dag al rot. Mijn melk, zuur op een namiddag. Mijn bed, vol kriebelbeesten... Ik en mijn man houden het niet lang meer vol.”


Haar man, de wever, kwam binnen met een schaap en knikte kort naar de leerlooiersvrouw vooraleer hij begon met het te scheren.


Hij mompelde: “Ik heb de maten vastgebonden aan mijn riem met een doek waarin ik als pasgeboren kind in heb gelegen, al mijn broers en zussen, mijn vader en mijn grootvader en al hun broers en zussen ook. Dit is een doek dat een heks niet raken kan. Ze mag proberen, maar aan deze maten kan ze niet komen.”


Zij kon zien dat hij diepe donkere kringen onder zijn ogen had van nachten niet meer te slapen. Het waren dezelfde cirkels als onder de ogen van de weversvrouw.


“Ik zal mijn pot zout halen om een cirkel rond jouw huis te trekken”, zei ze daarop tegen de weversvrouw, “Dat beschermt tegen hekserij.”


De ogen van de weversvrouw werden van dankbaarheid tegelijkertijd groot en nat.


“Echt?” vroeg ze aan de leerlooiersvrouw.


“Natuurlijk”, zei de leerlooiersvrouw.


“Oh, dankjewel, dankjewel”, riep ze, “Je bent een engel! Door twee zoutcirkels kan de heks zeker niet breken!”


“Een tweede zoutcirkel”, vroeg de leerlooiersvrouw.


“Ja”, zei de weversvrouw, “Je denkt toch niet dat ik zonder bescherming zit af te wachten tot de heks binnenkomt? Iedere dag trek ik een cirkel, maar mijn zout is bijna op.”


De leerlooiersvrouw keek lieflijk naar haar en zei met zachte stem:


“Ik zal mijn pot zout gaan halen.”


Ze liep snel naar haar huis, maar zonder het goed en wel te beseffen, had ze met haar haastige voeten de zoutcirkel van de weversvrouw doorbroken.


Eens ze thuis was en in de kruidenkast rommelde op zoek naar haar grote pot zout, hoorde ze echter een grote schreeuw. Toen ze met haar grote pot zout aankwam bij het huis van de weversvrouw met haar man en de leerlooierszoon, stond er al een hele menigte aan haar open deur. Daar lag ze op de grond, wroetend met haar handen in de aarde.


“Ze waren hier!” riep ze.


“Ze waren hier! Ik weet het zeker! Ik heb maar één moment weggekeken en nu zijn ze weg.”

Ze keek op en zag de leerlooiersvrouw met haar grote pot zout staan.


“Wie is er weg”, vroeg Moeder.


“Jij bent het!” zei ze en wees naar haar. Onmiddellijk week iedereen voor haar uit, alsof zij en haar man en zoon de plaag hadden.


“Jij bent te laat met jouw zout”, zei ze, “Of ben je met opzet langer weggebleven om te zien hoe de heks alles van mij heeft afgepakt?”


“Ik…”, begon de leerlooiersvrouw, “Ik ben zo snel gekomen als ik kon!”


“Ze waren hier net nog”, huilde de weversvrouw met een geluid dat door merg en been ging, een geluid dat de leerlooiersvrouw nog dagenlang zou horen wanneer ze in slaap wou vallen, “Mijn man heeft waarschijnlijk de maten terug aan zijn riem vastgemaakt in het geboortedoek zodat ze het nooit zou kunnen aanraken…”


Ze ging van huilen naar schreien op dat moment.


“En toen is ze gekomen”, zei ze, “Ze heeft niet alleen de maten genomen. Ze heeft mijn hele man meegenomen.”


De dorpelingen schudden hun hoofd en hapten naar adem. Anderen begonnen te vloeken en te schelden.


“Jij hebt het gedaan!”, riep de weversvrouw naar de leerlooiersvrouw, “De heks zat de hele tijd te wachten. Ze zat de hele tijd te kijken. Ze zat de hele tijd te broeien en te bekokstoven en toen jij daarnet jouw zout ging halen, heb je mijn cirkel doorbroken! Zo is ze erdoor kunnen breken met haar monsters! Jij hebt haar lange wachten beloond! Nu is ze ervandoor met mijn maten én mijn man! Met drie behekste everzwijnen die mijn hele huis overhoop hebben gehaald. Ik heb niets meer! Mijn leven is voorbij!”


De weversvrouw viel terug neer op de grond en wroette met haar handen in de aarde, op zoek naar de maten die er niet meer lagen.


“Vervloekte familie!” riepen de dorpelingen.


“Die jongen, die Dwaas”, zo zeiden ze nog, “Die gelooft in sprookjes, misschien gelooft hij ook wel in hekserij!”


“Ja! Misschien gelooft hij wel in hekserij”, werd er gezegd.


De dorpelingen sprongen van de familie van de leerlooier weg, alsof ze ineens de plaag hadden gekregen.


“Alsjeblieft”, zei de leerlooierszoon, “Het Magische Hert heeft niets te maken met wat de heks van jou heeft afgepakt!”


“Vervloekte Dwaas!” riep de weversvrouw speekselend van op de vloer, “Dwaas! Ga weg! Blijf weg!”


Zo dropen de leerlooierszoon, zijn Vader en zijn Moeder weg van de weversvrouw. Die avond in bed, voelde de leerlooierszoon zich heel erg slecht. Omdat hij weigerde te liegen over wat hij had meegemaakt als kind zodat de dorpelingen zich beter zouden voelen, maakte hij zijn Moeder en Vader ook te schande.


“Ik geloof niet in zomaar sprookjes. Ik geloof in wat ik heb gezien. Soms zijn die twee dingen dezelfde”, fluisterde hij nog tegen zichzelf en viel in slaap.


De volgende ochtend deed Moeder trillend in het donker de deur open en zag tot haar afgrijzen de knapzak opnieuw op de dorpel liggen. Stokstijf bleef ze staan. Beeld ik me dit alles in, vroeg ze zich in gedachten af, of ben ik gek aan het worden?


Ze stak de knapzak terug in de emmer en liep naar de waterput die zachte kabbelgeluidjes maakte, alsof het van de zotte zaten van de mensenwereld niets vanaf wist. De leerlooiersvrouw tuurde over de rand in de duisternis. De bodem ervan kon ze niet zien.


Ze hield de knapzak boven de put en fluisterde: “Alsjeblieft, waterput, breng dit niet terug. Laat het zinken. Laat het op de bodem rusten. Laat het gevonden worden in honderden jaren, wanneer er niemand nog leeft die er ooit op blik op heeft geworpen. Breng de knapzak niet meer terug naar mijn deur, waterput, ik smeek je. Laat de dingen terug zijn zoals ze waren.”


Ze liet de knapzak vallen, sloot haar ogen en wachtte op de grote dikke plons die haar als muziek in de oren klonk. Met een grote zucht vulde ze haar emmer met fris en vers water en liep ze terug naar het huis. Maar opnieuw hoorde ze over haar schouder fluisteringen komen uit de waterput:


“… Juist omdat de dingen waren zoals ze waren…”


De leerlooiersvrouw stond stil en keek over haar schouder. Alleen stilte, de oranje mist van zonsopgang en de ontwakende vogeltjes in hun nesten. Niets aan de hand, zei ze tegen haarzelf. Ze stapte terug door.


“…  Zijn de dingen zoals ze zijn…”


Toen ze terug binnenkwam, zag ze haar zoon de Dwaas al aan tafel zitten te helpen het ontbijt gereed te maken.


“Al wakker?” zei ze terwijl ze de trillingen van haar schouders en haar handen verborg.


“Ja”, zei de Dwaas, “Ik wil helpen.”


“Dat is goed”, zei Moeder.


De Dwaas legde het bestek op tafel voor Vader en al zijn broers en zussen.


“Ik wil de weversvrouw helpen.”


Moeder keek hem kwaad aan: “En waarom zou je haar helpen nadat ze jou…”


Ze kon haar zin niet eens afmaken door de schaamte van wat ze allemaal tegen hem had gezegd.


“Nadat ze ons allemaal heeft weggejaagd?” maakte ze haar zin af.


De Dwaas ging dichter bij haar staan en nam haar bij de schouder.


“Omdat als ze ziet dat ik meehelp in het terugvinden van haar maten, dat wij er niets mee te maken hadden. Dan zal ze zeker en vast alles willen goed maken met ons. Met jou. Dan kunnen jullie terug vriendinnen zijn.”


De leerlooiersvrouw keek haar zoon trots aan en omarmde hem.


“Dat is een nobele gedachte, zoon”, zei ze, “Maar hoe ga je in hemelsnaam een heks vinden die niemand heeft gezien?”


“Ik weet het niet”, zei de Dwaas.


Op dat moment hoorde ze terug de fluisterstemmen terug over haar schouder:


“… juist omdat de dingen waren zoals ze waren…”


Ze keek met een snok om haar schouder en keek uit het raam. In de volle ochtendzon zag ze in de verte op het dorpsplein een hele commotie.


“Wat is dat?” zei de Dwaas.


“Dat is…” begon de Moeder, “Dat lijkt wel… een prins op het witte paard?”






























 

5        De heks is kwaad

 

Trots kwam hij binnengereden, een jonge prins met een grote rode blinddoek aan. Over zijn glimmend harnas hing een lang wit kleed, vastgemaakt met een riem waar zijn speer aan vast hing. Rond zijn schouders droeg hij een dikke grijze pelerine. Dit was de gewoonte van de ridders uit het Koninkrijk der Speren, het land van de stranden en de krijtrotsen met grote kastelen vol muziek en jolijt.


Maar heel erg jolijtig zag deze ridder er niet uit. Onrustig, onderzoekend, alert, maar deze dingen konden alleen ogen opmerken die voorbij zijn grote trots konden kijken. Zo’n ogen had de Dwaas, al begreep hij nog niet waarom hij de dingen zag die hij zag.


En zo kondigde de jonge prins met bulderende stem:


“Ik ben de Geblinddoekte Ridder! Ik vecht aan de kant van rechtvaardigheid voor zij die dat zelf niet kunnen. Ik bescherm de zwakken.”


De dorpelingen die begonnen toe te stromen, waren erg onder de indruk van de jonge prins. Ze bekeken hem van top tot teen. Achter aan zijn zadel, viel de Dwaas op, hingen naast een aantal zakken ook twee kisten met duiven. De jonge prins sprong met zijn klengelend harnas van zijn paard. De Dwaas kon zien dat vele dorpelingen iets wilden zeggen, maar hem niet durfden te onderbreken. Want hij bewoog zo opzettelijk, zo beslist, zo zeker, dat ze de stilte niet durfden breken.


Alsof hij alleen was, nam de jonge prins een van de duiven, streelde haar even over de kop terwijl hij fluisterde, bond vervolgens een witte strik rond haar poot en liet haar vliegen.


“Ben je een prins?” vroeg de Dwaas ineens.


“Dwaas!” werd er naar hem geroepen.


“Zwijg toch!”


De ridder bleef recht voor zich uitkijken, geblinddoekt als hij was.


“Ja, ik ben een prins. Ik ben de Prins der Speren.”


Bijna alle dorpelingen vielen terzelfdertijd in zwijm. Een echte koninklijke prins, van een ver land, met een grote speer. Dit was een man boven alle mannen. Dit was de enige echte prins, zoals er nog nooit een in het dorp was geweest. Zo anders was hij dan de mannen van het dorp zelf, omdat hij beter was. En omdat hij beter was, hielden ze meteen van hem. Beter zijn was namelijk het enige soort anders dat ze leuk vonden.


“Maar waarom heb je een blinddoek aan?” vroeg de Dwaas.


Heel het dorp hapte als het ware naar adem.


“Hoe je vervloekte mond”, riepen ze naar hem.


“Ben je blind?” vroeg de Dwaas zonder te luisteren naar de moeilijke mensen om hem heen.


De prins lachte met de Dwaas, tot de opluchting van de dorpelingen.


“Ik ben niet blind. Dit blinddoek heb ik uit mijn eigen vrije wil aangetrokken, omdat ik wil leren te overleven zonder mijn zicht, wanneer het nodig zou zijn.”


De Dwaas bewonderde dit net als alle andere dorpelingen maar dacht toch in zichzelf: is het nu dan nodig? De woorden van de prins klonken zo vreemd voor hem, met klanken die rollen als het ware ver vanachter in de keel.


“Mijn zoektochten hebben mij hierheen gebracht” zei hij rustig, “Om eerlijk te zijn, ik dacht niet dat ik nog een dorp zou vinden zo ver weg van alles.”


“Waar was je dan naar op zoek?” vroeg de bakkerszoon.


De Prins schraapte zijn keel: “Ik was op zoek naar het einde van de wereld, om over de rand te kijken.”


Opnieuw hapten de dorpelingen naar adem, maar de oudsten onder hen moesten lachen.


“Het einde van de wereld is hier nergens in de buurt, Prins. De rand van de aarde is nog heel ver weg. Wij kennen niemand die het einde van de wereld ooit heeft gezien.”


Toen viel de Dwaas iets en zei:


“Als je helemaal van het Koninkrijk der Speren komt, ben je dan misschien het Magische Hert tegengekomen in het bos?”


De Prins keerde zich verbaasd om naar de Dwaas. Ondertussen was iedereen in lachen uitgebarsten en begonnen ze terug te schelden op de dwaze leerlooierszoon.


“Neen”, zei de Prins grinnikend en iedereen viel terug stil bij zijn zware stem, “Ik ben geen Magisch Hert tegengekomen.”


Jammer, dacht de Dwaas in zichzelf. Maar toen dacht hij opnieuw aan iets anders en zei:


“Ben je een heks tegengekomen?”


Iedereen begon opnieuw te schelden op de Dwaas, maar deze keer haalde de Prins zijn blinddoek af.


“Wat vroeg je daar?”


“Of je een heks was tegengekomen”, zei de Dwaas, “Ik zoek een heks!”


Opnieuw bulderde het lachen op het dorpsplein, maar de Dwaas was zo benieuwd naar het antwoord van de Prins, dat hij niets anders kon horen dan het antwoord van de prins.


“Ik ben geen heks tegengekomen”, zei de Prins koel als een kikker, “Maar ik wil je wel helpen die te vinden.”


***


De weversvrouw was nog steeds volledig buiten zinnen. Ze vervloekte de Dwaas onophoudelijk terwijl de Prins de sporen onderzocht.


“Hij is langs hier naar buiten gesleept”, zei de Prins, “Drie grote everzwijnen. En de heks… is kwaad.”


“Natuurlijk!” schreeuwde de weversvrouw, “Natuurlijk is ze kwaad!”


De Prins keek de weversvrouw koel aan en zei: “Jouw man leeft niet meer.”


De Weversvrouw keek de Prins met lede ogen aan en vroeg daarna zachtjes: “Hoe kan je dat zo zeker weten?”


“Het doek dat jouw man rond de maten heeft gewikkeld zal haar zodanig kwaad hebben gemaakt, dat ze een spreuk op hem heeft gebruikt…”


De Prins wees naar een spoor op de grond waar de planten verdord waren en de aarde droog als stof.


“Is dat mensenhaar?” vroeg de Dwaas.


De Weversvrouw keek vol afgrijzen toe.


“Dat is…” zei ze en viel op de grond naast de mensresten van haar man, “Dat is zijn haar! Al zijn haar!”


De Prins boog neer en met zijn speer wroette hij in de droge aarde.


“Afgevallen nagels”, zei hij nog, “Uitgevallen tanden.”


Alle kleur was uit het gezicht van de Weversvrouw weggetrokken. Ze nam een tand vast, een nagel, wat haar. Nog niet zo lang geleden voelden ze nog zo vertrouwd. Nu voelde ze alleen koud zweet en een rillende misselijkheid.


“Deze heks is kwaad”, zei de Prins, “Een verouderingsspreuk zo krachtig heb ik in lange tijd nog niet gezien. “


“Een verouderingsspreuk?” vroeg de Dwaas.


De Prins was intussen de sporen van de drie everzwijnen verder gaan volgen en zag dat ze zeer ver gingen.


“Een machtige toververvloeking van woorden zo erg en zo afschuwelijk, dat een mens elk ogenblik een jaar ouder wordt.”


De Weversvrouw was terug uitzinnig beginnen huilen met de plukken haar in haar ene hand, de nagels en tanden in haar ander. De Dwaas probeerde haar te kalmeren, maar dit maakte het alleen erger.


“Ik denk dat hij hier in één klap minstens 30 jaar ouder is geworden door de lelijke toverwoorden van de kwade heks”, zei de Prins.


“Maar…” begon de Weversvrouw tussen het snotteren door, “Misschien leeft hij nog? Als oudere man? Misschien ben je nog niet te laat?”


De Prins sprong op zijn paard, greep de arm van de Dwaas, trok hem er mee op en zei alleen nog:


“Als hij nog leeft, breng ik hem terug. Als hij niet meer leeft, dan vertel ik je waar jullie hem kunnen vinden. Maar jouw maten, daarmee keer ik zeker en vast terug.”


De Dwaas en de Prins volgden de sporen van de drie behekste everzwijnen vanaf het huis van de weversvrouw die nog steeds volledig buiten zinnen was. De laatste keer dat ik zo ver buiten het dorp ben geweest, was toen ik als kind het Magische Hert was tegengekomen, dacht de Dwaas in zichzelf.


De Prins hield geen moment zijn ogen van de sporen, en voor ze het wisten kwamen ze in een open veld nabij het donkere bos, waar een grote eenzame appelboom stond, alsof het daar op hen heeft zitten wachten.


Al snel zagen ze dat ze op de juiste plek waren aangekomen, want rond de appelboom cirkelden drie monsterlijke everzwijnen. Onder appelboom lag een droog en gebroken lichaam; de handen nog steeds stevig rond de in het doek gewikkelde maten gesloten.


“Wacht hier”, zei de Prins en zette hij de Dwaas op een veilige afstand neer.


“Ha!” riep hij plots en gaf zijn paard de sporen.


Met een grote bocht reed hij om de appelboom en wierp zijn speer met een ferme kracht door de lucht.  Het eerste everzwijn was in een slag doorboord. De Dwaas juichte, maar de Prins keek niet om. Hij stevende onmiddellijk op de appelboom af om zijn speer uit het karkas te trekken. Het paard stevende daarna weg van de boom en de razende everzwijnen.


Opnieuw maakte de ridder dezelfde bocht terwijl hij zijn ogen recht op het volgende everzwijn hield. Zijn speer hield hij vast met zo’n afgemeten kracht en balans dat het tegelijkertijd leek alsof het hem geen moeite kostte, maar toch een diepe indruk maakte op de Dwaas die vanop afstand in volle spanning toekeek. Alleen zag hij niet dat er stilletjes aan een donkere schaduw over hem viel.


De Prins wierp nu voor een tweede keer met een diepe kreet zijn speer. Ook het tweede everzwijn was daarmee in één slag geveld.


Het derde everzwijn bleef echter niet stilletjes bij de boom wachten op de ridder. Hij was al met zijn poten in een razernij zodanig aan het stampen dat er appels uit de boom begonnen te vallen. En in een oogwenk stevende het everzwijn woedend af op de Prins! Het witte paard probeerde nog zo snel ze kon weg te rennen, maar dit monsterlijke everzwijn was sneller en met een doffe klap viel het paard neer, boven op de ridder der Speren.


De Dwaas wou de gevallen ridder te hulp schieten, maar een hand met lange vingers en bruine nagels klemde zich plots rond zijn nek en over zijn mond.


Ondertussen maakte het wild speekselende everzwijn deuken in het harnas van de ridder, die zichzelf van onder zijn paard probeerde te slepen en om zich heen keek waar zijn speer naartoe was.  Zonder zijn speer kon hij echter niets doen tegen het vervloekte dier. De heks lachte kakelend in het oor van de bibberende Dwaas terwijl het everzwijn de ridder opnieuw en opnieuw deed vallen. Van het kakelen veegde de heks een traan weg, waardoor de Dwaas terug kon roepen.


“Trek uw harnas uit!” riep de Dwaas, “Trek uw harnas uit!”


De heks bedekte zijn mond onmiddellijk met haar enorme handen en siste: “Stil, domme kleine rat!”


Maar de Prins had hem al gehoord, en tussen de meedogenloze stoten van het everzwijn door maakte hij zich met veel moeite los van zijn harnas, tot hij zwetend eruit los was gekomen, naar het karkas liep en zijn speer eruit haalde.

“Kom maar af!” riep hij naar het monsterlijke everzwijn, “Kom maar!”


“Blijf weg!” riep de heks nog, maar het koppige dier rende al uit alle macht. De ridder wachtte stokstijf op het everzwijn. Zijn ogen strak op het dier gericht, zijn speer in perfect balans. Wanneer het moment perfect was, stak hij de speer moeiteloos door zijn schedel met een kleine sprong en een grote stoot.


Het everzwijn was morsdood.


“Verduiveld!” krijste de heks en met een toverspreuk vloog ze met de angstige Dwaas tot boven in de appelboom, waar de Prins hen niet kon zien. Ze knipte in haar vingers waardoor de lippen van de Dwaas stijf op elkaar gingen staan en de takken van de appelboom zich rond zijn armen wikkelden als handboeien.


Aan de stam van de boom lag het uitgemergelde lichaam dat zo goed als een skelet was geworden. Hij kraakte de vingers voorzichtig open zodat hij het doek met daarin drie maten kon vastnemen. Hij keek om zich heen, op zoek naar de Dwaas, maar er was alleen een ijzige stilte over het groene veld. Hij keek terug naar het doek. Daarin lag een cirkel, een winkelhaak en een driehoek.


Op dat moment sprong de heks naar beneden en graaide de ze maten uit de handen van de ridder. Ze trok de speer uit het everzwijn en stak het in de schouder van de Prins. En kakelen dat ze deed!


“Zonder jouw harnas ben je niet veel, koene ridder die je bent”, riep de heks.


“Waarom moet je deze maten zo graag hebben, heks?” vroeg de ridder bloedend en op zijn knieën gevallen.


De heks zei: “Is het omdat ik een kwade heks ben, dat ik mijn redenen niet kan hebben? Schaamteloos!”


Ze vloog naar beneden tot ze oog in oog stond met de Prins.


“Ik heb dingen meegemaakt, ridder! Niet zoals jij die gevaren moet opzoeken om ze te trotseren en dan onthaald te worden als grote held. Medailles regenen op jou bij elke stap die je zet. Neen, voor een heks is het niet zo. Nooit heb ik gevaren moeten opzoeken... Zij kwamen vanzelf naar mij.”


Ze trok de speer met een lelijke snok uit de schouder van de Prins, die op de grond ineenstuikte.


“Waar zijn mijn medailles?” vroeg de heks, “Waar zijn ze? Waar is mijn standbeeld? Terwijl ik ook vele dingen heb overwonnen: ridders en bandieten en dieven en priesters, allen misleiders, allen profiteurs, allen lief zo lang ze iets nodig hebben, allen lelijk wanneer ze het hebben gehad, allen zonder medeleven voor het leven van een heks, allen in hun graf…”


Ze ging naast de Prins hurken op de grond, waar de maten uit het doek waren gevallen. Ze raapte die op en stak het weg in haar kleed.


“Dankjewel om deze uit te pakken voor me”, zei ze terwijl ze de Prins liet uitbloeden, “Ik heb geen medailles nodig. Ik weet al lang dat de medailles alleen zijn voor stoere ridders, want mensen houden ervan om bang te zijn van grote stoere ridders. Zo voelen ze zich veilig. Voor een heks is het anders. Mensen houden er niet van om bang te zijn van een heks. Ze voelen zich onveilig.”


En terwijl de heks maar praatte en praatte, had de ridder achter zijn rug een touw geknoopt van het doek met zijn lenige vingers.


“En soms vragen de mensen zich af waarom heksen altijd zo kwaad zijn!”


De Dwaas zag de Prins een touw knopen van het doek en zag voor hem een appel die recht boven het hoofd van de heks bengelde. Hij keek intens naar de appel alsof hij zo zijn gedachten kon laten spreken en schudde met de tak die rond zijn arm was gewikkeld. Maar de dikke vette appel zat goed vast.


“Waarom heb je die maten nodig, heks?” vroeg de Prins buiten adem, “Geef het terug aan de rechtmatige eigenaars.”


De heks kakelde toen ze dit hoorde. En ze kakelde en kakelde van het lachen. Hierdoor was de spreuk die de takken van de appelboom rond de Dwaas zijn armen hield, losser gekomen. Hij wrikte zichzelf los, kroop voorzichtig naar de tak waar de appel hing, plukte de appel en gooide het appel zo hard hij kon op de heks haar hoofd!


Zo hard had hij het gesmeten, dat de heks onmiddellijk in een zwijm vooroverviel. De Prins greep haar vast, sleepte haar tot naast de uitgedroogde wever en bond haar vast aan de appelboom met zijn pas geknoopte touw.


Wanneer de heks wakker werd, huilde ze en huilde ze maar door, want het doek brandde haar huid. De Dwaas nam de maten uit haar kleed en wanneer de heks op het punt stond een vervloeking uit te spreken, stak de Prins een appel in haar mond. Toch zag de Dwaas in haar huilende ogen hetzelfde soort verdriet waardoor hij de weversvrouw wou helpen. Even keken ze elkaar diep in de ogen, tot de Prins hem wegtrok en ze haar eenzaam en alleen achterlieten om de maten terug te brengen naar het dorp.


De Prins viel hoe langer en hoe meer zelf in zwijm, doordat hij zo hard had gebloed uit de wonde in zijn schouder. De Dwaas nam de teugels van het paard terwijl hij de ridder over hem heen voelde instuiken en reed naar zijn huis.

Moeder en Vader kwamen meteen buiten gerend bij het horen van het wild gedraaf aan hun deur.


“Moeder, Vader, help hem”, zei de Dwaas, “Hij is gewond!”


Ze wasten hem en zagen het leven bijna volledig uit hem wegtrekken.


“Neem het zout!” riep Moeder naar de Dwaas, die als bevroren toekeek hoe de Prins aan het zweten was van de kou. Maar zodra Moeder zout over zijn wonde strooide en erin wreef; sprong de gewonde ridder onmiddellijk recht en het kostte Vader en de broers van de Dwaas om hem te helpen de ridder op tafel te houden, waar hij krioelde van de pijn. Na een moment viel hij in zwijm en kwamen de zussen van de Dwaas binnen met het kruidenvrouwtje die onmiddellijk allerlei soorten groene takjes in de wonde drukte, bloemblaadjes over hem heen strooide en een lieflijk melodietje zong samen met de andere vrouwen.


Het kruidenvrouwtje stak nog wat salie in brand en hoestte nog twee of drie keer over de Prins vooraleer ze terug vertrok.


“Wat is er gebeurd’, vroeg Moeder.


Het hele gezin van de Dwaas luisterde naar elk woord dat uit zijn mond kwam, terwijl hij in kleine details vertelde wat er was gebeurd. Er viel een stilte en de Dwaas kon zien dat niet iedereen hem geloofde. Daarop haalde hij uit zijn zak de maten: een cirkel, een winkelhaak en een driehoek. Alle twijfel smolt meteen weg als sneeuw voor de zon.


Moeder en de Dwaas gingen die avond nog naar de weversvrouw, die hen uit dankbaarheid omhelsde met grote tranen van dankbaarheid. In dat moment was de Dwaas gelukkig dat zij en zijn moeder terug alles hadden bijgelegd, maar dacht terug aan de heks en de blik in haar ogen die hij zo herkende. De Dwaas vertelde heel het verhaal en dankte hem uit de grond van haar hart:


“Je hebt mijn leven gered door mijn maten terug te brengen”, zei ze.


In haar sluimerdroom die nacht dacht Moeder in haar bed aan de woorden uit de waterput en bij die gedachte schoot ze wakker, alsof ze vanuit de lucht in haar bed was neergevallen. Ze stond op, wreef in haar ogen en keek buiten. De maan vertelde haar dat het uur daar was om de dag rustig aan te beginnen.


“Rustig”, dacht Moeder in haarzelf, “De laatste dagen zijn allesbehalve rustig.”


Wanneer ze in de keuken kwam, zag ze de Dwaas slapen op een stoel aan de tafel waar de Prins lag. Ze probeerde voorbij hen te schuifelen zonder hen wakker te maken.


Zou de knapzak daar opnieuw liggen, vroeg ze haarzelf af. Maar voor ze de deur kon bereiken, was de Dwaas al wakker geworden door haar geschuifel en zei hij tot haar:


“Moeder. Ik was de hele nacht wakker. Ik weet niet hoe ik de Prins ooit kan terugbetalen voor wat hij voor ons heeft gedaan.”


Op dat moment voelde moeder een koude rilling over haar rug lopen terwijl ze besefte wat er was gebeurd, wat er de hele tijd aan het gebeuren was.


“… juist omdat de dingen waren zoals ze waren, zijn de dingen nu zoals ze zijn…”


“Je kan niet ontsnappen aan vandaag door terug te keren naar gisteren”, zei ze zachtjes in haarzelf, daarna sloot ze haar ogen en begon ze lichtjes te duizelen bij de gedachte.


“Wat zeg je”, vroeg de Dwaas met een slaperige tong.


Moeder zuchtte diep, leunde alsof ze buiten adem was op de tafel, keek haar zoon aan en zag de hulpeloosheid in zijn ogen. Op dat moment voelde ze in haarzelf een krachtig besluit, een warm gevoel van overtuiging dat ze al lang niet meer had gevoeld.


Ze zei: “Zoon, haal eerst eens wat water voor mij uit de waterput.”


Hij begreep niet zo goed waarom ze het zo serieus zei en nam stilletjes de houten emmer uit de hoek van de keuken. Moeder ging op de stoel zitten waar de Dwaas eerst zat en keek in de wonde van de Prins. Het begon te helen. Ze wreef in gedachten verzonken over zijn sterke schouder en zijn arm, terwijl ze de Dwaas de deur hoorde openen.


“Er ligt hier iets!” riep de Dwaas en zette de emmer neer.


Moeder wist heel goed wat er lag.


“Wat is dit?”


“Neem het”, zei ze met gesloten ogen en een weggeveegde traan, “Alles zit erin… precies wat je nodig hebt.”