Clark Gillian Website

Webnovelle


Robbe en Julie


Deel 1

1989


1. Provinciale bestuurlijke comitézitting 
2. KLJ fuif Sint-Laureins
3. Publieke middelen
4. Transcriptie 326
5. 160.000 BEF
6. Soeur Sourire
7. Dimethyltriptamine
8. Katahimikan ng kumbento
9. Wij willen willem weg...
10. Tante Nonneke
11. Zeveraar
12. Kunt gij nog volgen, Verbiest?
13. Night Shop Eeklo
14. Klimop
15. Julie sessie 21
16. De kreken
17. Bumagsak ang pader ng Berlin
18. Dommenollander


1. Provinciale comitézitting van de Koninklijke Rijkswacht rond aanhoudende bendevorming in Regio Assenede en Oosteeklo 01/02/1989


“Meneer Verbeeck, vertel nu keer wattat probleem is met de bende van Lembeke want die jongens zijn nauwelijks ouder dan 20-25 jaar als ikket dossier damij hier is voorgeschoteld mag geloven en toch slagen die rotzakskes erin de rijkswacht een slechte naam te geven door nagenoeg ongestraft wa U beschrijft als "aanhoudende" perikelen van vandalistische aard te bedrijven in de streek van Wachtebeke, Kaprijke tot in Eeklo en spreidt steeds verder. Dit wilt zeggen uren en uren mankracht en om nog nie te spreken van al het papierwerk dattaaraan is verbonden - een hele stapel administratie, ongelooflijk om bij stil te staan, ik verzeker het u, om dan nog nie te spreken van de afgelopen vergaderingen die hebben moeten plaatsvinden op elk niveau van de bestuurlijke en gerechtelijke rijkswacht, waaronder deze vergadering zelf, wa wil zeggen tot op het provinciale toe! [...] Ja, inderdaad, ik laat even een stille pauze vallen, wanta is maar één niveau onder het nationale! En laat ons daarom hopen dat nie nodig is dit verhaal onder de neus van Koning Albert zelf te moeten schuiven; bon, nie dattij betere dingen te doen heeft, maar da is een andere zaak. Damoenie in de notulen mevrouw Libaert. In elk geval, Meneer Verbeeck, om terug de rode draad op te pikken, deze zaak is voor U om een goede uitleg aan te proberen geven, met nadruk op proberen en laat het mij toe op dit moment direct ook Majoor-Inspecteur Verbiest aan U voor te stellen die zijn dienst heeft bewezen in de zaak Oudenaarde, U en iedereen binnen de rijkswacht welbekend. Dank u wel Meneer Verbiest U kan terug zitten, dank U wel. Gij zult merken dattij met gouden oortjes zal zitten luisteren naar uw uitleg en wees ervan bewust dattij het dossier al deftig heeft ingestudeerd, naar mijn persoonlijke instructie. Het komt hierop neer, heren: deze bende anarchisten hebben ons als rijkswacht al veel te lang zitten vernederen, maar het probleem voor U, Meneer Verbeeck, is dat de Rijkswacht van Regio Assenede-Oosteeklo zo schijnbaar makkelijk verneder-baar is. Ik laat opnieuw even een stilte vallen om da te laten indringen, want de vernedering is nie alleen binnen de muren van de rijkswacht, hé. Dàt is waarom gij hier nu zit. Ik nodig U uit om zelf de zaak even toe te lichten, vooraleer het 'licht' voor ons allemaal uit gaat wanneer de Rijkswacht wordt opgedoekt dankzij de eindeloze reeks schandalen, de ene achter de andere bijna dattet mij de keel uit steekt bij wijze van spreken, Meneer Verbeeck, gij begrijpt mij wel. Er sta veel meer op het spel hier dan alleen uw wanbeheer en idiotie! In uw aanpak welteverstaan, Meneer Verbeeck, en verexcuseert U mij dakik mijn stem daar even verhief, maar de situatie vraagt naar een bovenmaatse kordaatheid, een kordaatheid die wijlen mijn vader te pas en te onpas ook wel eens een goeie schop onder uw gat noemde welke ik alleen als uitdrukking van zin ben om te gebruiken en nie in de praktijk wil brengen, maar ik kan U verzekeren, onwaarschijnlijk betekent nie onmogelijk. Gij staat nu misschien nog aan het hoofd van de Rijkswacht regio Assenede-Oosteeklo als Kolonel-Luitenant van de lokale gendarmerie, maar vergis U nie, tientallen jaren ervaring in dezelfde functie is nie hetzelfde als een vaste benoeming. Ja? Goed. Ik hoor nu graag van U, Meneer Verbeeck, spreek.”


2. KLJ fuif Sint-Laureins


“Dag Geraldine, ja, voor mij graag drie pistolets en twee boterkoeken, 200 gram préparé, 200 gram vleessalade, 150 gram belegen kaas en zijn er terug eierkoeken?”
“Nog nie, Roger maakt ze niemeer zo regelmatig sinds het voorval met Bénédicte, hij is er nog steeds nie goed van. Zodus. Tis een heel spel geweest.”
“Ik durfde het nie zo goed vragen maar...”
“Roger maakt nu bijna niks meer met crème. Hij komt er niemeer toe van de miserie. Ah, ja, hé. Dokterschool is zo duur, hé, voor een zelfstandige bakker, het is allemaal uit eigen zak en de studiebeurs komt er nie in tussen. Nu met Bénédicte zijn schorsing is Roger ten einde raad. Zijn stem is helemaal hees als ik hem spreek. Ik vermoed dattij nog regelmatig staat te roepen op hem. Gezicht helemaal ingezakt, grijze ogen, allez, nie zoals dawe hem kennen. 300 gram vleessalade?”
“200 gram alstublieft.”
“...”
“210 goed?”
“Das goed. [...] En is dagebeurd op die KLJ fuif in Sint-Laureins?”

“Ja, allemaal op die fuiven, hé. Ik ken er het fijne nie van alleen wakik ervan hoor en het is de neef van Verbeeck van de Rijkswacht, Tibeau, kennegij hem? Ja, neergestoken... Gelukkig niks ernstig, allez, dodelijk, maar wel een diepe snee in de arm en veel bloed. Naar het schijnt is het de zoon van de Dokter Callens zelf, Robbe, die Bénédicte heeft aangezet. Bénédicte zegtatij het nie gedaan heeft maar dat Robbe was, want Robbe is bij de anarchisten gegaan sinds dattij was beginnen studeren, ook voor dokter, hé, ze zitten samen in de les, maar hij was een tijd terug al begonnen met sleutels langs de auto's trekken en al, gij kenta wel. Hij is tegen merken, hij is tegen commerciële ketens. Maar hij ging van kwaad naar ergeren hij trok Bénédicte erin mee.”
“Ehmoar, neergestoken?”
“Ken er het fijne nie van, Roger spreekt er nie van tenzij wanneer dattij hemzelf derover opwindt, maar da gebeurt nie zoveel meer. De avond van de fuif heeft zijn vriendin Romy het naar het schijnt met Robbe uitgemaakt en... In ieder geval hij was al van plan om hem te gaan afreageren dien avond, boel zoeken, ja, naar het schijnt, hé. Allez, het is toen op de fuif van kwaad naar erger gegaan en hij had - dachtij - een makkelijk slachtoffer uitgekozen, Tibeau, naar 't schijnt een homo, ja, ja, maar gij weettet nie van mij. Wa Robbe dus nie wist is dattij de neef is van het hoofd van de Rijkswacht, Richard Verbeeck. Dan is Tis 420 frank, alstublieft.”
“Da is toch nie te geloven. Hier is een briefke van 500.”
“Dank U. Ja. Nee. Bénédicte mag niemeer buiten komen nu, en hij heeft zelfs toegegeven da Robbe misschien bij de Bende van Lembeke ga gaan, maar da is natuurlijk iets dakik nie graag zeg, want als datter ore komt van de dokter, dan gaat het stuiven bij hem thuis - En 80 terug.”
“Dank U. Ja, verschrikkelijk toch allemaal, hé, als ge de verhalen allemaal hoort.”
“Zakske hebben? Het erge is da Bénédicte en nie Robbe de volle lading heeft moeten krijgen. Roger is bang dat de bakkerij geruïneerd is als Callens een rechtzaak aanspant tegen hem.”
“Ja, dank U vriendelijk. Tis toch allemaal erg, hé.”
“Alstublieft. Ja, maar zolang dawe kunnen spreken leven we nog, hé.”
“Da is zo, dank U Geraldine! Salut!”
“Salut!”


3. Publieke middelen


“En wie es da?”
“Julie.”
“Julie Verbeeck?”
“Ja.”
“Shit.”
“Ja, inderdaad, shit.”
“...”
“Was vroeger Jules, hé. Dan is hij op een gegeven moment verdwenen van 't middelbaar - hij zat op 't PTI - en daarna terug naar school gegaan in 't Atheneum, maar dan als Julie voor 't laatste jaar 'n half.”
“Ik zou het nooit zeggen.”
“En hij, ik bedoel zij, is de dochter van Verbeeck, hé. Onze Verbeeck. De grote baas.”
“Da had ik al door, Bart.”
“Dus stop met staren. Das nie beleefd.”
“Ik ben nie aan 't staren.”
“Jawel.”

“...”
“Gij zou het nooit zeggen. Echt.”
“Als gij het nie wista ze een Frankenstein was dan zou gij nog kunnen zeggen daze snelle was, maar...”
“Zis een snelle. Ga gij mij vertellen da als gij een kans had...?”
“Ma gij geile, geile hond, Pascale!”
“Stop, Tis helemaal nie zo.”
“Ah, maar waar heb gij uw bijnaam dan aan verdiend?”
“Stop! Durf het nie, hé.”
“Ok, ik stop.”
“...”
“Geile hond.”
“Deb.”
“Hahaha, deb?!”
“Ja. Deb.”
“...”
“Verbeeck heeft gevraagd voor extra mannen op de 100 dagen viering. Vooral op de fuif in de sporthal. Julie gaat daar ook zijn, hé.”

“Nie zitten doorvertellen dakik haar een snelle vind, gij moet er geen groot verhaal van gaan maken! Het is een snelle, iedereen ziet da.”
“Da is alleen maar op 't eerste zicht.”
“Zwijg, gij. Hoeveel mensen kennen we nie jaren alleen maar op 't eerste zicht waar we het fijne er ook nie van weten. Ze is een snelle. Punt aan de lijn. En da is tenigste dakik erover te zeggen heb.”
“Tis goe. Tis goe. Ket verstaan....”
“Wildegij dan gaan bewaken op de 100 dagen ook?”
“...”
“Awel?”
“Wa?”
“Ga gij mee gaan bewaken?”
“Ja! Tis goe!”
“Ma gij moet nie, hé.”
“Jawel, ik wil graag. Zet mij maar mee op de lijst... En gij moet nie zo zitten lachen!”


***


“Pascale de Pauw!”
“Ja, meneer Verbeeck.”
“Ex-militair, was het toch, hé?”
“Paracommando's, meneer.”
“Daswel. Daswel. Kom een keer efkes naar mijn kantoor? Ik heb gezien dagij U hebt opgegeven voor extra bewaking voor de honderd dagen viering in de Sporthal van Eeklo.”
“Klopt, meneer.”
“Awel, het is goed, dank U wel om da op te nemen. Er zijn een paar dingen dakik U nog wil vertellen omtrent het hele geval met de Bende van Lembeke en de boelmakers Bénédicte en Robbe die op de KLJ fuif in Sint-Laureins al die miserie hebben aangericht, waarvan dawe ook al vermoeden banden te hebben met de bende van Lembeke.”
“Natuurlijk, Meneer.”
“Zoals gij misschien wel weet, het slachtoffer van de mesaanval door Bénédicte en Robbe op de fuif in Sint-Laureins is mijn eigen neef, Tibeau Verbeeck. Hij en mijn dochter Julie vieren nu hun laatste jaar in 't middelbaar een daarom zijn ze van plan samen naar de festiviteiten te gaan. Normalerwijze zou ik blij zijn damijn dochter iemand bij haar heeft om haar te beschermen bij wijze van spreken maar dankzij het voorval van op de KLJ fuif in Sint-Laureins zijn we te weten gekomen dadet geen toeval is da Tibeau is aangevallen geweest. De delinquent Robbe Callens, en ik zeg delinquent tussen ons gezegd en gezwegen uit respect voor mijn goede vriend Dokter Callens die ik al ken sinds mijn eigen jeugd en mee op 't school heb gezeten, die het nie verdiend zijn leven geruïneerd te hebben door een etterbak van een zoon, zodus we hebben Robbe zijn dossier hier schoon gelaten, en opnieuw da is tussen ons gezegd en gezwegen, maar ik kan het nie blijven verdedigen want ik kan U vertellen, het is nie de eerste keer dawe Robbe zijn naam hebben horen vallen sinds dattij bij de Anarchisten is gegaan. Ik vermoed dattij nog nie wijs genoeg is het verschil te weten tussen de theoretische reflecties van de beweging intalgemeen of simpelweg gewoon zoekt achter een excuus om zinloos geweld te plegen zogezegd in naam van de rebelleren tegen de zogenaamde "machine" maar in ieder geval hier bij de rijkswacht kennen we zijn - laat ons zeggen - "onzichtbaar dossier" waarbij het duidelijk is dattij aansluiting zoekt bij de Bende van Lembeke. Bénédicte, die arme sukkelaar, heeft de schuld op hem moeten nemen, maar da kan ik hem in mijn goed geweten nie opnieuw aan doen. Ket Roger ook laten weten, zorgtatij nooit nergens ooit nog in de buurt komt van Robbe Callens, als hij zichzelf en zijn bakkerij nie geruïneerd wil zien door de stommiteiten van een snotneus - en alles wa Roger in zijn leven heeft opgebouwd - gaat riskeren.”
“Ik begrijp het, Meneer.”
“In ieder geval, hier ist ding: om toe te treden tot de bende van Lembeke moet gij iemand hebben neergestoken die oftewel een Rijkswachter is oftewel waze noemen een jeanette. Zodus, da verklaart onmiddellijk waarom Robbe rondliep met een mes op de KLJ fuif. Hij zocht en zoekt nog steeds om tot de Bende van Lembeke toe te treden. Ik wil ervoor zorgen dattij van de gelegenheid geen gebruik maakt om zijn lidkaart tot die sekte - en ik noem het een sekte - te behalen.”
“Ik begrijp het, Meneer Verbeeck.”
“Maar, Pascal, zorg alstublief tatnie opvalt alsof ik persoonlijke bescherming heb gestuurd naar mijn eigen familie. Gij weet hoe het anders zou overkomen.”
“Geen zorgen, Meneer.”
“Die bende, en de naam is nie slecht gekozen - een echte bende - bezorgt de rijkswacht al lang heel veel werk, maar ik laat het nie ten koste gaan van mijn eigen familie. Als ik kon zou ik zelf gaan bewaken, maar ik sta dankzij deze hele zaak zelf onder toezicht, ik kan het heft nie eens in eigen handen nemen, het is toch triestig.”
“Ik begrijp het Meneer Verbeeck. Het ga net zijn alsof dagij der zelf bij sta.”


***


“Inspecteur Verbiest!”
“Ah, hallo, sorry wat was uw naam ook alweer?”
“Pascale de Pauw, inspecteur.”
“De Pauw, goeiemiddag. Ik zie dat U net van het kantoor van Meneer Verbeeck komt. Goed gesprek gehad? Gij vind het toch niet erg dakik mijn boekske bovenhaal. Het is niet het grote boek van Sinterklaas, hoor. Ik ben meer gelijk zwarte Piet - ik hoor u wel maar ik zie u niet. Het is maar voor te lachen, de Pauw. Het is niet serieus. Vierdegij nog Sinterklaas? Kinderen?”
“Ik... Nee, geen kinderen, ik...”
“Te jong natuurlijk. Maar gij bent ex-militair toch, hé?”
“Ja, inderdaad. De paracommando's, inspecteur.”
“Ik kan het onmogelijk vergeten als gij het zo mooi blijft herhalen, de Pauw. En gij bent er moeten weggaan omwille van -?”
“Ik ben zelf weggestapt omdakik een carrière dichter bij huis wou.”
“...”
“Wel, ik zou denken dat als gij start als paracommando gij ergens wel begrijpt dat uw werkplaats - als dat al bestaat als paracommando - nie dicht bij huis is. Van waar zijdegij?”
“Sint-Jan-In-Eremo, inspecteur.”
“Sint-Jan-In-Eremo? Ma, gij zij zo goed als terug naar uw nest gegaan, bij wijze van spreken.”
“...”
“Goe voor U. In ieder geval, ik merk hier dat U al goed begint uwen draai te vinden, precies, hé? Al op babbel met hoofd van de regionale rijkswacht, gezellig gesprek zo nu en dan?”
“Het is geen gezellige babbel, het ging over toezicht op de 100-dagen viering.”
“De 100-dagen viering. En wordt er verwacht dat de bende van Lembeke daar gaat zijn?”
“Ja, er werd versterking gevraagd.”
“"Er werd"? Of Meneer Verbeeck? Uw Kolonel-Luitenant.”
“Ja, Verbeeck vroeg wa extra mankracht.”
“Het zou toch niks te maken hebben met het feit da zijn dochter en andere leden van zijn familie toevallig in Eeklo hun 100-dagen vieren?”

“...”
“Want dat zou betekenen dat hij als kolonel-luitenant van de rijkswacht publieke middelen zou gebruiken voor eigenbelang, moest mankracht inzetten voor zijn eigen terwijl er zodanig veel dingen te bewaken en te bekijken en te bezien zijn, da er in feite niet genoeg mankracht voor bestaat binnen de rijkswacht op zich? Dingen die absoluut in het belang zijn van, het publiek, laat het ons zo zeggen, hé. Het publiek, van waar onze middelen komen, herinner U. Gij werkt hier toch, hé?”
“Ik werk hier.”
“Ik snap het, gij bent nog niet zo bekend met de gerechtelijke rijkswacht om te gaan, het is niet zoals in 't leger. Maar ik kan U verzekeren, De Pauw, gij zult het wel leren. Da is wel zoals in 't leger.”
“...”
“Tong ingeslikt? Allez, dan. Tis goed. Doe maar voort. Salut!”
“Salut, inspecteur Verbiest.”
“Tis Majoor-Inspecteur Verbiest.”
“Majoor-Inspecteur.”


4. Transcriptie 326


[...]
“Bel hier niemeer naartoe, Robbe. Ik wil nie met U spreken.”
“Waarom nie Béné, allez? Ik mis U wel, hé! Gij zij mijn beste vriend. Zit gij nog op kot?”
“Ik mis U nie. En waarom zou ik nog op kot zitten ik ben geschorst. Door U!”
“Het spijt mij, Béné. Sorry!”
“Stop het, Robbe. Subiet hoort mijn papa dakik aan de telefoon hang me U en dan rukttij de telefoonlijn uit.”
“Please nog nie ophangen. Ik wil U maar één ding vragen.”
“Wa kank ik nog meer doen voor U naast de schuld van een mesaanval op mij pakken? Gij durft nog iets vragen?”
“Béné, Béné, wacht! Luister! Béné! Ga gij naar de 100-dagen viering gaan?”
“100-dagen? Robbe, da hebben we al gevierd toen wij in 't laatste jaar zaten, vorig jaar!”
“Nie voor mij Béné, voor Romy! Tis haren 100-dagen, hé.”
“Robbe, Romy heeft het uitgemaakt me U! Stalkt haar nie! En stalkt mij ook nie.”
“Béné, please, ik ga het allemaal goe maken. Ik ga ervoor zorgen da het allemaal goe komt.”
“Da stelt mij nie gerust, joengene. Ik wil dit allemaal nie horen. Laat mij me rust.”
“Ik beloof het, ik beloof het...”
“Ik moe door – ...”
[...]


5. 160.000 BEF


“Kom aan tafel Robbe, het eten wordt koud! Uw moeder heeft nie staan zwoegen in de keuken met al die goeie producten zodanig da wanneer het allemaal eindelijk klaar is we er allemaal nie van kunnen genieten omda het koud op bord ligt van zo lang te moeten wachten op u!”
“...”
“Robbe!”
“Ik kom!”
“Die jongen is de nagel aan mijn doodskist. Het is nie erg genoeg da er langst alle kanten mensen de kist klaarzetten en nie kunnen wachten om mij erin te duwen, het gaat nog mijn eigen zoon zijn die de laatste nagel erin gaat kloppen. God den Heere nog aan toe.”
“Kalmeert en ga zitten, Gilbert. Het eten is nog heet.”
“Robbe!”
“Hij komt al, Gilbert. Hij komt.”
“...”
“Op zijn dooie gemak natuurlijk.”
“Ik ben er.”
“...”
“Lees het Onze Vader...”
“Robbe!”
“Gij zijt zelf nie eens gelovig, Papa!”
“Da maakt nie uit. Het een sluit het ander nie uit. Lees het Onze Vader.”
“...”
“Allez, Robbe, doe nu een keer nie zo. Tis uw favoriet vanavond. Beenhammetje in mosterdsaus met puree.”
“Lees het Onze Vader.”
“Ok, Tis goe.”
[...]
“Blij?”
“Ik blij? Gij zou blij moeten zijn. Ket kunnen regelen dagij volgend semester terug verder mag studeren. En ik wil niks horen –”
“Ik wil nie verder studeren.”
“Ik heb danie gehoord!”
“Gilbert, kalm.”
“Nee, Nadine, het is goed. Ik heb niks gehoord, dus er is geen probleem. Robbe gaat terug studeren wanneer hij hem beter voelt.”
“...”
“Is het goed?”
“Gij vraagt altijd of wij het goed vinden, mama, maar gij zegt nooit als gij het zelf lekker vindt.”
“Ja, het is goed. Het is lekker, hé Leen?”
“Ja.”
“Voilà, het is lekker. Blij Robbe? Aan U gaan we het nie vragen want gij moet er maar blij mee zijn.”
“...”
“Allez, de eerste vlucht met de Concorde van Brussel naar New York gaat thans vertrekken tegen 't einde van het jaar, hé. En weet er iemand hoeveel een ticket kost?”
“Neen, boemelke.”
“Gij, Robbe?”
“...”
“Awel? Weettegij het?”
“Nee.”
“...”
“160.000 BEF! Voor enen vlucht.”
“Ma allez, voor één keer over en 't weer?”
“Ja, 160.000 BEF, Kwakske, maar ge moe rekenen: het vliegt aan meer dan 2000 kilometer per uur! Dawilt zeggen dattating de hele Atlantische Oceaan oversteekt in 3 uur. Das minder dan de helft korter dan met een gewoon vliegtuig. Da is de toekomst.”
“Prachtig, hé, hoe de technologie vooruit gaat. Binnenkort kunnen we over de hele wereld vliegen en overal staan in een paar uurkes tijd.”
“Het is te hopen, Kwakske.”
“Ik denk da de technologie alleen maar hoe langer hoe meer gaat bijdragen aan de onderdrukking van de mensen.”
“...”
“Allez, Robbe.”
“Voorzichtig met uw glas Gilbert!”
“Nee, laat hem een keer spreken. Ik heb zin ommem toren. Laat hem maar spreken. Kwilt wel weten wattatij denkt.”
“Gilbert.”
“Nee, nee. Nadine. Kwiltoren. Zeg maar Robbe.”
“Gewoon, mensen. Mensen gaan technologie gebruiken om andere mensen hun vrijheid af te pakken.”
“Hun vrijheid. Amai. Weer grote woorden, zenne.”
“Ik voorspel alleen da technologie, hoe meer het "vooruitgaat" hoe meer ze dingen gaan uitvinden om de mensen te beperken en stil te houden en te pijnigen en minder te maken en bang te maken.”
“Gij zijt het die uw eigen moeder bang maakt, Robbe, met uw zotte praat.”
“Gilbert. Klop nie zo op tafel. Ge doet alles rammelen.”
“Ma, Kwakske, gij begrijpt toch waarom ik zo doe? Luistert naar hem!”
“Ik weettet, Gilbert. Maar hou U kalm.”
“Robbe, luister. Denktegij nie da de mensen in opstand zouden komen moest het zo ver komen? Denktegij nie da mensen gaan protesteren tegen een technologie die hen hun gemak kost en hen het leven moeilijk maakt?”
“Ik denk nie dat de toekomst zo makkelijk gaat zijn, juist dankzij die technologie.”
“Ma wij, de mensen, maken technologie! Nie omgekeerd. Wij bouwen technologie. Nie omgekeerd. Wij gebruiken technologie. Nie omgekeerd. Gij hebt nie genoeg vertrouwen in de mensen. “
“Ik begrijp nie hoe gij zo donker bent geworden, Robbe, kind, dagij denkta de mens eerder een manier gaat vinden om elkaar te treiteren dan ziektes uit de wereld te helpen.
Tegen het momenta gij dokter bent geworden, bestaat kanker niemeer, da is mijn voorspelling.”

“Mama, papa, allez, jullie vertellen constant over hoe voor den oorlog had niemand een televisie, alleen in de café's en nu heeft iedereen een televisie in hun living.”
“Inderdaad da heb ik altijd gezegd om U erop te wijzen da het nie altijd zo makkelijk is geweest zoals dat nu is voor U. Gij bent een luxebeest, beseftegij dawel?”
“...”
“Vroeger spraken ze ervan dat de tijd nog ging komen dawe wekelijks kip zou kunnen eten. Nu ligt er zoveel kip in de supermarkt dan dawe het nie eens allemaal kunnen opeten zelfs moest iedereen iedere dag een kip eten!”
“Ok, maar mama, papa, denk gij nie datter in de toekomst de technologie gaat bestaan dat de televisie terugkijkt naar U?”
“...”
“Hahahaha!”
“Hahahaha!”
“...”
“Robbe, Jongen, moesten mensen merken da er binnen in hun huis wordt meegekeken door de televisies, dan zou iedereen toch hun televisie buiten smijten, zekerst!”
“Denktegij da, papa?”
“Ik denk da! Ben er zeker van! Wie gaat er nu blijven zitten en kijken terwijldagij in uw eigen luie zetel wordt bekeken en beluisterd zonder uw toestemming, allez, da is toch te zot voor woorden, Robbe, ma denkt toch een keer na! Mensen zouden zoiets nooit toe laten!”
“Da is het ding, gij geloofta tegen dan het nog aan de mensen zelf is om iets wel of nie toe te laten.”
“Robbe, ik wil dagij één ding goed begrijpt. Ik weetta het heel leuk is om mee te doen met da heel spel van no future en die punkmuziek en de graffiti het is allemaal heel stoer maar de waarheid is heel simpel voor U. Gij komt nie uit de werkersklasse, vriend, knoopta eens in uw oren. Gij komt uit een doktersfamilie en wij hebben de middelen en de privilege om U echt een toekomst te geven. Een comfortabele toekomst DIE ER TOE DOET, dus ik wil uwen onzin van no future niemeer horen dagaat nie eens over U! Gij hebt wel een future. En later ga gij mij danken dakik U uit die nonsens heb weggetrokken.”
“...”
“Zeg iets, Nadine.”
“Robbe, gij filosofeert te veel. Ergens moet gij toch praktisch blijven, vind ik. Het is alleen maar zo da mensen een leven met elkaar kunnen opbouwen, toch, Gilbert? Liefde is mooi, maar verwelkt snel - gelijk als een boeket als gij ze nie in water kunt zetten.”
“...”
“...”
“En hoe is uw dag geweest, Leentje?”


6. Soeur Sourire


Ad Valvas KVB Bentille:


Oproep n.a.v. KVB kraam jaarmarkt Kaprijke - vervanging Lutgard. Door het onverwachte wegvallen van Lutgard zoeken we een vrijwillige vervangster die kan en wilt bijdragen aan het aanbod van de taartverkoop ten voordele van Broederlijk Delen en tevens ook een aantal uur bereid is de kraam te bemannen tijdens de jaarmarkt in Kaprijke, die zal plaatsvinden in de straten rondom het gemeentehuis en op het dorpsplein. We zoeken bij voorkeur een lid uit Kaprijke zelf. Gelieve persoonlijk aan te melden op het kantoor op maandagen van 14:30 tot 16:00 of woensdagen van 09:00 - 12:00 en van 14:00 - 15:30 of via de telefoon op 093732157 op voorvermelde uren, zodat er samen naar de planning, aanbod en opstelling kan gekeken worden. Veel dank!


“Hoe is het nog met Lutgard?”
“Ze ligtint ziekenhuis, maar straks magzal terug naaruis, ekgoord van Danielle. Haar kinderen gaan haar daar verder verzorgen. Tistopen dat gevoel volledig gaat terugkomen in haar gezicht.”
“Kan ze haar gezicht nog nie voelen?”
“Nee, en het is nog nie gezegd dat nog terugkomt. Het is te hopen, het is te hopen.”

“Wattatie bende aanricht, tis een schande.”
“Hij had haar dochter weggepakt, ze mochten niemeer met elkaar praten. Dan heefttij haar uitgebuit aan de bende. Ze moest wel, ze kon geen nee zeggen tegen die gasten en ze mocht niemeer spreken met haar familie. De rijkswacht heeft Lutgard alle details moeten overlopen met haar zelfmoord en alles, hé. Haren testament lag klaar en alles. Ze heeft er een hartaanval van gekregen ter plekke.”
“Ma, Godverdomme. Godverdomme.”
“Ma das nog nie alles. Hij heeft haar op straat gezet wanttij vertrouwde haar niemeer, terwijl hij haar ertoe had gezet haarzelf uit te buiten voor geld en thans heefttij haar zwart gemaakt bij iedereen als de hoer van Boekhoute.”
“De hoer van Boekhoute! Mens, mens, mens.”
“Bij wie kon ze zij thans nog terecht? Ze werd door iedereen uitgemaakt want mensen verspreiden da graag, hé, maakt nie uit of het waar is of nie. Als ze zoiets horen nemen mensen liever tergste aan omdaze bang zijn da het toch waar zou zijn maar gij sluit zo mensen af, hé. Van alles. En thans, ja. Ze heeft zelfmoord gepleegd. Nu moet de familie Lutgard verzorgen, maar hun zus zijn ze voor altijd kwijt. Ze kennen nu de waarheid maar da maakt de pijn alleen erger.”
“Eh-Godverdomme.”
“En diene Niek. Het heeft nie lang geduurd of hij heeft hem een Filipijnse vrouw gepakt. Waarschijnlijk opnieuw begonnen met heel zijn spel.”
“Ma wie es da? Diene man?”
“Zoon van Francine: Niek. Francine Verstringhe? Weet wel? Van de Hellepolder. Ja, Niek Verstringhe. En hij woont daar nu ook optandere uiteinde van de boerderij in een tuinhuis met die Filipijnse. Allez een groot tuinhuis, hé. Ze wonen daar nu in, ja.”
“Uw man weet ook veel, hé, met zijn werk. Gij hebt een goeien. Richard. Hij weet waarschijnlijk meer dan dattij graag zou willen geweten hebben.”
“Tis zijn werk en ik heb hem echt eerlijk over de jaren nog nooit over horen klagen, alleen dat zwaar is. Af en toe zegttij wel dattij efkes weg moet. Met de moto. 's Avonds omstreeks hetzelfde uur. Wanneer dattijt nodig heeft. Dan is hij weg. Duurt nie lang. Een uurke. Dan is hij weer. Anders, wel. Lichter, luchtiger. Zijn kaak niemeer zo strak. Hij luistert daarna meer naar wak zeg, dus da is wel goed. Maar klagen heb ik hem nooit weten doen.”
“Als het maar een tour met de moto is, Inge, en nie dattij met een stuk in zijn kraag thuiskomt iedere nacht.”
“Zeg da nie door, hé, maar soms riek ik wel een keer wa alcohol, ze. Aan zijn adem. Maar hij is nooit dronken. Een beetje rood in de nek, alleen. Tis raar. 'k Voel me er soms ongemakkelijk bij maar ik weet wel dat de job veel van hem eist.”
“Ik denk dattij er echt nood aan heeft om alleen te zijn en niks meer te horen van al die dingen dattij moe regelen.”
“Da weet ik. Daarom, alles wa te maken heeft met de dingen thuis, ik regel het zelf en alles wa te maken heeft met Julie ook, ik wil nie dattij hem daarover zorgen moet baren. En hij moeta ook nie.”
“Hij heeft het getroffen me U zenne.”
“Ik denk dak ergens het gevoel heb da het nie genoeg is, wak doe, dakket allemaal regel waar misschien andere vrouwen meer op hun man voor kunnen rekenen. Het zijn ook lange dagen dattij klopt, hé.”
“Ik kan het mij voorstellen. Zeg en hoe stelt Julie het?”
“Goed, goed. Ze is bijna afgestudeerd aan 't Atheneum.”
“Weet ze al waze gaat studeren volgend jaar?”
“Ket al een paar keer gevraagd, maar ze weettet nog niegoe. Ik vermoed psychologie.”
“Das een mooie studie, hé. Zware studie.”
“Ja, redelijk zwaar, maar ik denk daze er wel de kop voor heeft, ondanks daze heeft moeten blijven zitten.”
“Ja da geloof ik wel, da geloof ik wel.”

“Maar haar kostuum voor de 100-dagen heeft ze wel snel gekozen, ze. Amai!”
“Ah, ja? Op da vlak weet ze dan wel snel te beslissen.”
“Gij gaat da nooit geloven wa zij gekozen heeft.”
“Wadde?”
“Soeur Sourire.”
“Soeur Sourire? Hahaha!”
“Zot, hé. Maar de 100-dagen zijn ook zot. Richard heeft al gevraagd voor extra versterking, zenne. Een oogske in het zeil. Naar het schijnt heefttij - zeg het niemand, hé, das tussen ons gezegd en gezwegen - speciaal iemand ingezet die een oogske heeft op haar, zodanig dattij zeker weeta ze veilig is.”
“Heeft er iemand in zijn korps een oogske op Julie, dan? Allez, nie da'k ervan verschiet ofzo, ze is een schone, echt een schone!”
“Ik weettet soms vind ik daze te veel make-up aan doet voor haar leeftijd maar da is ook deel van, allez gij weet wel van haar te voelen zoals ze is maar het maakt mij als moeder soms bang daze aandacht trekt die nie zo vriendelijk is.”
“Gept geen ongelijk.”
“...”
“En slim van Richard. Iemand inzetten die een oogske op haar heeft. Ge moet er maar aan denken, hé.”
“Richard weet wattatij doet. Hij weet wie hij moet inzetten. Hij weet waar hij moet zijn en nie zijn. Het is daarom metta intern verhoor dattij gekregen heeft, is hij meer van zijn stuk. Da merk ik wel. Hij gaat meer gaan rijden met de moto.”
“Ik geloof het. Maar da komt goe, jong. Da komt goe. “


***


“En, Julie. Goedemiddag. Heb je al jouw kostuum gekozen voor de 100-dagen?”
“Ja.”
“En zou je mij willen vertellen wat het is?”
“Soeur Sourire.”
“Soeur Sourire! Grappig! Geweldig gewoon. En? Volledig habijt? Alles erop en eraan? Ik kan het mij al volledig inbeelden!”
“Ja.”
“Ik zie jouw gezicht helemaal oplichten bij het gedacht, super. En hoe waren de laatste paar injecties, iets van bijwerkingen gehad?”
“Nee.”
“Het is ook al een tijd geleden dat er iets te melden viel, dus dat was te verwachten. Hoe minder, hoe beter zeggen we altijd.”
“...”
“En op school? Loopt alles goed daar?”
“Ja, ja, ik denk het wel.”
“Al gekozen wat je gaat studeren? Volgend jaar?”
“Ik weet het nog niet. Ik dacht aan psychologie. Misschien.”
“Psychologie!”
“Ja.”
“Wat een mooie glimlach verschijnt er op uw gezicht! Ja, ik denk dat het een goeie keuze is voor U. En ik ga het ook opnemen als een compliment naar mij toe. Hihi.”
“- Ja...”
“Ik denk, Julie, dat het mooie eraan is dat wanneer je gaat studeren er een verse, nieuwe omgeving gaat zijn. Volwassener ook, omringd met interesse-genoten, medestudenten. Je kan zijn wie je nu bent zonder een ondertoon van bepaalde... aannames over jezelf waartussen je continu moet schipperen. Gewoon jezelf zoals je bent, zoals je leeft. Bevrijdend, denk ik, voor jou.”
“Ja, da zou wel goe zijn.”
“Ja en dat zal ook zo zijn, Julie, geloof mij. Ik ben blij voor U.”
“...”
“En wil je mij misschien vertellen waarom Soeur Sourire?”
“'k Wee nie. Ik vond het gewoon... mooi.”
“Nonnen hebben zoiets mysterieus, hé. Ja, hé? Ze steken zich weg in volle zicht. Met een bepaalde stille trots, ook. Ik begrijp het.”
“...”
“Allez, ik ga U niet langer houden. We zien elkaar over een maand terug, Julie. Zit je dan niet midden in uw eindexamens of daar tegen aan? Is dat geen probleem?”
“Neen, 't is goe. Ik plan da wel in.”
“Super, Julie. Tot dan!”
“Tot dan.”


7. Dimethyltriptamine


“...”
“En wa is uw naam?”
“Niek. Verstringhe.”
“Zijdegij deel van -?”
“Nee. Maar doe er goeie zaken mee. Gij?”
“Robbe. Callens.”
“Deel van?”
“Neen, nog nie. Maar binnenkort wel.”
“Gij zij zeker van uw stuk.”
“Ik heb iets goed te bieden.”
“En wie is uw vriend.”
“Bénédicte.”
“Hey- zegt mijn echte naam toch een keer nie! Niemand moe weten dak hier geweest ben.”
“Aan wie gaattij da voortvertellen, Béné?”
“Ik ga zwijgen gelijk een graf.”
“Hoort?”
“Ok.”
“Ik heb U toch gezegd dak het terug goe ging maken?”
“Ik zal U wel zeggen als het zover is want tot nu toe...”

“Geduld, jongen!”
“Hij noemt hemzelf de Sjamaan van Ertvelde.”
“Wa zegde?”
“Dattij hemzelf de Sjamaan van Ertvelde noemt.”
“Wie?”
“Lorenzo!”
“Ah, ja. Ok. Robbe heeft mij meegenomen, ik weet eigenlijk nie veel van wa ik mag verwachten.”
“Gij gaat het U nie beklagen. Wacht maar.”
“...”
“Ok, mannen. Hier, pakt aan. Ik ga wa muziek opzetten.”
“Ok.”
“Da ga misschien nie direct jullie smaak zijn, ma da doe ik omda het een groot deel is van de werking. De muziek is specifiek om het effect te vergroten maar ook om het juiste effect da jullie willen krijgen. Dus, nie direct reageren op de muziek, gij moet er in feite nie op letten. Rookt het gelijk een andere joint, nie te snel ook, hé, er komen er hier soms binnen die te snel willen zijn, maar gij kan het nie forceren. Ik verzeker U, ge gaat nie kunnen ontkennen da dit spul anders is dan anders.”
“...”
“Ok, ik ga erbij blijven. Ge moedu geen zorgen maken. Soms ga ik meezingen. Gewoon over U laten komen, ge moe niks forceren.”
[...]
“Wow.”
[...]

***

“...”
“Béné, Béné. Wa hebt gij gezien?”
“Ik... teveel om op te noemen... Gij?”
“Ik... Ik ga niemeer naar de 100-dagen gaan.”
“Waarom niemeer? Wa heb gij gezien?”
“Vertel maar wagij gezien hebt? Was het voor of na het zingen?”
“Na.”
“Ok.”
“Ik zag. Veel. Ik zag kleuren die werden dan een zee, golven in alle kleuren, zoveel dieren, zo diep, aan het zwemmen nie alleen vissen. Er waren slangen aan beide armen die grepen me vast brachten mij dieper en er was een zwarte jaguar maar ik zag alleen de ogen en klauwen die bracht mij naar een paleis, diep, diep beneden, zo. Gouden paleis er was een stem, ma der waren ook veel andere... mensen, dieren, allez... vrienden erbij ze voelen als vrienden, maar nie allemaal mensen, allez... er was een stem en die sprak dan en ik zag ook wattatij zei en het ging erover dakikket goed voelde en dakik mijn gevoel moet volgen want ze gaat er zijn en de stem liet mij voelen wattatwas om met haar te zijn en.. ik ben beginnen wenen toen... Het was zo mooi en warm en alles was aant schitteren en ik voelde mij vibreren, zo... allez, ja, heel raar om te zeggen maar de stem zei toen ook ik moet uitmaken of de korte duur het waard is. De korte duur. Oftatwaartis. De korte duur. Voelt als een waarschuwing.”
“...”
“Wow, Robbe. Ik heb ook dingen gezien maar dan vooral kleuren en velden en bergen en zo. En er was een grappige beer en mijn papa was ook blij. Maar geen stem bij mij, gelukkig, ik zou in mijn broek doen.”
“Robbe.”
“Ja?”
“Ik denk... dagij moet nadenken over die boodschap en ook dagij een eagle zij.”
“Een Eagle?”
“Ja, een Eagle van de New Dawn. In het geloof van de Indianen van Amerika. Een Eagle. Gij kunt spreken met...”
[...]
“Waar gebaart gij naar?”
“En zijt gij ook een Eagle?”
“Ok, spaar mij de bullshit. Ik ben hier weg.”
“Ok, Niek. Mag ik uw geld dan?”
“Hier. Voilà. En trouwens da spul heet dimethyltriptamine. Het maakt da mensen hallucineren. Dadisnie echt, hé. Da is allemaal verzonnen door de synapsen in uw brein.”
“Da is wa gij kunt zien op wetenschappelijk vlak, ja.”
“Ja, maar de wetenschap is ook waar, hé.”
“Waarom kom gij dan terug? Als het maar hallucinaties zijn?”
“Ik doe het nie voor de hallucinaties. Ik wil gewoon high zijn. Mag dattannie?”
“Ok, Niek. Dank U. Ge moogt gaan.”
“Ok, salut. “
“...Debielen...”
“Namasté”
“...”
“Robbe, Ik wil ook door.”
“Denkte gij dat alleen maar hallucinaties zijn, Béné?”
“Kweettet nie. Ma het was wel iets dak nog nooit in mijn leven gezien heb. Als da allemaal in mijn verbeelding bestaat, ergens in mijn brein waar ik nog nooit aan ben geweest... dan... welja. Dan is mijn verbeelding veel schoner dan ik ooit heb kunnen denken.”
“Inderdaad - da is het!”
“...”
“En hebben jullie ook het geld bij?”
“Robbe?”
“Ja, nee. Nie echt.”
“Robbe, ik doe het nie voor gratis.”
“Ma ik heb wel iets bij om U mee te betalen.”
“Ja? Wa?”
“...”
“Robbe! Nee! Is da een Rado?!”
“Ja.”
“Robbe. Ik aanvaard da normaal gezien nie, maar... van Eagle to Eagle nu wel. Beloof mij één ding.”

“Yes! Ok, wa moek beloven?”
“Da als gij voor die liefde kiest, dagij mij da laat weten?”
“Waarom?”
“'k Wil graag weten dak U daar dan in geholpen heb, want Eagles doen maar één ding hun hele leven lang: ze zoeken continu naar elkaar.”
“Waarom?”
“Om te vliegen.”


8. Katahimikan ng kumbento


Paano nila maiisip na inagaw nila ang lahat sa akin, gayong hindi nila kailanman pinahalagahan ang kinailangan kong isuko? Kahit na iyon ay lahat-lahat ko na. Pagdating ko sa bansa, dinala niya ako agad sa shed na inihanda niya para sa akin sa bukid ng tatay niya kung saan kami titira, may ilang niyog na naroon. Hindi madaling dumaan dito, sabi niya. Iniharap niya ito bilang isang uri ng matamis na lambing upang gawin akong komportable sa kanyang payak at malamig na kahoy na dampa sa gitna ng isang putikang latian, ang mga traktora sa malapit na tinuturo niya ay kay John Deere daw na parang may pakialam ako, na tila ang tinutukoy niya ay alahas o ano pa man. Tumango ako at sabay tingin sa mga niyog. Ito ang ating magiging munting palasyong niyog, aniya, na tumutukoy sa palasyong niyog sa Maynila na itinayo ni Imelda Marcos upang tanggapin ang papa. Tumanggi ang papa na manatili doon. Dapat ako rin. Ang pagkakaiba lamang ay ang lugar na ito ay hindi magarbo ni katiting.Tinalikuran ko ang isang mayaman at masiglang buhay, puno ng tawanan, usapan, pakikipagsapalaran, tao, interesanteng pag-uusap, at siyempre maraming alitan ngunit nairaraos naman. Nakaraos ako nang ako lang. May mga kapatid akong babae. Ipinakita nila sa akin na may paraan. Tapos, hindi ko akalain na ako ang magiging katatawanan sa bawaaraw at araw-araw, kahit saan ako pumunta. Sa Maynila, kinagigiliwan ako ng mga kliyente ko. Dito, nabinyagan ako bilang isang uri ng yaya ng niyog. Hindi ka kakausapin ng mga lalaki dito, magsasalita sila tungkol sa iyo. Panay ang pagtukoy nila sa aking dibdib bilang mga niyog at palaging nagtatawanan. Puro tungkol sa kabastusan ang kanilang pinag-uusapan. Hindi ako kailanman makapagrereklamo, ‘di ba, ito ang dahilan kung bakit ako pumunta.Napakapayapa dito. Noong mga unang linggo ay tumutunog ang aking mga tainga sa katahimikan. Noong unang linggo, may malamig na hamog sa labas at ang klima ay minus 15° C. Nanatili ako sa maliit na kahoy na kalan sa kusina. Ilang oras kong hinintay si Nick nang nakakumot. Hindi ko alam kung may idadala siya para makapagtrabaho ako. Walang tunay na pahinga. Hindi ako makatulog sa nararamdamang lamig sa mukha ko. Ibinaon ko ang mukha ko sa ilalim ng kumot. Tinanong ako ni Nick kung nakakahinga pa ba ako. Ito lang ang tanging paraan para makatulog, pero madalas akong iyak nang iyak, nang tahimik. Ayaw kong malaman niya. Sa lungsod, napapasaya ako sa tawa at kaligayahan ng kaabalahan ng buhay. Dito, ang naririnig ko lang ay mga ibon at makinarya ng mga magsasakang nag-aararo ng lupa. Hindi ko akalain na ang buhay ng isang prostitute ay magpaparamdam sa akin na ako ay nakatira sa isang kumbento. Ang Maynila noong unang bahagi ng dekada otsenta, paano ko maipapaliwanag kung hindi nila naiintindihan ang mga pangunahing salita. Hindi glamoroso ang trabaho ko, pero 'tang ina, rak en rol ito, disco, baby, rebelyon at delikado at nakakasabik. Dito ay nakatayo ako sa tabi ng bintana at pinagmamasdan ang isang soro na may manok sa bibig na nawala sa palumpong sa tabi ng maliit na sapa na tinatawag nila ditong "gracht", na hindi kapareho ng "graf" na ang ibig sabihin ay libingan. Ang mga tunog ng wikang ito ay lubos na hindi natural. Ano ang kakila-kilabot na tunog na "ch" na ito, ano ang pagkakaiba sa tunog na "g"? At pagkatapos ay mayroon silang tunog na "h". Huwag kang mag-alala, sabi ni Nick, hindi mo kailangang maging marunong magsalita para sa kung ano ang iyong gagawin dito. Laking pasasalamat daw niya na nandito ako, na kusang ginagawa ko ito, na ako ay isang malayang babae, na kusang pinipili ang buhay na ito.Sa Asya, ang Maynila ang pinakamalapit na bagay sa pagiging nasa Amerika nang hindi pupunta sa Amerika. Nagsayaw ako para sa maraming negosyante mula sa lahat ng uri ng iba't ibang bansa: Korea, Vietnam, Japan, Indonesia, mahilig silang magsalita tungkol sa kanilang negosyo. Negosyo. Mga plano sa negosyo. Pera. Gusto nilang mag-enjoy sa kanilang pera. Gusto nilang mag-enjoy na hindi nababagabag sa pag-e-enjoy. At mayroon silang mga pabrika ng electronics, nagtayo sila ng mga linya ng telepono, sila ay nasa industriya ng metal ore, nagtatrabaho sila sa militar ng Amerika, lahat ng uri, lahat ng uri. Magsasabi sila sa amin ng mga bagay-bagay. Ang matalik kong kaibigan ay nagpakasal sa isang negosyante at lumipat sa Japan. Ewan ko ba kung ano ang mas mahirap matutunan, Dutch o Japanese. Anuman ang mangyari, lahat sila ay mahilig magsalita ng Ingles. Mahilig silang pumunta sa Maynila dahil sa Maynila ay mararamdaman nila at sila ang "lalaki", first class, sila ang may-ari ng lahat, at hindi nila mararamdaman iyon sa Amerika kapag nagpunta sila roon. Mahal ko ang Amerika.Gustung-gusto ko ang pelikulang Taxi Driver. Sinabi sa akin ni Nick na hindi ko talaga naintindihan ang pelikula, na hindi naman ito talaga kwento ng pag-ibig. Akala ko ganoon. Dapat ay naaawa ka, sabi niya, para kay Jodie Foster dahil child prostitute siya, at dapat ay maawa ka sa sakit sa isip ni Robert Deniro, na nagdadala sa kanya sa ekstremismo. Naisip ko lang na bayani siya. Hindi naman talaga kwento ng pag-ibig iyon, sabi ni Nick. Wala akong ideya tungkol sa lahat ng ito.Ibig kong sabihin, paanong hindi mo mamahalin ang marikit na si Jodie Foster at ang gwapong si Robert Deniro, paanong hindi ito kwento ng pag-ibig? Sa Maynila dati ay may mga higanteng painting ng kanilang mga mukha, na magkayakap. Isang magandang mag-asawang nag-iibigan. Nagustuhan ko ang poster na iyon. Ang pinakamasama sa pagiging narito sa latiang putik na ito ay walang mga sinehan. Dati ay dalawang beses kada linggo ako pumupunta. Dati ay paulit-ulit kong pinapanood ang parehong pelikula bago ito tuluyang mawala sa sinehan. Dati ay mahilig akong mag-disco pagkatapos. Gusto ko si Donna Summer. Toot toot, hey, beep beep. Sumasayaw. Ayaw ni Nick ng disco. May record player siya. Hindi ko gusto yung musikang pinapatugtog niya. Napakaingay at nagiging galit talaga siya pagkatapos niyang pakinggan ito. Umiinom siya. Bakit ko naman gustong magalit? Para siyang iyong Taxi Driver. Ang pagiging galit ay nagpapalakas sa kanya. Dapat din ba akong maawa sa kanya? Hindi niya ako pinapayagan. Gusto niyang siya lang.Nagdala si Nick ng isang malambing lalaki ngayong gabi. Nakilala niya ito sa tila pagtitipon ng "babaylan" at gusto niya itong dalhin, maaaring maging magandang negosyo kung magpapakita ako sa kanya ng ikatutuwa niya. Ang maganda lang sa lugar na ito ay minsan ay guwapo talaga ang mga lalaki kung swertehin ka. Mas maswerte ka pa kung marunong silang gumamit ng katawan nila para makipagtalik at hindi gumagalaw lang na parang makina na naglalabas-pasok. John Deere, inisip ko sa sarili ko. Kailangan kong pigilan ang sarili ko na humagalpak sa tawa habang naroon. Nakakatawa talaga. Kung papayagan nila ako, ipapakita ko sa kanila ang pagkalambot, ipapakita ko sa kanila na huwag makipagtalik nang galit. Marahan, malalim. Nagulat sila, nag-enjoy sila. Tapos, hinusgahan nila ako dahil dito. Isang puta lang ang marunong makipagtalik nang ganoon kainam, ‘di ba. Hindi ko alam kung kumusta ang mga kababaihan sa paligid pagdating nasa kama, ngunit siguradong hindi nila napapasaya ang mga lalaking dumarating sa shed ni Nick. Pero ngayon ay iba ang taong ito. Sobrang payat niya. Sa tingin ko ay hindi siya nagwowork-out tulad ni Nick. Namumutla na sya. Tinitingnan niya ako at sa tingin ko - sa tingin ko naaawa siya sa akin. May kung ano sa mga mata nya. Benedict daw ang pangalan niya. Gusto ko iyon. Tapos tinanong niya ako kung dapat ba niyang ibigay ang tunay niyang pangalan tapos binugbog niya ang sarili niya dahil sa pagbibigay ng tunay niyang pangalan. Sinabi ko sa kanya ang tunay kong pangalan. Charity Gonzales. Parang Spanish daw ang tunog. Sinabi ko sa kanya na parang wala siyang masyadong alam sa mundo. Sinabi niya sa akin na nag-aaral siya sa Unibersidad. Sabi ko ay ako rin dati. Tinatanong niya ako kung paano ako napunta rito. Tinatanong ko siya kung paano siya napunta rito. Nagtalik kami.


9. Wij willen Willem weg, wil Willem wijzer wezen, dan willen we Willem weer.


“Luitenant.”
“Inspecteur.”
“Waarmee kan ik U helpen? Wa is da?”
“Een brief da iemand aan mijn deur heeft gehangen. Wij willen Willem weg, wil Willen wijzer weten, dan willen we Willem weer.”
“Ja, Inspecteur, wa kank daarop zeggen?”
“Ik hoop dat ik dit niet letterlijk moet nemen.”
“'t Is een grapje. Niemand wilt U hier weg.”
“En niemand zou de mannen aangezet hebben om dat te doen, om mij te intimideren, het onderzoek te staken?”
“Inspecteur, alstublieft. Ik blij dagij der zijt om mij te helpen met de zaak van de Bende van Lembeke. Vier ogen zijn beter dan een.”
“Ja, maar mijn twee ogen zijn gericht op U, Verbeeck, niet op de bende. Maar hoe dat jij de bende aanpakt.”
“Het is begrepen. Ik zal de mannen vertellen geen grappen meer uit te halen medu.”
“...”
“Er valt niet te lachen met hetgeen waarvoor gij naar hier zijt gekomen.”
“Goed.”
“Goed.”
“...”
“Vanavond is het al de 100 dagen, zeker.”
“Ja, da klopt, inspecteur.”
“Mannen op post?”
“Voorzekers.”
“Veel mannen?”
“Genoeg.”
“Mag ik evenwel opmerken dat de 100-dagen een fenomeen is dat letterlijk bestaat uit tieners. Het zou me sterk verbazen moest je extra agenten nodig hebben voor een bende... zeventienjarigen.”
“Het is geen kleine bende, het zijn àlle 17-18 jarigen van Eeklo en omstreken. Da is geen klein beetje.”
“Wa verwacht je dat er staat te gebeuren, Luitenant?”
“Het is al voorgevallen dat er auto's in brand waren gestoken. Een paar jaar geleden was er een vitrine binnen gebroken.”
“Is da iets typisch voor een 100-dagen?”

“Typisch zou ik nog niet direct zeggen, maar... het is gebeurd en als het is gebeurd kan je het niet meer uitsluiten, toch, Inspecteur?”
“Dat is de waarheid, maar mag ik vragen de rapporten van de antecedenten van brand en inbraak op de vorige 100-dagen in te kijken. Dit is om een beter zicht te hebben op de zaak, want... Dit lijkt mij niets meer of minder dan een concert of carnaval.”
“Je vergeet, Verbiest: op carnaval komen de zotten naar buiten.”


10. Tante Nonneke


“Tante Nonneke. Ik ben homo.”
“Wa zegde?”
“Homo, tante. Ik ben homo.”
“Wa is da hòmmo?”
“Ik ben homo-seksueel tante.”
“Ma jongske daar zijt ge te jong voor om te weten.”
“Ik denk dakikket weet.”
“Ma wa denktegij dagij weet?”
“Dak voor de mannen ben.”
“Voor de mannen?”
“In plaats van voor de vrouwen - om een vrouw te hebben.”
“Ma, Tibeau, ge zijt nog te jong om daarover na te denken.”
“Het is een gevoel, tante. Ik voel da ik liever met een man wil zijn dan met een vrouw.”
“Ik ken da gevoel, jongske.”
“... Wa?”
“Ja, jongske, ik ken da gevoel. Ik wou nooit seksueel zijn. Nie met een man nie met een vrouw. Met niemand. Ik wou alleen dienen.”
“...”
“'k Wistekik ook waar kinderen vandaan kwamen toen en ik'en had zoveel mannen die mij zouden gestrikt willen hebben, maar ik wist het al van jongs af aan. Ik wilde dienen. Ik moest kiezen. Ik ben thans non geworden.”
“...”
“Da was wakik wildigen. Daar heb ik geen spijt van. Ook nie van op missie gaan. Ma de dingen die ik daar gezien heb... Gij, jongske, Tibeau. Gij zijt nie zo. Gij zijt een goeie jongen. Gij wilt mensen geen pijn doen. Da besta nie.”
“Dank U, tante.”
“Vowa zittegij nu te tjiepen?”
“Ik ben gewoon blij, dak het heb kunnen zeggen. “
“Ge moet nie wenen. Het enigste wagij moet doen is wijs wezen en vertel het pas wanneer gij het kan gaan doen wa gij moet doen. Anders was het bij mij ook nie gelukt.”
“Dank U tante.”
“Het is wel, jongen, het is wel. Waarom zijdegij zo verkleed?”
“Het is 100-dagen vanavond.”


11. Zeveraar


“Robbe, gadegij echt niemeer mee naar de 100-dagen. Nick heeft mij wa spul gegeven dak kan dealen. Het is 100-dagen, het gaat direct op zijn en dan heb ik wa meer zakgeld.”
“Ik heb U al gezegd, ik ga niemeer gaan. Die droom, ik kan er nog steeds nie van slapen. En Niek? Sinds wanneer paktegij van Niek af?”
“Hij helpt mij sinds dak niemeer studeer geeft mij papa mij geen zakgeld meer en ik kan nie platzak uit gaan en zo.”
“Moogdegij terug uit gaan? En uw werk in de bakkerij?
Da betaaltij nie, het is werk in wak ga erven, zegtij.”
“...”
“Robbe?”
“Kweettet nie, Béné.”
“Robbe, please, gij hebt gezegd da gij het goed ging maken. Please, ga mee. Ik heb iemand nodig als ik zoveel bij heb, ik wil nie da iemand da door heeft dak ermee rondloop en het afpakt. Ik heb U nodig.”
“Bescherming, dan?”
“Ja.”
“Eerst wil gij mij nooit meer zien omdak een mes bij had, en nu wil gij dak bij U kom staan met een mes voor bescherming.”
“Ik ga ook een mee hebben!”
“Ma gij zij zo nen zeveraar, Béné, godverdomme!! En Niek zelf dan?”
“Niek kan moeilijk tussen 6dejaars gaan staan, hé. Da valt te veel op.”
“Wa heefttij U beloofd naast geld, Béné. Wa nog? Gaan jullie samen werken? Is da watter aant gebeuren es?”
“Nee. Niks, Robbe.”
“...”
“Robbe?”
“Joengene, joengene.”
“Gebt gezegd daget allemaal goe ging maken.”
“... Ik vind da nie goe dagij gaat beginnen dealen, Béné.”
“Wa moek doen? Het is nog een jaar tot ik terug mag studeren, als ik al mag studeren! Mijn vader wilt zelfs niemeer dak gà studeren.”
“...”
“En gij moe vooral spreken, met uwen deal met de bende van Lembeke. Verandert uw naam anders naar Robin.”
“...”
“Robbe?”
“OK.”
“Ja?”
“Tis goe.”
“Robbe, danku danku!!”


12. Kunt gij nog volgen?


“Naam?”
“Danny.”
“Achternaam?”
“De Roose”
“Occupatie?”
“Als jullie zeggen 'werkloos' dan wilt da iets anders zeggen dan wanneer ekik zeg 'werkloos'.”
“Hoe bedoelde gij het wanneer dagij zegt werkloos?”
“Ik zit inderdaad zonder werk, waarbij ik bedoel, het kost mij geen werk om te doen wakik moet doen om te verdienen wakik verdien en te krijgen wakik nodig heb. Het kost mij geen werk, zoals toen dak werktigen bij SIDMAR. Eén van jullie ooit bij SIDMAR gewerkt?”
“Sidmar?”
“Metaalfabriek, Zelzate, Verbiest.”
“Ja, inspecteur. Metaalfabriek. Zelzate... Hoogovens! En met gewerkt bedoel ik dag in dag uit gezweet, hé, aan de hoogovens. Daar heb ik gestaan een tijd. Zoute koffie, wist gij da? Zoute koffie geven ze daar. Ik ga de smaak nooit vergeten. Gloeiend heet ijzer, kuntgu da inbeelden? En dan met bloot bovenlijf daarnaast gaan staan, heffen, heffen, gieten. Iemand met een emmer water die da over U giet om de zoveel tijd dagij nie met brandwonden naar huis moe gaan.”
“Goed. SIDMAR. De Roose, komt tot uw punt. Get net iets interessants gezegd, dagij nie werkt ma toch uwen kost verdient. Gij noemt da geen werk, want het is nie aan de hoogovens staan. Goed. Ik begrijp U. Ik begrijp U. Ik begrijp heel veel dingen over U, meer dan dage denkt.
Vleierij werkt nie bij mij, meneer de agent.”
“Danny. Daarnet zei gij nog dagij verdient wattagij nodig hebt. Ma het is geen werk voor U. Wa is dadan?
Ik denk datta noemt 'gerustheid', in de volksmond.”
“Ja, ma wa brengt U al die mooie gerustheid, zonder dage iets van werk hebt.”
“Het ding is da het werk dakik doe, ikket doe voor het plezier. Ondertussen word ik er beter van. Maakt da mij een bandiet?”
“Het hangt ervan af wattat werk is dagij doet voor het plezier.”
“...”
“Awel?”
“Ge gaat het uit mijn mond nie krijgen, tenzij gij een beschuldiging aan mijn adres wilt gaan hangen. Doe maar. Ik wacht.”
“Ok, hebt gij dealers erop uit gestuurd op de 100 dagen?”
“Ik heb niemand erop uit gestuurd naar de 100 dagen. En dealers... van wa?
“...”
“Ja, zeg maar? Dealers van wa?”
“...”
“En wa van Bénédicte?”
“Wie is Bénédicte.”
“Ok, ma nu moet ge U nie van den domme houden. Bénédicte. Beste vriend van Robbe Callens.”
“Da kan goe zijn dattij goeie vrienden is met Robbe, ma ik ken nie alle vrienden van al mijn vrienden. Ik heb er veel.”
“En Niek?”
“Niek? Niek Verstringhe?”
“Inderdaad. Waweettegij over hem?”
“Dattij dealt, da is zijn zaak, ma hij doetta nie voor mij. Iedereen kent hem. Ma hij is geen lid van de bende.”
“Waarom heeftij dan Tibeau proberen aanvallen?”
“Ik heb nie onder controle wa mensen allemaal denken daze moeten doen om bij de club te geraken. Ik ken diene jongen nie, Tibeau. Wie is da zelfs? Waarom is da mijn probleem?”
“Nick Verstringhe en Tibeau Verbeeck zijn in een gevecht geraakt tijdens de 100-dagen fuif in de sporthal van Eeklo. Beide hadden messen bij. Nie verwonderlijk, sinds Tibeau al eerder het slachtoffer is geweest van geweld tegen zijn geaardheid....”
“Luistert naar Verbiest en antwoord, De Roose.”
“Jaja, ok, wa moek nog weten?”
“Agent Pascal Pauwels heeft het gevecht gespot, is tussenbeide gekomen en heeft Nick Verstringhe vastgehouden bij afwachting van versterking, maar omda Nick zodanig tegenwerkte, heeft hij zijn wurggreep te lang vastgehouden en is Nick Verstringe komen te overlijden.”
“...”
“Komen te overlijden? Komen te overlijden?!”
“Ja.”
“Diene rijkswachter heeftem vermoord wilde zeggen!”
“Het ga hier nie over de rijkswachter. Het ga hier over U, Danny. U bende is te veel problemen aant veroorzaken. Het ga van aanvallen met messen naar doden die vallen.”
“Da was nie het werk waar dakikket over had. Het is nie mijn bende die Nick heeft doodgewurgd, maar diene rijkswachter- Pauwels, wast?”
“Nie antwoorden, Verbiest.”
“En die mesaanval heeft mijn club ook niks mee te maken.”
“Maar wel Robbe Callens.”
“Da kan goe zijn, maar ik weet er niks van.”
“Wadoettij voor U?”
“Wie?”
“Robbe”
“Ik denk dagij nie goe begrijpt wade bende is. Het is een club. Er is geen baas bij ons. We hebben wawe hebben en we delen da en we komen samen net als een andere club om te delen in vanalles. Webben gene chef, gene baas, geen opzichter, gene kolonel of inspecteur.”
“Waarom kijkt iedereen dan op naar U?”
“Ma, daar kankik niks aan doen, hé. Omdak het gesticht heb, zeker? Toen?”
“Waarom heb gij het toen gesticht?”
“Omdak niemeer bang was. Van wie? De baas bij SIDMAR, tiens. De baas is bang van mensen die nie bang zijn van hem. Hij is alleen maar gerust alsdegij bang zij van hem en anders is hij on-gerust. En op den duur geraaktij on-uitgerust daarvan. En hij neemt U da kwalijk dage nie bang zij, omda er wallen onder zijn ogen beginnen te hangen, terwijl gij niks doe. En ik dee niks. Ik was gewoon niemeer bang. Aba-ja! Tuurlijk nie! Ik was nie bang van aan de hoogovens te staan met gloeiend heet ijzer da aant spetteren is recht naast mijn gezicht! Denktegij da die brillekes die ze ons gaven ons ogen konden beschermen tegen ijzer van duizend graden? Da was pas iets om bang voor te zijn. Kwas nie bang. Ah, ja. En dan beginnen ze streken uit te halen. Strekenmensen.”
“Alle bazen zijn strekenmensen?”
“Verexcuseert U: fabrieksbazen. Strekenmensen zijn het, ja. allemaal. We hebben het allemaal genoeg gezien. Strekenmensen hebben graag bange mensen, ja, da zijn goeie, ge moe nie lachen. Werkers moeten nie bang zijn van hun gezondheid te verliezen, nee-nee da nie. Hier een oog kwijt, daar een duim, een voet, daar een gebroken poot - moesten we nie stom over doen. Ma werkers moeten wel bang zijn van de baas zijn kwaaie woordjes! Da wel. Wie der allemaal wijs was, probeerde nog een beetje averechts te doen. Wie nie wijs was ging continu sorry zeggen en zeggen van 'ja, nee, kiest gij maar, kiest gij maar'. En da gebeurt dan ook, ze gaan kiezen in uw plaats. Ze doen niks liever! En dan worden mensen nog meer bang omdaze dan nie kiezen in hun belang en dàn zijn ze bang voor hetgeen ze kiezen in uw plaats. Zodus ik ben de motorclub gestart, want ik kies graag zelf.”
“Kunt gij nog volgen, Verbiest?”
“Nauwelijks, Verbeeck.”
“Danny, ik denk dagij nie alleen graag kiest voor uzelf, maar ook graag alles pakt voor uzelf.”
“Wa wilde zeggen?”
“De bende, sorry, ik bedoel uw 'club' staat er bekend om te leven van inbraken. En dan alles te verkopen. Op de zwarte markt.”
“...”
“Geen commentaar hier, precies, Verbeeck.”
“Inderdaad.”
“...”
“En, ik denk da Robbe, vers bij de bende, der voor een goeie reden bij is gekomen.”
“We zijn allemaal gelijk in mijn club. Dokterszoon of boerenzoon. Maakt nie uit.”
“Heel summier, nu, toch, hé Verbiest?”
“Zeker.”
“Het enige meer waard dan goederen en auto's en juwelen, is informatie 'over' goederen en auto's en juwelen. Vooral, wanneer ze te graaien vallen... Laat da nu iets zijn da Robbe misschien wel al het een en ander over weet.”
“Da kan goe zijn. Maar het zijt gij die nu ideeën in mijn kop aant steken zijt en ik denk da horen zeggen van iemand die het gehoord heeft van iemand anders die het wel eens zou gezegd kunnen hebben, nie iets waar da ge mij hier nog veel langer kunt houden.”
“Valt toch wel op, hé, Verbiest, hoe snel dattij in enen keer niks meer te vertellen heeft.”
“Da is inderdaad wel heel opvallend.”
“Der is niks mis met opvallen.”
“Tis goe, de Roose, ge moogt beschikken. Ik kan U hier nie houden, maar weet wel da mensen hard hebben moeten werken voor hetgeen gij afpakt van hen.”
“Ah ja? Hard moeten werken? Van wie? Nie van mij.”
“Heel grappig, de Roose. Vertrekt maar.”
“Zo lang ze nog hun beide ogen nog hebben, hé. Zo lang daze er geen duim of geen voet aan verloren hebben.”



13. Night Shop Eeklo Station


“Kundegij nog een keer beschrijven hoe ze gekleed waren, zodawe zeker zijn dawe over dezelfde mensen praten?”
“Ja, zij droeg van... religieuze... vrouw. Kleren, zwart en wit.”
“Een non?”
“Ja, non.”
“Ok, da is Julie. In vol habijt?”
“Habijt?”
“Van top tot teen?”
“Ja, non, gekleed - volledig. Top tot teen. Ja.”
“En hij?”
“Hij droeg... safari kleren... Safari. Beige. Korte mouwen. En, hij had bij, ook... zweep. Zweep.”
“Hij was gekleed als Indiana Jones?”
“Sorry?”
“Zoals de film, Indiana Jones.”
“Ik weet nie...”
“Ja, zoals Indiana Jones. Ok, dan weten we nu ook hoe Robbe gekleed liep. Ok, goed. Meneer, bedankt om te beschrijven we hebben alleen nog maar enkele vragen over toen ze hier samen waren. Zijn ze hier samen binnen gekomen?”
“Ja, samen komen binnen.”
“Wie kwam eerst binnen?”
“Samen komen binnen.”
“En wie was de eerste?”
“Hij had haar hand vast en bracht haar mee. Ze gingen achter staan, bij Sprite. Sprite. Daar.”
“En om hoelaat kwamen ze binnen.”
“Zij hier om 11 uur en half.”
“Ok en wat heb je gehoord? Heb jij gehoord wat ze aan het zeggen waren?”
“Zij, lachen. Lachen. Nie luid. Stil.”
“Niks gezegd?”
“Alleen gehoord: gij mooi. Gij zo mooi. Lieve woorden. En aanraken ook, hand, schouder. Zij ook.”
“Zij ook?”
“Ja, zij ook door haar. Haar. Glimlachen, ja.”
“En heb gij gehoord wazij zei?”
“Zij zij?”
“Wat zij heeft gezegd, wat zij tegen hem nog heeft gezegd?”

“Ah, zij was ook lieve woorden. Ze zegt... hij... goed kunnen geven van kus.”
“...”
“Hebben ze daar lang gestaan?”
“Ja, lang. Ik... kijken. Dan zij... stoppen! En pakken rum fles en cola. Ik afrekenen hier aan de kassa. Ja? En toen weggegaan zij allebei.”
“En hoe laat was dat?”
“Ik weet niemeer, ik denk kwartiertgij later.
“Welke richting?”
Naar buiten, donker al, kon nie zien. Kon nie zien.
“Zijn ze later nog teruggekomen? Om nog meer te kopen?”
Nee, niks gekocht meer. Niemeer gezien.



14. Klimop


“Ik heb U gezegd niemeer met Bénédicte op te trekken en kijkt watter gebeurt! Ik kan het nie eens bevatten! Zeg mij NU wa er is gebeurd wanneer dagij terugkwam van de nachtwinkel.”
“Ik ben toen me Julie terug naar de sporthal gewandeld en er stonden veel mensen buiten. Dervoor stonden er ook al veel mensen maar het was anders, alsof datter gevochten is geweest. Der was rijkswacht bij.”
“Ja, en toen?”
“Ik bleef op een afstand met Julie, maar Béné is naar mij gekomen en hij heeft gezegd dawe direct weg moesten gaan.”
“En wa heb gij toen gedaan?”
“Ik wou nie weg van 't feest, ik wou doorfuiven me Julie... Maar Béné zei da Niek was beginnen vechten me Tibeau. Het was in feite Tibeau die begonnen was tegen hem, dattij daar nie moest zijn, dat de bende hem moest gerust laten, en Niek zei dattij geen deel was van de Bende, en Tibeau zei dattij aant dealen was en hij had er een rijkswachter bij gehaald. En wanneer Niek boel bleef maken met Tibeau heeft diene rijkswachter hem in een wurggreep gehouden en vast blijven houden. Iedereen was maar aant kijken en niemand dee iets, behalve Tibeau die maar bleef roepen op hem, zelfs toen hij blauw begost te zien.”
“...”
“Julie hoorde da en is toen direct de sporthal binnengelopen op zoek naar hem. Ik wist toen nog nie...”
“Wa?”
“Da Julie familie was van... Tibeau.”
“Julie is nie alleen familie van Tibeau. Zis godverdomme de dochter van Verbeeck!”
“Ik weettet!”
“Onder andere omstandigheden zou ik blij geweest zijn maar gelijk as de dingen nu zijn is zij de laatste griet waarmee dagij mee moest gaan aanpappen!”
“Ik wist da toen nie!”
“En wa is er toen gebeurd?”
“Ik ben me Béné weggegaan van de sporthal.”
“Ma zijt gij toen direct naar huis gekomen?”
“Ik ben naar Béné thuis gegaan. En dan, onderweg naar hier ben ik eerst... toen naar... haar huis gegaan.”
“Naar haar huis? Naar wie?”
“Ik ben naar Julie haar huis gegaan.”
“...”
“Moeder, spreektegij me Robbe, ik kan het niemeer aan. Ik kan het godverdomme niemeer aan met die verduvelde zoon van ons. Verduveld! Het is verduveld.”
“...”
“Godverdomme, Robbe, naar Verbeeck thuis gegaan? Wa is da me u hoofd?”
“Waarom zijdegij naar Verbeeck zijn huis gegaan, Robbe, jongen?”
“Ik wou haar nog een keer zien?”
“Ma diezelfden avond nog? Wa bezielt er U? Gij zijt een verduveld snotjong, da is wattagijzij!”
“...”
“Allez, Robbe, jongen, zeg het.”
“Ik, wou haar nog een keer zien! Ik wou weten of zij mij nog wou zien!”
“Waarom zou zij U niemeer willen zien?”
“...”
“Ewel?”
“Omdak ook boel epgat me Tibeau!”
“En vonzeterg, jongen?”
“Ze zei daze nie kost geloven dak ik die persoon was waar Tibeau zo ne boel mee heeft gehad en dattij overal wordt gevolgd door die bende van Lembeke en da het stom is dakik ermee te maken heb.”
“En hebt gij te maken met die bende van Lembeke?!”
“...”
“Ewel?”
“Neen, natuurlijk nie, zoet.”
“...”
“Nee, papa.”
“...”
“Nie liegen!”
“...”
“Kep niks te maken met de bende.”
“...”
“En wa zei ze nog tegen U dan? Hoe hebt gij medaar kunnen spreken?”
“Zij was thuis alleen. Allez, haar moeder was aant slapen in de andere kamer. Ik ben tot aan haar raam geklommen waar der licht aant branden was der was daar zo ne rek me klimop.”
“Klimop? Klimop?! Moeder. Ik kan het niemeer horen. Wie zijt gij? Da is nie mijn zoon. Da is nie mijne zoon.”
“Kalmeert nu toch eens efkes, hij is rustig aan vertellen.”
“...”
“Zeg het, jongen.”
“Ik ben tot aan haar raam geklommen en ik wou het weten en toen heeft ze mij gezegd daze het zo stom vond dak ik boel heb gehad me Tibeau maar daze mij nog steeds wou zien en ik zei dak ik haar ook nog wou zien. Ik wou haar nie... nie niemeer kunnen zien. En toen... ja. Wij hebben besloten da wij elkaar nog willen blijven zien.”
“Ah, jullie hebben da besloten?”
“Ja. Ze... zei dawe elkaar hadden leren kennen gelijk da we zijn, vooraleer der iets kon tussenkomen. En ze zei daze er niks wil laten tussenkomen want, da was wa ze al lang wou. Iemand die haar leerde kennen in 't moment gelijk daze is.”
“Punt één, wa doe gij nog op een 100-dagen fuif in Eeklo? Gij zijt al student! Punt twee, spaar mij uw kalverliefde, gij hebt één griet gezien aan de andere kant van de sporthal. Gedaan.”
“...”
“Gedaan?”
“Tuurlijk, gedaan. Gij gaat haar niemeer zien. Zij gaat U niemeer zien. Het is over. Gij? Gij gaat terug op kot in Gent, ik wil U niemeer naar Eeklo zien gaan. Gij hebt uwen humaniora, nu moettegij uw studies afmaken en ik wil niks meer horen over uw stomme kalververhalen der is niks romantisch aan! Gij gaat uw studies afmaken en PAS ACHTERAF gaat gij U toelaten aan echte romantiek. Twee mensen die weten wie ze zijn en waar ze aan toe zijn - da is een echte romance. Gij zijt daar nog bij lange na nie, en die Julie ook nie. Wa jullie voelen is de nieuwigheid en die gaat er snel vanaf zijn. Wees blij dak het U vroeger liever dan later vertel! Toch, moeder?”
“Zo ist...”
“Zo lang as dak ik U ondersteun, gakik nie toelaten dagij uw leven ruïneert omdagij nie wijs kunt zijn. Gij studeert, ja? Gij zoekt uw specialisatie, daar laat ik U zelfs vrij in! Ik laat u daar vrij in.”
“Ge moogt zelf kiezen, Robbe, Jongen!”
“Daarna! Daarna kundegij zoeken naar een lief, goe? Een vrouw, iemand die het zie zitten om bij te dragen aan uw leven en nie U het gevoel geeft da uzelf ruïneren, dadaar iets schoon aan is, heldhaftig ofzo, iets om over naar huis te schrijven.”
“Zo ist, jongen, luistert naar uw vader.”
“Ik ga U helpen me uw praktijk op te zetten, alles wattagij wilt. En gij wilt da weggooien? Durf nie spreken. Gij wilt da weggooien? Mensen zitten te knokken en te vechten om maar een stuk te hebben van wattakik recht op een plateau aan U serveer, waar dakik zo lang aan heb gewerkt en wijlen uw grootvader en watoedegij? Stop met uw stomme ideeën me wa gij denkt da romantisch is. Het kind is er nog nie uit bij U. Ma da gaan we oplossen. Robbe, vanaf nu: geen Julie, geen Bénédicte, niemeer uitgaan in de gebuurte hier. Gij ga terug naar Gent. Ik zet U daar op kot. Gij gaat daar studeren. Ik ga de kotmadam opbellen. Ik ga U doen en laten bijhouden. Durft nie tegen mij in te gaan! Op een dag gadegij zien dak ik da doe voor uw eigen bestwil. Gij denkt misschien anders. Dagij op een dag ga terugkijken en mij kwalijk ga nemen dak U de kans heb afgepakt de liefde van uw leven na te jagen, ma in realiteit ga gij terugkijken en opgelucht zijn dak ik U heb gered van uw kinderlijke drang naar tragiek. Vind iemand om uw leven mee op te bouwen maar maakt eerst dagij een leven hebt om op te bouwen, ja, Robbe?”
“...”
“Ewel?”
“Gij wilt dak mijn vrienden in de steek laat, terwijl dagij constant al uw vrienden inschakelt.”
“Da is omda mijn vrienden mij UIT moeilijkheden helpen, en nie derin meeslepen! Het is zo dagij uw vrienden herkent, Robbe. Of wa hebben ze U zitten leren op Sint-Vincentius?!”



15. Julie sessie 21


“En, Julie, zeg het eens. Hoe zijn de examens voor U verlopen?”
“Goe. Goe.”
“Dat is tof om te horen, Julie. Super. En denk je dat je voor alle examens geslaagd zal zijn?”
“Ik denk dak het wel goe heb gedaan. Ma kweenie zeker.”
“Julie, ik merk in ieder geval al een mooie zelfzekerheid en -als ik dat mag zeggen- ook een zekere opluchting. Het waren de laatste examens van jouw humaniora, toch?”
“Ja.”
“Dat moet supertof voelen, nee?”
“Ja, das wel wijs.”
“Toch? Super.”
“Ja.”
“Julie, nu wil ik het even over iets anders hebben. We spraken laatst over... dat voorval... dat heel verwarrend is geweest voor U sinds dit - hoe zal ik het zeggen - enorme emotionele stress heeft veroorzaakt in uw familie en tegelijk voor U ook een... romantische kant had.”
“Ok.”
“Ik ga het voorval niet terug overlopen van bij het begin, wees gerust, Julie. Ik vroeg me alleen af of je nadien nog iets hebt gehoord van Robbe. Heb je hem nog gesproken of gezien?”
“...”
“Je kan het mij vertellen, Julie, het is een veilige ruimte. Dit blijft tussen ons.”
“Hij is nog een keer langsgekomen.”
“Ja?”
“...”
“Het is ok, Julie, ik schrijf het even op. Dat is gewoon voor mezelf. Vertel gerust verder.”
“Hij is nog een keer langsgekomen daarna. Aan mijn raam terug. Twee weken later ofzo? Ik dacht dat hij niemeer ging komen. Ik was blij om hem te zien.”
“Zelfs al is hij rechtstreeks verbonden met de mesaanval op Tibeau?”
“...”
“Spreek - Julie, spreek gerust. Je kan het me vertellen. Ik ben een luisterend oor.”
“Da was voor hij mij leerde kennen en Tibeau zelf is ook niemeer van de braafste. Hij is bang en kwaad en zuur geworden.”
“Ja? Maar dat is normaal na een mesaanval, toch?”
“Ja, ma ik heb hem nog graag, hé. Het is alleen dat hij niemeer zo... lief is als dervoor. Hij heeft geen spijt van wat er gebeurd is met Niek.”
“Zou hij daar spijt om moeten hebben? Niek had het op hem gemunt, als ik uw vader mag geloven.”
“Tibeau was gewoon bang datter weer iemand van de bende hem ging aanvallen. Hij dacht da Niek daar was om datte doen en... ja. Hij was er eigenlijk alleen om te dealen, heeft Robbe gezegd.”
“Ah, Robbe heeft jou dit verteld?”
“Ja.”
“En wat heeft hij nog gezegd?”
“...”
“Julie, ik begrijp dat dit lijkt op een verhoring, maar het gaat hier over hoe jij je voelt, natuurlijk. Heeft hij nog iets verteld dat jou heeft... verward?”
“Ik ben nie verward.”
“Julie, uw vader heeft mij verteld dat je gevoelens hebt gekregen voor Robbe en... omdat je zo gesloten bent, kan hij moeilijk... met U praten om U van gedachten te veranderen. Ik bedoel, je begrijpt mij toch, hé? Uw gedachten peilen.”
“Hij kan met mij praten, maar hij kan mijn gedachten nie veranderen. Robbe is Robbe en ik heb nog nooit iemand tegengekomen gelijk hem en hij had mij gezien en hij had mij direct graag en het had met niemand of niets iets te maken, het was gewoon gelijk dat het was int moment. En we hebben elkaar toen gevonden en da was het mooiste moment van mijn leven. En da zit nie in mijn gedachten, want het is een gevoel en mijn vader kan praten zoveel dat hij wilt, ik ga luisteren maar alleen Robbe heeft mij kunnen raken in mijn gevoel en da is het verschil.”
“...”
“Julie, hoe denk je dat Robbe jou zo heeft kunnen raken in je gevoel? Heeft hij jou iets gegeven? Om in te nemen?”
“Nee, totaal nie. Hij heeft mij niets gegeven. En ik ben nie verward.”
“Geen probleem, Julie, ik begrijp jou. Vertel eens. Wat hebben jullie gedaan toen hij nog een keer was langsgekomen.”
“Gepraat.”

“...”
“Ja, gepraat.”
“Over?”
“Vanalles?”
“Vanalles.”
“Ja.”
“Julie, ik begrijp dat je graag Robbe wilt beschermen en afschermen, maar je moet onthouden dat ik hier ben om je te helpen dit trauma een plaats te geven.”
“...”
“Op dezelfde avond dat er iemand gestorven was door Tibeau, heb jij de zogezegde liefde van uw leven gevonden. Ik denk dat jij, en hij ook, elkaar te hard idoliseren, in dezelfde mate dat het voorval jullie heeft gechoqueerd.”
“Wij idoliseren elkaar nie. Wa wij hebben is oprecht... iets wak 'k ik ooit heb mogen zien van iemand. Hij heeft meer gemeen me Tibeau dan hij beseft want... hij spreekt ME mij en nie tegen mij, zoals iedereen die... zoals iedereen. En Robbe heeft mij nooit veroordeeld, hij heeft mij nooit... wanneer wij intiem waren... hij heeft er niks van gezegd. Het was geen ding voor hem. Hij zei dat hij alleen intiem wou zijn me mij, maakt nie uit hoe of wa.”

“Dat... is inderdaad prachtig, Julie.”
“Ja.”
“Dus jullie zijn intiem geweest met elkaar.”
“Ja.”
“Was het dan dat hij...”
“Het maakte hem nie eens uit want hij wou mij leren kennen nie zijn idee van mij maar mij gelijk dak ik ben, da is toch waar wij altijd over hebben zitten praten en ik weet nie wa mijn papa allemaal tegen U heeft zitten vertellen ma ik zie hem graag en ik ga hem blijven zien, ik weet nie hoe of wat of waar maar het ga gebeuren want... het is alles wa jij voor mij hebt gewild.”
“Julie, Julie, ik hoor U, ik hoor U volledig en ik ben blij dat je redelijk vroeg iemand hebt gevonden die je op je pad naar authenticiteit al heeft mogen vinden. Dat is inderdaad prachtig! Wat ik voor U heb gewild, ik wil het even kaderen, is dat ik wou dat je al die dingen kan ervaren, maar voor en door uzelf alleen. Niet afhankelijk van iemand anders, begrijp je? Wanneer Robbe ooit zou wegvallen uit uw leven.”
“Hij ga nie wegvallen! Ik wil da nie!”
“Julie, luister nu even. Ik wil je dit vertellen: moest het gebeuren dat hij om het even welke reden uit uw leven wegvalt, dan - als je al deze mooie kwaliteiten en vooruitgang in je zelfvertrouwen en eigenwaarde aan hem vasthangt - dan val jij ook, begrijp je?”
“Maar waarom mag ik da nie gaan beleven zoals het vanzelf komt? Me hem?”
“Omdat, ik zeg het opnieuw, geen probleem, Julie. Als hij wegvalt –”
“Gij hebt liever dak gehecht blijf aan mijn vader, ist da?”
“Ik heb het niet over uw vader, Julie.”
“Gij hebt meer over mijn vader gesproken over de jaren dan dak ik ooit heb gedaan.”
“Ja, Julie, in de context van...”
“Laat mij nu gewoon doen! Laat mij toch gewoon een keer doen. Ik heb het recht om da te voelen. Hij heeft mij leren kennen gewoon als iemand dat hij zag staan en hij wou mij beter leren kennen en het was nie omdat ik een misschien een speciaal geval ben. Het is nie omdat ik echt aant zoeken ben achter iemand. Het was spontaan en vanzelf en wij waren ons aant amuseren en zo zijn we naar elkaar toe geraakt, het was nie geforceerd of niks en da gebeurt bijna nooit.”
“Dat is... inderdaad romantisch, Julie. Ik ben jaloers...”
“Ja, schrijf het maar op. Ik ben hier weg.”
“Julie! Julie!”



16. De kreken


“Volg hem.”
“Da is nie op onze route.”
“Volg hem, Bart.”
“Is da Danny De Roose?”
“Ja. Volg hem.”
“Pascal, vowa zijde gij zo serieus?”
Volg hem gewoon, gij ga wel zien.”
“Ok, ma da ga opvallen.”
“Blijf op afstand.”
“OK.”
“...”
“Hij pakt zijne moto. Da ga echt opvallen als we derachter gaan rijden.”
“Bart, alstublieft, rijdt erachter, maar op een afstand.”
“Ok, ma hij rij zo snel.”
“...”
“Goe. Goe. Nie te... Nie te dicht.”
Hij gaat ons zien en dan gaan we iets moeten zeggen, een reden.”
Ik verzin wel iets. Ma da ga nie gebeuren.
“Pascal, wa ist dagij probeert te zien van hem? We weten allang dattij de leider is van de bende, ma we kunnen niks doen totdaer iets... is.
“Da is wak probeer te zien.
“Pascal, ge zit niemeer bij de para's, hé. Ik weet echt nie waarom dak dittoe vooru.
“Bart, geloof mij. Gij ga blij zijn dak U heb meegepakt en nie iemand anders. Nie te dicht! Please. Nie te dicht.”
“Tis goe....Waar rijttij naartoe.”
“Wacht hier efkes, hij moe rechts afslaan. Anders ziettij ons.”
“Gij kent de weg?”
“...”
“Hier zijn der nie eens lichten. We zitten bij de kreken.”
“...”
“Pascal? Wa is da hier? Is da een motor... bende?”
“Nee.”
“...”
“Wa is da? Wa... Wa is da hier? Ik... ik wil da nie zien!”
“Hoe kendegij da hier?”
“...”
“Pascal!”
“...”
“Ik heb een tip gekregen.”
“Een tip, voor wa?”
“Da is wa ik probeer te verifiëren. Het ding hier is, ze nemen hun helmen nooit af.”
“Ja, maar al de rest wel!”
“...”
“Godverdomme.”
“Ma we weten wel welke helm Danny draagt....Volg hem. Volg hem.”
“...”
“Hij wilt niemand precies.”
“Jawel, het is dattij iemand specifiek zoekt.”
“Ok.”
“...”
“Daar. Aant wachten bij zijn moto.”
“Een heel eind weg.”
“Kom we stappen uit. Ik moe iets zien.”
“Ik stap nie uit.”
“Kom mee, Bart. Nu.”
“...”
“Waarom ben ik dit aant bekijken, Pascal? Als da Danny zijn ding is, goe voor hem?”
Ik ben hier nie voor Danny.”
“...”
“Ok?”
“...”
“Daar. Ze zijn... begonnen.”
“Da kank zien.”
Wie is die andere?”
Denkte gij dakik mannen kan herkennen aan hun dees?!”
“Stil!”
“...”
“Ok, ik heb de nummerplaat nodig van die zijne moto. Blijf hier.”
“Gij wilt dichter gaan? Voor de nummerplaat? Zijdegij zot? Ze liggen erop?!
“Stil! Ze gaan mij nie zien.”
“...”
“...”
“Ok Ket. 2 BIP 944.
“2 BIP 944?”
“Ja.”
“...”
“2 BIP 944?”
“Ja...”
“...”
“Kom, we zijn weg.”



17. Bumagsak ang pader ng Berlin 


Dumating si Francine para sunduin ako pagkatapos ng maraming araw na hindi umuuwi si Nick. Niyaya niya ako sa bahay. Nakabukas ang balita. Tila, isang pader sa Berlin ang nasira at lahat ay nagsisigawan. Wala akong alam tungkol sa pader na ito, gayunpaman alam ng lahat dito. May kinalaman ito sa digmaang pandaigdig, gayunpaman, 1989 na? Hindi na ako dapat magtaka, pinag-uusapan pa rin nila ang giyera na parang nangyari kahapon sa mga bahaging ito. Hindi ko makuha ang tungkol sa pader ng Berlin. Tila, kalahati ng lungsod ay bilanggo pa rin ng digmaan ng mga Ruso o ano pa man. Ayaw na nilang mamuhay na parang nasa kampo ng militar kaya sila na mismo ang nagwasak nito. Pinabagsak ang pader. Nais nilang mamuhay sa paraang Amerikano. Siyempre ginawa nila. Ginawa ko rin.
Ni minsan ay hindi ako pinuntahan ni Francine, o pinasok ako sa bahay na wala si Nick, na hindi naman madalas. Alam kong may nangyari noong lumapit siya sa akin nang mag-isa.
Sinusubukan niya ngayong magsabi sa akin ng kung ano, hindi ko maintindihan ang anuman sa wika niya, pero masasabi kong hindi maganda ito dahil sa kakalikot niya cookies at baso niya ng kape. Nagmumula ang sigawan sa telebisyon at ang boses ng tagabalita ay "mmmm, mmm, mmmm, mmm". Nagbuhos ng maraming gatas si Francine sa kanyang kape. Gayon din ang gusto ko. Sinubukan niya akong tanungin kung paano ang gusto ko, ngunit dahil hindi siya nakakaintindi ng anumang Ingles, ako mismo ang gumawa nito. Nagbuhos ng gatas, nagdaragdag ng dalawang sugar cube nang paisa-isa. Nakita niya. Wala siyang sinabi.
"Dood" sabi niya. Inulit niya ito. "Dood". Alam ko na ang ibig sabihin nito bago pa man niya sabihin iyon. Wala na si Nick. Pilit niyang nilalabanan ang nararamdaman at... nagsimula na siyang manginig sa kinauupuan niya. Tinakpan niya ang mukha niya. Pagkatapos ay dumating na ang paghikbi. Niyakap ko siya. May krus sa dingding, hindi ko maalis ang tingin ko dito. Ito ay, si Eba, hindi ba? Sa hardin? Babae, hindi lalaki, ang piniling maging matalino, ang pumili sa mansanas. Nais ng lalaki na magsawalang-bahala, sa hardin. Kaya naman mahilig silang... umiwas ng tingin. Bumaba ang asawa niya at hindi tumitingin sa direksyon namin. Lumabas siya. Pagkaraan ng ilang sandali narinig namin ang pag-andar ng traktor.Napatahimik si Francine. Sinubukan niyang ipaliwanag kung ano ang sinabi sa kanya ng pulis at habang ginagawa niya, paunti-unti niyang nabawasan ang paggamit niya ng salitang "dood" at mas ginagamit ang salitang "vermoord". "Vermoord". Parang tunog... "Murdered". Samantala, paulit-ulit na tumutugtog mula sa TV ang tunog ng mga taong nagsisigawan sa Berlin. Hinalo niya ang kanyang kape. Hindi niya napansin na wala na akong luhang nailuha para kay Niek. O baka napansin niya... baka naunawaan niya ako gaya ko naman sa kanya.
Pagkatapos ng libing, nagpakita si Benedict sa pintuan. Nagulat ako pero natutuwa akong makita siya. Grabe ang itsura niya. Iniisip niya kung kamusta na ako. Noon ko unang nakitang muling nagkaroon ng lakas si Francine. Hindi ko maintindihan ang wika, ngunit sinabi niya sa kanya na kailangan ako rito sa bahay. Tinanong niya ako: nagpakasal ka na ba kay Nick? Sinabi ko sa kanya, hindi, hindi kami nagpakasal, kahit na nangako siya. Sinabi niya sa akin at sinabi kay Francine: mainam na hindi ako makita ng "Rijkswacht". Sinabi sa kanila ni Francine na kinasusuklaman niya ang rijkswacht. Sinabi sa kanya ni Benedict na ilegal ako kung hindi ako opisyal na pinakasalan ni Nick at nag-expire ang kanyang visa. Gusto niya ba akong pakasalan? Hiniling niya na makita ako muli. Isinara na ni Francine ang pinto sa kanyang mukha.Nakakatawa... Malamang, hindi nahulog nang malayo ang mansanas sa puno.



18. Dommenollander 


“Verbeeck, ik moet U spreken.”
“Ja?”
“Over Pauwels, maar eerst ... kort iets anders.”
“Goe, goe, doe eerst de deur dicht. Zet U.”
Verbeeck, ik ben geen Hollander. Da weet gij wel, hé.”
“Daweet ik, ja.”
“Nie dadaar iets mis mee is, met Hollander zijn.”
“Zo ver zou ik nog nie gaan, Verbiest.”
“Verbeeck, alstublieft.”
“Ga door.”
“Kijk... Gij weet even goed als ik hoe ver de grappen nu beginnen te gaan. Heel het korps is al bezig, maar wanneer ik iemand erover aanspreek, uiteraard, dan bloedt hun neus en komen ze uit de lucht gevallen. Allez, het is iets perfect kinderachtig, iets compleet van op de speelplaats. Bon, we weten allebei waar ik het over heb.”
“Waarover precies?”
“...”
“Verbiest?”
“En da is nu precies wat ik bedoel! Verbeeck, serieus nu. Dit is geen manier van werken meer. Ik kan nie met mensen samenwerken als ze continu de conversatie veranderen het moment dat ik de kamer binnenstap, of erbij kom staan, naar Holland en... Holland-gerelateerde zaken. Trop is te veel!”
“Kom, zo erg kan het nu toch nie zijn?”
“Verbeeck, ik kan geen enkele deftige conversatie meer voeren met iemand binnenin het korps. Het gaat altijd terug over Holland. Waarom? Ik ging nog mee in de grap van "willem weg" en zo, daar kon ik nog de humor van inzien, het is ook mijn middelnaam, dus ik kan het begrijpen tot een bepaald punt, spotten met de nieuweling. Goed voor één keer. Maar het is nooit gestopt sindsdien. Als ik wegstap hoor ik 'dommenollander' en giechelen, allez, moet ik nog verder uitweiden over de zaak? Het houdt maar niet op en vorige week lag er ineens een hele bol Gouda op mijn bureau. Geen brief, geen boodschap. Niks. Alleen een bol kaas. Wat moet ik daarvan denken?”
“Eh, jah. Wa wildegij dak zeg? Het is een mooi cadeau?”
“Of het nu een vis is, een paardenkop, een afgehakte hand of iets anders!”
“Het is een grap, Verbiest!”
“Het is toch nie moeilijk in te beelden da dit op den duur op mijn zenuwen begint te geraken. Da is toch normaal? Om het zo uit te rekken, ook. Ik kan één of twee keer gracieus zijn en erin meegaan... maar ik kan het niemeer opbrengen.”
“Da maakt het nu net grappiger, daddegij U het begint aan te trekken.”
“Voor alle duidelijkheid, met 'het' bedoeldegij de pesterijen.”
“Verbiest, hoe meer dagij het persoonlijk gaat oppakken, hoe meer het gaat lijken daddegij U aangesproken voelt.”
“Maar het IS persoonlijk!”
“Ja, maar gij hoeft het nie persoonlijk op te pakken.”
“Hoe moet ik iets nie persoonlijk oppakken da persoonlijk naar mij gericht is?!”
“Omdaals het lijkt dagij u aangesproken voelt door de pesterijen, het gaat beginnen lijken dagij eigenlijk effectief een... een verdoken hollander zijt.”
“Een... Een verdoken Hollander? Een verdoken hollander! Het is te absurd! Een verdoken hollander! Het gaat toch te ver? Doe er iets aan, Verbeeck!”
“Het spijt mij om te zeggen, Verbiest, maar... pesterijen op het werk - da is sinds jaar en dag zo, op alle niveaus, altijd geweest. Waarom zou gij speciale behandeling moeten krijgen. U voortrekken, da gaat enkel in uw nadeel werken, de dingen verergeren. Oftewel leert ge daartegen kunnen, oftewel ga gij ergens anders werken, het zijn de enige twee opties.”
“...”
“Ja?”
“...”
“Ik snap deze humor nie. Schadenfreude is het. Nooit begrepen.”
“Zit er misschien geen Hollands bloed in uw familie?
“Ik kom uit Vilvoorde.
“Zitten der geen Hollanders in het Brusselse, misschien?”
Hollanders in het Brusselse? Laat mij nie lachen. Het gaat er in Brussel te chichi en te chacha aan toe en de enige chacha waar een Hollander elegant mee om kan gaan is de chocoladereep.
“Tiens, tiens, Verbiest. Ik dachta gij daarnet nog zei da er niks mis was met Hollander zijn.”
“Bon, genoeg hierover. Ik begin mijn verstand erbij te verliezen op den duur. Goed. Ik begrijp U. Niks aan te doen. Temps pis.”
“Perfect.”
“Nu. Pauwels.”
“Pauwels? Wa van Pauwels.”
“Wa van Pauwels? Er ging nog een ondervraging gebeuren, maar in de plaats moet ik vernemen dattij is gepromoveerd. En ik vind nergens een rapport terug da er ook maar een getuigenis over zijn aandeel in het voorval Verstringhe is geregistreerd geweest.”
“Pauwels is inderdaad gepromoveerd. Samen met Snauwaert. Twee hele capabele mannen. Ze konden ons korps beter dienen in een hogere functie.”
“Verbeeck, Pauwels heeft nog maar net een burger doodgewurgd tijdens aanhouding.
“Nie zomaar een burger, een pooier die te maken had met de bende van Lembeke, geen makkelijk geval, zeker nie. Neenee.”
“Ik begrijp nie hoe gij er zo blasé over kunt zijn, Verbeeck.”
“Een ongelukkig voorval. Helaas een risico van het vak.”
“Risico van het vak? Risico van het vak.”
“...”
“Nog iets?”
“Gij waart heel happig om mij te betrekken in de ondervraging van Danny de Roose, die geen rechtstreeks verband had met de wurging van Niek Verstringhe. Maar wanneer het werkelijk gaat over de wurger zelf, Agent Pauwels, dan krijg ik geen uitnodiging, is er alleen een gesprek achter gesloten deuren en komttij er zonder kleerscheuren ervan af. Integendeel zelfs!”
“Kijk, Verbiest. Pascal is een jongeman met veel goeie kwaliteiten waar de Rijkswacht heel veel aan heeft en ik wil nie da zijn carrière door dit gebeurlijk ongeval hem ergens... zou kunnen blokkeren. Ik zie een mooie lange carrière voor hem.”
“Nie in het minst omdattij verkering heeft met uw dochter, zoals ik tevens ook heb mogen vernemen.”
Welnu, Verbiest... da is natuurlijk een persoonlijke zaak -”
“Da is precies mijn indruk, inderdaad.”
“Welja, het zit zo, we hadden bij ons thuis net die nieuwe televisiekabel laten installeren en hij had da graag eens gezien of het wel de moeite is, de VTM.”
“Kabeltelevisie.”
“Ja.”
“VTM.”
“Ja, da is de nieuwe zender.”
“Da zou goed kunnen.”
“Zodus, Julie was er uiteraard bij en, tja, zij en Pascal zijn aan de praat geraakt. In ieder geval, hij komt regelmatig langs nu als 10 om te zien wordt uitgezonden. Heb jij kabel, Verbiest?
“Neen.”
“Ge moogt altijd eens komen kijken.”
“Misschien.”
“...”
Dus, zo is het.
“De hele zaak rond de wurging van Niek Verstringhe... afgesloten met... 10 om te zien?”
“Zo zou je het kunnen stellen, ja.
“...”
“Dingen nie te serieus opnemen, Verbiest!”
“Neenee, ik zou U nie de indruk willen geven dat U iemand een - wat was het - een speciale behandeling zou geven.”