Clark Gillian Website

De Duivelse Draak doet zijn intrede


Nu verkrijgbaar: het vervolg op het eerste boek van het 'Magische Hert' - De Duivelse Draak en de val van de Keizer


Het gevaar van de slang dreigt grip te krijgen op de Prinses en de Dwaas, zelfs in de weelde van hun paradijs. Kunnen ze van het Loze Vissertje en de Dulle Griet leren om zichzelf niet te verliezen in deze strijd? De Ridder der Speren en de Bard hopen ondertussen de Keizer te bevrijden uit zijn gevangenschap, zelfs al zijn ze constant op de vlucht - niet alleen voor de Raad, maar voor de onophoudelijke natuurrampen die het Keizerrijk teisteren! Voor een eenzame ridder en een uit de gratie gevallen troubadour lijkt dit een verloren zaak.


De Ridder weet dat alleen uit onverwachte hoek het onvoorstelbare een kans krijgt, en laat dit nu net de specialiteit zijn van de Bard.


In De Duivelse Draak en de Val van de Keizer wordt de reis door de tarotkaarten verder gezet op spectaculaire wijze die alles en niets aan de verbeelding overlaat.


voorproef



De onzichtbare hand


De Tovenares spreekt met de slang over zijn handen, of het gebrek eraan. Daarna gaat het duivelse wezen zelf een kijkje nemen in het Elfenparadijs, waar hij wordt betrapt door het Magische Hert.

De onzichtbare hand


Nu was het zo dat de vier Koningen die eens trouw waren aan de Keizer allemaal door en door trouw bleven, behalve de Koning der Munten.


De Koning der Munten en de slang waren zeer, zeer dikke vriendjes en de reden daarvoor was heel simpel. De Koning kende de kracht en de macht van gouden munten, zilveren munten, bronzen munten en hoe iedereen altijd een klein beetje bij zich kan dragen; maar dat tegelijkertijd vele kleintjes een grote maken.


Nu, de slang was niet geïnteresseerd in de munten zelf. Hij was alleen in geïnteresseerd in wat de munten konden doen voor hem. En wat hij vond dat de munten moesten doen, was hem vele schatten brengen. Eindeloos veel schatten, eindeloos veel juwelen, eindeloos veel kisten gevuld met kostbaarheden, eindeloos veel verzameldingen, eindeloos veel zachte stoffen en kussens, eindeloos veel eten en drinken, eindeloos veel hebben.


En zo was het dat hij de Koning der Munten allerhande munten liet maken, in allerhande soorten voor dit koninkrijk, in allerhande vormen voor dat koninkrijk, met aparte ingewikkelde regels om ermee te kunnen betalen. Alleen was één regel overduidelijk: het raadhuis verzamelde van elke inwoner kostbare schatten.


“Uiteraard”, zou de slang zeggen, “Ik wil voor mezelf alleen maar echte waardevolle dingen. Waarom zou ik munten nodig hebben om te ruilen, als ik alles al vanzelf krijg wat ik nodig heb? Ik wil niets ruilen, ik wil alleen maar krijgen. Het ding is alleen: ik wil meer en steeds meer.”


Wie ook heel erg van hield van meer en van onschatbare schatten, was de Tovenares, die de slang altijd dicht bij hem hield om samen te keuvelen en te babbelen over hoe hij heerste over het Keizerrijk met ijzeren vuist.


“Ik heb geen vuist”, zei de slang dan altijd lachend, “Heb je ooit een slang gezien met handen? Dat zou monsterlijk zijn!”


“Jij bent ook een monster”, plaagde de Tovenares in de spiegelscherf kakelend. De slang lag zoals gewoonlijk in een gouden beker vol juwelen waar zijn kop en staart uit bengelden, bovenop een glanzende zilveren plateau. De scherf waar de Tovenares in woonde lag tegenover hem rechtop tegen een kandelaar.


“Als jij het zegt”, zei de slang, “Maar het is wel zo dat ik heers. Alleen is dat dan met… onzichtbare hand.”


Ze kakelden en lachten beiden uit volle borst. Plots stormden een groepje raadsmannen en de Koning der Munten de zaal in.


“Alles is gereed”, zei een van de raadsmannen die het dichtst bij de plateau van de slang stond, “Elke vrije stad hebben we veroverd en we hebben daar een raadhuis gebouwd.”


“Binnenkort zal iedereen gebruik maken van munten”, zei de Koning der Munten, “in plaats van dat vervelende ruilen van bont en geiten en wijn. De echte heerser is wie heerst over de munten.”


“Je klinkt bijna als de Keizer”, zei de slang spottend, “Alleen zou hij het hebben over harten in plaats van munten. Hoe ouderwets! Wat mensen doen met hun harten, dat is toch bijzaak?”


De raadsmannen en de Koning der Munten juichten de slang toe.


“Ik wil de schatten van de wereld hebben, jullie willen de schatten van de wereld hebben, samen zullen we alle schatten van de wereld verzamelen! Hoe heerlijk is dit? Mijn plan werkt voor mij en iedereen die erin meedraait, kan er ook uit iets uit halen. Is dat niet vrijgevig van mij?”


“Zo vrijgevig. Zo ontzettend vrijgevig”, zeiden de raadsmannen buigend, tevreden met wat ze hadden gedaan en verheugd op wat ze allemaal zouden mogen krijgen.


De slang staarde de raadsmannen een moment aan.


“Goed werk. Dan is het nu tijd dat ik haar ga halen, denk ik”, zei de slang.


“De Prinses?” vroeg de Tovenares, “Maar hoe ga jij naar de elfenwereld gaan van hieruit? Iets wat geen enkel mens heeft kunnen doen?”


“Tovenares toch”, zei de slang sissend, “Ik ben toch geen mens?”


En de slang beet in zijn eigen staart.


De raadsmannen keken bezorgd toe hoe de slang zijn eigen staart traag maar zeker verder inslikte en slikte tot hij eindelijk met een laatste hik zijn hele staart had ingeslikt.


***


De witte slang opende traag zijn ogen. Hij keek rond en kreeg meteen een koude rilling over zijn rug bij het zien van het paradijs van de elfenwereld.


“Hoe vervelend is deze plek”, zei hij in zichzelf.


“Te veel samen, te weinig apart; te veel zingen, te weinig dingen.”


Hij glibberde verder en slierde door en kwam terecht in de lege straten van de thuis der mensen in de elfenwereld.

Plots viel er een schaduw over de slang.


“Kom je kijken wat je allemaal aangericht hebt?” vroeg het Magische Hert, “De leegte en de verlatenheid?”


De slang glibberde snel de andere kant uit en hief zijn kop op.


“Wie we hier hebben”, zei hij, “Jij bent snel.”


“Ik ben er altijd”, zei het Magische Hert.


De slang glibberde in cirkels rond het Magische Hert.


“Je zou eens moeten zien wat ik allemaal aan het bereiken ben daarbuiten.”


Het Magische Hert keek hem in stilte aan en zei: “Niet ik, maar jij zou moeten inzien wat jij denkt dat je bereikt hebt daarbuiten.”


De slang siste naar het Magische Hert en zei: “En toch zijn ze allemaal weggegaan! De huizen zijn leeg, de straten ook! Ze hebben jou allemaal één voor één verlaten.”


Het Magische Hert stampte met zijn hoeven in het stof van de straatstenen en zei tot de slang:


“Alles wat wordt losgelaten, kan terugkomen.”


“Spreekt vanzelf”, mompelde de slang.


“Alles wat wordt vastgehouden, kan alleen vluchten.”


De slang slierde naar de andere kant, uit de warmte van de stralende zon.


“Eindeloze wijsheid”, zuchtte de slang.


“Ik zeg liever welkom dan vaarwel.”


“En ik zeg liever vaarwel”, zei de slang en glibberde weg van de straten, weg van de tuinen, weg van de vijvers en fonteinen, weg van de elfenkringen, ver weg van dat alles, weg van het Magische Hert, recht naar de schaduw. En daar wachtte hij verborgen in de duisternis op de Prinses.


De Dwaas werd ondertussen wakker van een heerlijke slaap en zag het Magische Hert in de verte door de verlaten straten dwalen. Hij rekte zijn armen en geeuwde kort en liep dan de trappen af over het plein naar het Magische Hert toe.


“Hoe lang heb ik geslapen?” vroeg de Dwaas terwijl hij in het gewei van het Magische Hert klom.


“Zo lang als nodig was, als je vanzelf wakker bent geworden”, zei het Magische Hert.


De Dwaas zocht zoals hij intussen gewoon was een plekje in het reuzegrote gewei en hing daarin te bengelen.


“Weet je wat?” vroeg de Dwaas.


“Wat?” zei het Magische Hert.


“Ik vraag mij af waar de Prinses naartoe is. Ik heb haar een tijd niet meer gezien.”


“Dat vroeg ik me ook af”, zei de slang die meevolgde vanuit de duisternis.


“We zullen eens zoeken”, zei het Magische Hert en hij sprong ineens zodanig vooruit dat de Dwaas bijna uit het gewei vloog, moest hij er niet aan vastgehaakt geweest zijn met zijn voeten.


De Dwaas vond het geweldig! Hij voelde de wind langs hem heen suizen met zijn armen wijd open. Hij wist dat het Magische Hert hem nooit zou laten vallen en zo hing hij daar in de wind met zijn voeten aan het gewei terwijl het Magische Hert over de heuvels sprong.


Het Magische Hert stopte aan de waterkant, waar de Ster vaak met de elfjes samen zat, maar de Prinses was nergens te bespeuren. De Dwaas klom uit het gewei.


“Wel, hier is ze alleszins niet”, zei de Dwaas en krabde in zijn haar.


De padden in het water kwaakten zachtjes en maakten cirkels in het water om hen heen. Kleine elfjes zaten op de rug van de padden te spelen met elkaar.


“Hebben jullie de prinses gezien?” vroeg de Dwaas.


De elfjes vlogen allemaal meteen lachend weg, maar de padden draaiden zich wel naar de Dwaas en zeiden: “Ze is er. Ze is daar. Ze is onderweg. Ze komt.”


“Ik versta ze!” riep de Dwaas verbaasd uit.


“Natuurlijk”, lachte het Hert, “Hoe meer je luistert naar boodschappen in plaats van woorden, kan je op den duur alles verstaan wat tot je spreekt!”


“Dit is geweldig!” zei de Dwaas en sprak verder met de padden.


“Het is verschrikkelijk”, zei de slang tot zichzelf, “Iedereen verstaat hier direct wat ik bedoel, daarom kan ik deze plek juist niet uitstaan!”


Maar dan viel er hem iets op in de lichtblauwe heldere hemel. De sterren begonnen te schijnen, alsof het al nacht was. Vallende sterren waren het, die zo samen vielen alsof ze vastzaten in een prachtig gewaad. En het gewaad was bijna zo groot als de hemel zelf, prachtig om te zien. En het was de Ster die het gewaad droeg en ermee neerdaalde met haar stralende lach. In het gewaad zat de Prinses, die zachtjes terug met haar voetjes op de grond kwam en de Dwaas meteen omarmde.


“Het is hier geweldig”, zei ze, “Ik zie zoveel! Ik maak zoveel mee! Ik heb de hemel gezien vanuit de hemel! Het is net een droom die is uitgekomen!”


“Prinses”, zei de Dwaas, “Dit ís ook een droom die is uitgekomen.”


De slang siste met zijn gespleten tong.


“Aan alle dromen komen een eind”, zei hij in zichzelf en wachtte en wachtte zoals alleen een slang dat kan doen, stokstijf en doodstil.

voorproef


De Keizerskelder


De speelse Bard en de stoere Ridder der Speren zoeken een rustige plek om terug op krachten te komen, maar komen zonder veel moeite in botsing. Toch komen ze dankzij het conflict onverhoopt op het juiste pad terecht.

6.      De Keizerskelder


De Troubadour keek naar de schattige kleine zijtoren die aan het grote belfort in de Stad der Bruggen uitstak. De volle maan legde een deken van zacht zilveren licht over de slaperige stad.


“Waar zit je naar te staren?” vroeg de Ridder der Speren, die een grijze mantel met kap droeg net als de Troubadour. Ze stonden onder een korte passage in een zijstraat niet ver van het grote marktplein.


De Troubadour antwoordde niet. Plots stak hij zijn wijsvinger in zijn mond.


“Wat doe je?” fluisterde de Ridder der Speren ongeduldig, “Niet te veel zottigheden hier, Bard, er lopen heel veel soldaten rond. Wil je terug opgepakt worden?”


De Troubadour hield nu zijn natte vinger omhoog en sloot zijn ogen een moment lang. De Ridder der Speren zei al niets meer, en hulde zichzelf nog strakker in zijn gewaad. Het was er koud en kille motregen hing in de lucht. Mensen passeerden gehaast in de gaanderij en letten niet op de Troubadour.


“De wind is veranderd”, zei de Troubadour met gefronste wenkbrauwen. Hij veegde zijn vinger af aan zijn gewaad, die net iets donkerder was dan die van de Ridder der Speren, bijna donkerzwart.


“Daarvoor moest ik mijn natte vinger niet in de lucht steken”, zei de Ridder, “Overal waar we komen liggen soldaten op de loer om ons te vangen.”


De Troubadour knikte en nam een pijp uit zijn gewaad. Ze liepen rustig verder op zoek naar een herberg. De Ridder der Speren was erg verveeld door de vele onverklaarbare momenten waarop de Troubadour ineens stil stond om iets te bekijken of te luisteren.


“Mijn gewaad is doorweekt, hoeveel keer wil je nog in de regen blijven stilstaan om te staren naar het belfort?”


“Niet meer”, zei de Troubadour, “Ik heb honger.”


Hij keek in zijn pijp.


“En mijn pijpsel is op.”



***



In de herberg staarde de Troubadour uit het kleine raam naar het donkere marktplein. Hij had zijn gewaad niet uitgetrokken of zijn kap afgezet. Omdat de Ridder dichter bij het haardvuur zat, had hij zijn gewaad uitgetrokken om te drogen. Zijn speer had hij er los naast gelegd tot grote verwondering van de gasten in de herberg.


Beiden hadden ze een bord hete waterzooi gekregen vol heerlijke groentjes, peen en hier en daar een stukje mals vlees. Zodanig uitgehongerd door al het vluchten en het vechten van de afgelopen weken, schrokte de Ridder der Speren de maaltijd op. Maar de Troubadour niet.


Hij nam uit zijn waterzooi een stukje vlees, scheurde er een reepje af en legde het op de vensterbank van het open raam.


“Kan je het raam niet dicht doen?” vroeg de Ridder tussen het slurpen en het slikken door, “Het is koud buiten.”


“Wacht”, zei de Troubadour.


De Ridder der Speren schudde zijn hoofd en at verder. Hij was al blij dat het bord hete waterzooi hem  van binnen uit opwarmde. Ondertussen keek hij rond naar de gasten in de herberg, die rustig fluisterend naar hun twee staarden.


Aan de vensterbank kwam plots een kleine kat snuffelen aan het stukje vlees. Eerst schuchter, maar daarna sterk gelokt door de geur van de heerlijkheid, ging het katje zitten om te eten.


De Troubadour klikte met zijn tong en streelde de kat voorzichtig. De kat begon te spinnen en gaf hem kopjes.


“Wat ben je aan het doen?” vroeg de Ridder. Hij zag dat de gasten vervaarlijk begonnen te staren.


De Troubadour viste nog stukje vlees uit de waterzooi en gaf het aan de kat, die dankbaar begon te miauwen met de Troubadour. De Troubadour luisterde ingespannen en aandachtig naar de kleine kat.


De herbergier kwam kwaad aangestormd en pakte de borden van hen af, zeggende:

“Wij koken hier voor mensen, niet voor dieren.”


“Zie je nu wat je allemaal doet?” zei de Ridder toen de herbergier terug achter de toog stond, “Ik was nog niet eens klaar met eten.”


“Waarom ben je kwaad op mij? Ik heb jouw bord niet afgepakt”, zei de Troubadour, “En nu is de kat weggelopen. Het werd net interessant.”


Ze namen beiden een slok van hun gerstenat.


“Hoe moeten we de Keizer bevrijden, als we van niemand nog hulp kunnen krijgen? De soldaten zijn overal en houden alles in de gaten.”


“Maar we hebben een Ridder tussen ons twee”, zei de Troubadour, “Jij!”


De Ridder nam met een verslagen uitdrukking nog een grote slok van zijn beker.


“Een ridder zijn die strijdt voor mensen is niet veel meer waard als iedereen een soldaat kan worden wie wil vecht voor munten.”


“Dat doet me eraan denken”, zei de Troubadour en hij verhief zijn stem om te spreken tot de herbergier achter de toog: “Ik heb geen munten bij om te betalen, maar ik ken wel een prachtig lied waarmee ik jouw gasten kan verblijden.”


Hij stond recht, opende zijn gewaad en onthulde de vele kleuren van de kleren die hij daaronder droeg. Uit zijn zak haalde hij een kleine harp en begon er op te tokkelen. De Ridder zonk ineen van de schaamte.


De gasten staarden hierop de Troubadour verstoord en haast bang aan. De herbergier vroeg: “En welk lied zou je willen zingen voor ons?”


“Het tragische lied van een Keizer in de kerker van zijn eigen paleis.”


De gasten in de herberg begonnen meteen te konkelfoezen.


“Spaar ons uw afgezaagd lied”, riep de herbergier met een klein beetje angst in zijn stem, “Als je echt iets wilt zingen,  zing dan iets blij.”


“Iets blij?”, vroeg de Troubadour, “Tot uw dienst. Een blij lied, dat zal gaan over hoe de Keizer terug op zijn troon zit.”


De mensen begonnen nu te joelen tegen de Troubadour.


“Wil je daarmee ophouden? Dat is verboden!” riep de herbergier.


“Hoe, verboden?”


Tegelijkertijd passeerde een man aan de tafel waar de Ridder zat en zei stilletjes: “Jullie zitten in de verkeerde herberg. Kom naar de kelder van de gevel met de 11 trappen en een haan met vier pluimen in zijn staart, over de brug met het standbeeld van de hogepriester. Daar kunnen we nog vrij zingen en dansen.”


En nog voor de Ridder iets kon zeggen, was de man alweer doorgestapt. De Ridder aarzelde niet en nam zijn speer en trok zijn warm en droog gewaad terug aan.


“We willen geen problemen met de soldaten. Spreken over de Keizer is verboden. De Raad is nu de baas over ons. We willen alleen maar de wetten naleven.”


“Jullie willen de wetten naleven van zij die de wet hebben verbroken om zelf aan de macht te geraken?”


Sommige gasten gingen rechtstaan om de Troubadour van tegenwoord te dienen:

“De Hoge Raad is nu de Raad van ons allemaal, in plaats van alleen één man. De Hoge Raad luistert nu naar ons allemaal, in plaats van maar één man.”


De Troubadour moest lachen, maar dat vonden de gasten niet erg fijn. Het begon alleen maar gevaarlijker en gevaarlijker te worden en de Ridder had dat goed in de gaten. Hij ging dichter bij de Troubadour staan, met zijn speer stevig vastgeklampt.


“Hoe kan de Raad naar ons allemaal luisteren”, vroeg de Troubadour, “Als zij ons vertellen wat we moeten zeggen? Hoe kan de Raad naar ons allemaal luisteren, als zij ons verbieden te spreken?”


“Als jullie alleen willen spreken over verboden dingen, ga dan weg uit onze herberg! Wij willen alleen maar in alle rust en stilte voortdoen zoals we altijd bezig waren.”


De gasten werden steeds kwader en kwader. De Ridder der Speren nam de Troubadour aan de arm terwijl hij hem meenam naar de ingang, maar de Bard bleef doorgaan.


“De wind is al veranderd”, riep de Troubadour, “Zoals het altijd was, is gepasseerd. Als rust en de stilte alleen bestaat wanneer jullie de schandaligheid volgen van mensen die wetten breken om zelf wetten te maken, volg ze maar. Je zal zien dat je alleen vrij bent om te beslissen wat zij willen dat je beslist. Als je denkt dat dat vrijheid is… proficiat!”


Maar aan de ingang stonden twee soldaten hen op te wachten.


“Boelmakers, ja?” zeiden ze, en trokken hun zwaarden.


De gasten deden de ramen open om toe te kijken vanuit de herberg.


“Hier heb ik de hele dag op gewacht”, zei de Ridder ineens breed lachend en greep zijn speer met twee handen. De Troubadour hield zijn staf lichtjes in de aanslag.


Heel dicht konden de soldaten met hun zwaarden niet geraken, want scherp als ze waren, bleven ze een heel stuk korter dan de speer van de Ridder.


De Ridder hield de ene op afstand met de achterkant van zijn speer, terwijl de andere tevergeefs hem probeerde te raken met zijn zwaard. Zo joeg de Ridder de twee tot net buiten de herberg.


Met een sterke stoot van zijn speer recht in de handpalm van de voorste soldaat, viel het zwaard zwaar klingelend op de grond. Snel nam hij een sprong voorwaarts en schopte de soldaat recht in de borst, die ineengekrompen binnen in de herberg vloog.


Het ging zo vlug dat de andere soldaat alleen met lede ogen toe kon kijken hoe zijn maatje uitgeteld tussen de soep en de patatten lag. Hij keek terug naar de Ridder en probeerde het hout van de speer in twee te klieven, maar de Ridder ontweek hem moeiteloos. Met de stompe achterkant van zijn speer gaf hij hem een stoot, recht in de neus, dan in de keel en daarna in de buik. De soldaat viel op zijn knieën voor de Ridder, die meteen het zwaard uit zijn handen schopte.


“We maken geen boel”, zei de Ridder tot de ineengezakte soldaat, “Ik werk alles altijd netjes af.”


Uit de herberg klonk plots hier en daar gejuich! Zelfs de meest koppige onder de gasten herkennen moed en kracht wanneer ze het zien. Maar de herbergier kon het niet verdragen. Hij sloot onmiddellijk de deur en blafte naar de gasten om alle ramen te sluiten.


“En waar gaan we nu heen?” zei de Troubadour terwijl hij onaangedaan in zijn lege pijp keek.


De Ridder schudde zijn speer af en zei: “Over de brug met het standbeeld van de hogepriester, naar het huis met elf trappen aan de gevel en daarop een haan met vier pluimen in de staart.”


De Troubadour keek hem verbaasd aan: “Dat is heel erg duidelijk!”


“Wat sta je dan nog te wachten?” vroeg de Ridder en ze stapten samen weg langs de kreunende soldaat.


En over de brug met de hogepriester, onder in de kelder van de gevel met de elf trappen en de haan met vier pluimen in de staart, vonden de twee een gezellige kamer vol mannen die dansten en dronken en rookten en elkaar omhelsden terwijl ze liederen zongen van de Keizer en het Magische Hert. Er hing een bordje in de vorm van een kroon boven de open deur:


“Keizerskelder”


“Hier zullen ze vast en zeker wel pijpsel hebben”, zei de Troubadour met een grote glimlach terwijl ze de Keizerskelder binnen gingen.

voorproef


Fluisteringen boven de grassprietjes


De Prinses vraagt haarzelf af of ze is ontsnapt aan de mensenwereld of eruit is weggevlucht. Ondertussen vindt ze de brief van de slang en zodoende... vond de slang ook haar.

Fluisteringen boven de grassprietjes


“Is het anders”, vroeg de Prinses tot een grote pluizige mot die haar naar de avondlichtjes van de oever bracht, “Dat ik hier gekomen was om te ontsnappen? Is het anders dan de zoektocht van de Dwaas?”


De mot flapperde rustig haar pluizige vleugels, die groter waren dan het gezicht van de Prinses en  vloog naar de avondlichtjes die over de rivier dansten. De kleuren en de figuren van de mot waren nog mooier in de roze en paarse lichtstralen van de zonsondergang.


Ze nam de mot vast en gaf haar een kusje op de pluizige buik. De mot vloog naar de elfjes toe die met de avondlichtjes en de vallende komeetspetters dansten.


Een eind verderop ging de Prinses in het gras zitten en voelde met haar handpalmen aan de grassprietjes. Ze boog naar een van de grassprietjes en fluisterde: “Groei!”


“Wacht eens even!”


Er vlogen onmiddellijk een groepje elfen naar de Prinses.


“Dat is onze taak!”


“Oh, ja?” vroeg de Prinses.


“Ja!”


Er viel de Prinses plots iets in. Ze vroeg:


“Fluisteren jullie boven elke grasspriet dat ze moeten groeien?”


“Ja, natuurlijk”, zei een elfje, “Ze willen allemaal groeien.”


“Maar soms moeten ze het ook eens horen”, zei een ander elfje dat op haar schouder was gaan zitten, “Dat helpt wel.”


“Maar”, vroeg de Prinses, “Doen jullie dat bij alle grassprietjes?”


“Alle grassprietjes, alle bloembollen, alle knollen, alle knopjes, alle stengels, alle takjes en alle scheutjes”, zeiden de elfjes.


“Niet alleen hier?”


“Nee, niet alleen hier”, zei een elfje die wild om haar hoofd vloog, “Overal!”


“Ook in de wereld buiten de elfenwereld?”


“Ja, natuurlijk,” zeiden de elfjes lachend, “De hele wijde wereld!”


“Kunnen jullie zomaar heen en weer naar de buitenwereld en naar de elfenwereld?”


De elfjes lachten uit volle borst.


“Waarom zouden we onze eigen elfenwereld niet meer binnen kunnen geraken?”


“Ik wil mee”, zei de Prinses.


“Naar waar?”


“Naar de mensenwereld.”


“Kom je niet net daarvandaan?” vroegen de elfjes.


“Ik heb daar ook nog een taak”, zei de Prinses.


Ze sprong ineens recht en liep en liep en rende verder over de vallei. De nieuwsgierige elfjes vlogen in een wolkje achter haar aan.


En de Prinses liep maar door en door tot ze terug aan het verre strand met de grijze ronde keien voor de scherpe rotsen stond waar ze het kistje van de slang had verstopt.


“Het is hier lekker fris”, zei een elfje, maar alle andere elfjes bleven stil toekijken hoe de Prinses tussen de scherpe rotsen klom, volledig werd nat gespetterd door de wilde golven van de zee, en haar hand diep in die ene donkere krocht stak.


De Prinses greep het kistje, maar slierde met een gil uit over een gladde steen en tuimelde naar beneden. Maar vooraleer ze op de scherpe rotsen zou gevallen zijn, hadden de elfjes haar opgevangen. Ze hielden de Prinses vast aan haar kleren en werden overspoeld door de hoogste golven van de zee tot ze haar eindelijk neerlegden op het strand waar ze na even hoesten en proesten keek naar wat ze in haar armen had vastgehouden: het kistje.


“Dankjewel elfjes”, zei de Prinses.


“Wat zit daar in?” vroegen de elfjes.


“Dat wil ik nu zelf ook wel eens weten”, zei de Prinses. Ze veegde het haar dat over haar gezicht plakte door het zoute zeewater opzij, legde het doosje netjes voor haar op de ronde grijze keien en draaide aan het slot.


Een opgevouwen brief, dichtgemaakt met een lint in een grote rode zegel en twee mooie vergulden sprookjesboeken vol heel fijn getekende prentjes.


“Dit waren mijn lievelings boeken van toen ik nog klein was”, zei de Prinses.


“Waar gaan ze over?” vroegen de elfjes.


“Over koningen en prinsessen en ridders en schatten en draken”, zei ze en legde de boeken ze opzij om naar de brief te kijken die daaronder verscholen lag.


De brief was verzegeld met rood was en de afdruk van de ring van de Keizer. Met een krokante krak brak ze de zegel en opende de brief. Ze vouwde het eenmaal open en andermaal en tot driemaal toe.


“Wat staat er?” zeiden de elfjes die van de spanning op en neer vlogen.


“Er staat… dat ik… dat ik koningin ga worden”, zei de Prinses.


“Koningin?”


“Ik ga koningin worden!”


“Geweldig!” riepen de elfjes, ze dansten rond de Prinses heen, die zelf op en neer sprong met de brief in haar handen.

“Ik word de Koningin der Harten!” riep de Prinses blij, “Ik krijg mijn eigen koninkrijk!”


“En wie wordt jouw koning?” vroeg er een stem plots.


De wind blies op dat moment hard door de rotsen die haast begonnen te fluiten. De Prinses keek om en zowaar, de witte slang met de rode ogen lag daar te kronkelen en te glibberen bovenop een grote kei. De elfjes vlogen meteen weg toen ze de slang zagen.


“Mijn wat?” vroeg de Prinses.


“Jouw koning”, zei de slang, “Wie wordt jouw koning? Je kan toch geen koningin zijn zonder koning?”


“En waarom niet?!”


Voor het eerst in lange tijd voelde de Prinses de hekserigheid in haar opkomen bij het horen van die onnozele prietpraat. Dit stemde de slang blij.


“Maar meisje toch”, zei de slang, “Kijk maar in de sprookjesboeken. Elke koningin heeft een koning.”


“Dat is misschien wel zo”, zei de Prinses, “Maar ik ben altijd al prinses geweest, daar had ik niemand anders voor nodig.”


“Ja, natuurlijk”, zei de slang, “Voor jezelf ben je altijd de Prinses geweest, dat is wie je bent. Maar een koningin zijn is iets wat je doet voor anderen. Begrijp je?”


De Prinses keek de slang even aan en dacht na. Ze dacht na over wat een koningin zijn allemaal betekende.


“Ik denk dat ik het begrijp”, zei de Prinses.


“En iets is pas waar voor anderen, als het officieel is,” ging de slang verder, “Hoe kunnen de andere anders weten als iets waar is?”


“En waarom zijn dat hun zaken of ik een ware koningin ben of niet?”


“Of het hun zaken zijn of niet, dat is een vraag die er niet eens meer toe doet eens alles officieel is”, zei de slang, “Toch?”


“Dat is… waar”, zei de Prinses twijfelend.


“Mijn lieve Prinses”, zei de slang die dichter en dichter kronkelde, “Ik zie dat je zoveel dingen niet meer weet, dat je niet meer weet hoe het er allemaal aan toe gaat. Deze dingen moet je weten. Je moet deze dingen kennen. Je moet deze dingen onthouden.”


“Ja”, zei de Prinses, “Als ik deze dingen allemaal niet weet, dan kan ik ook niets deftig beslissen.”


“Dat ìs het!” zei de slang sissend van contentement, “Dat ìs het mijn lieve Prinses, en je weet al deze dingen allemaal nog niet omdat je hier zit, ver weg van alles wat je zou kunnen weten en kennen!”


“Maar dit is het paradijs”, zei de Prinses.


“Paradijselijk, zo lang je niet nadenkt”, zei de slang, “Want je hoeft hier niet na te denken. Het paradijs is paradijselijk vanzelf, je hoeft er niets voor te doen.”


“Dat is zo”, zei de Prinses.


“Maar zonder nadenken kan je ook niet inzien dat…”


En de slang stopte plots met spreken, alsof hij iets geheims zou verklappen.


“Wat inzien?” vroeg de Prinses, maar de slang verborg zijn kop alleen maar onder zijn kronkels.


“Wat is het?”, vroeg de Prinses, “Wat zou ik inzien?”


“Wel”, zei de slang, “als je het écht wilt weten - wat ik al een heel goed teken vindt op zich – je zou inzien dat zo lang je hier blijft zitten ver weg buiten de mensenwereld, dat je… dom... zal blijven.”


De Prinses schrok en hapte even naar adem.


“Dom?”


“Dom.”


“Hoe bedoel je dom?”


“Je hoeft niet slim te zijn in het paradijs, toch?”


“Ja, dat klopt”, zei de Prinses, “Slim zijn of dom zijn maakt hier niet uit.”


“Al die dingen die je hebt geleerd in de heksentoren, maken hier dus niets uit”, zei de slang, “Alles wat je hebt gedaan om jouw familie te bereiken na al die lange jaren dat je was opgesloten en werd uitgebuit, maakt hier niets uit. Toch?”


“Dat is zo”, zei de Prinses, “Hier maakt dat allemaal niet uit.”


“Dat is het ding!” riep de slang triomfantelijk, “Het maakt me zo blij om te zien dat je nú al slimmer wordt. Stel je voor wat je zou kunnen leren in de buitenwereld! Want daar maakt alles wat je gedaan hebt, alles waar je voor gevochten hebt, maakt alles nog steeds uit. Daar kan je leren, slimmer worden, een koningin worden.”


De Prinses keek de slang achterdochtig aan, maar kon in zijn woorden niets vinden wat fout was, zelfs al voelde het niet juist.


“Ik zal het nog simpeler zeggen”, zei de slang, “Als het hier niet uitmaakt wie je bent, wat kan het voor kwaad als je vertrekt?”


De Prinses keek naar de boeken in haar handen, naar de bladzijden met gouden randen, naar de letters en de prenten, dacht even na en zei:


“Dan… kan het geen kwaad.”


“Dat is het slimste”, zei de slang fluisterend in haar oor, “Wat ik jou ooit heb horen zeggen.”